In dit hoofdstuk wordt er bekeken welke informatie je in bestanden kunt opslaan, en hoe je programma’s kunt schrijven voor het bewerken van bestanden.
Eerst komt het verschil aan bod tussen RAM-geheugen (random-access memory) en opslagmedia (zoals USB-sticks). In alle gevallen wordt de opslagcapaciteit gemeten in bytes. Er zijn echter wezenlijke verschillen tussen RAM en middelen om bestanden op te slaan:
De toegangstijd tot een item in RAM is veel korter. De kosten van RAM zijn hoger (iedere megabyte extra kost geld)
Gegevensopslag in RAM is tijdelijk: het geheugen wordt gewist zodra de computer uitgeschakeld wordt. Opslagmedia daarentegen houden de gegevens onbeperkt lang vast.
RAM wordt gebruikt om programma’s in op te slaan zolang ze runnen. Vlak voordat een programma wordt uitgevoerd, wordt het vanaf een opslagmedium naar RAM gekopieerd
Opslagmedia voor bestanden hebben een grotere capaciteit dan RAM. USB-sticks hebben bijvoorbeeld een grootte van 16GB
Op de gemiddelde vaste schijf kun je tegenwoordig al gauw zo’n 500 Gb kwijt. De ontwikkeling van de technologie gaat echter in hoog tempo door; er is felle concurrentie in het creëren van de goedkope, snelle opslagmedia waar de moderne computersoftware behoefte aan heeft, vooral op het gebied van hoge kwaliteit stilstaande en bewegende beelden en geluid.