In de vorige hoofdstukken werden gegevensitems (variabelen) beschreven die individueel zijn en op zichzelf staan, bijvoorbeeld:
int getal;
String naam;
Deze variabelen leven hun eigen leven, spelen een nuttige rol als tellers in programma’s, totalen enzovoort. We kunnen ons deze variabelen voorstellen als geheugenplaatsen waar individuele namen bij horen.
In de praktijk komen we daarentegen vaak gegevens tegen die niet op zichzelf staan, maar die bij elkaar gevoegd zijn tot een verzameling van informatie. Soms staat deze informatie in tabellen. Voorbeelden zijn een spoorboekje, een telefoonboek of een bankafschrift. In de informatica noemen we deze tabellen datastructuren. Een van de eenvoudigste typen datastructuren bij het programmeren is een array. Een array kan simpelweg worden beschouwd als een tabel met een enkele rij van informatie. Dit zou een tabel van getallen, van strings of van nog andere dingen kunnen zijn. De onderstaande afbeelding laat een array van getallen zien:
Een array van woorden kan er bijvoorbeeld als volgt uit zien
In programmeersjargon heet een item in een array een element en we verwijzen naar zo’n element met zijn plaats in de array, de index. Mensen beginnen bijna altijd bij één te tellen. Daarom zou de naam John dus op de eerste positie staan in de tabel, maar in Java wordt de eerste positie in de array de nulde positie genoemd. Een array heeft dus achtereenvolgens een nulde, eerste, tweede, derde positie enzovoort. De naam Ringo staat in de array hierboven dus op de derde positie. Bedenk wel dat de indices niet in het computergeheugen zijn opgeslagen: alleen de gegevens zijn dat. De indices zijn de manier waarop we informatie in een array terugvinden.
In een programma moeten we meestal (net als in het dagelijkse leven) de volgende bewerkingen op arrays uitvoeren:
De array creëren, aangeven hoe lang hij moet zijn en wat erin moet staan
Waarden in de array zetten (bijvoorbeeld telefoonnummers uit je adresboek invoeren)
De waarden van de array op het scherm laten zien
De array doorzoeken om een bepaalde waarde te vinden (bijvoorbeeld het doorzoeken van de dienstregeling om een trein op een geschikt tijdstip te vinden)
De elementen van een getalarray bij elkaar optellen (bijvoorbeeld bij de berekening van hoeveel tijd klanten gemiddeld in de supermarkt doorbrengen)