Train een lage Bandeja wanneer de tegenstander een diepe bal door het midden slaat. Plaats je voeten breed, draai in en speel de Bal met weinig snelheid maar maximale controle. De focus ligt op stabiliteit, niet op kracht.
Let op de houding van de tegenstander: een diepe, snelle bal wordt vaak gespeeld wanneer ze balansproblemen hebben. Dat is jouw moment om met rust te hernemen en langzaam weer het net te claimen.
Observeer hoe vaak tegenstanders teruggaan naar dezelfde diepe hoek. Komen de diepe ballen meestal links? Rechts? Door het midden? Noteer patronen.
Hoe snel draai je in?
Maak je eerst ruimte vóór je slaat?
Stuur je de bal altijd met open racketblad?
Kun je de bal lager houden dan je tegenstander verwacht?
Bekken laag, rug neutraal, schouders ontspannen. Lietse buiging in knieën voor extra stabiliteit. Racket hoog blijven houden tijdens in- en uitstappen.
Laat de speler aan de netpositie volées oefenen met een naar buiten draaiende hoek. De drill: coach speelt 20 ballen naar rechts en 20 naar links, waarbij de speler telkens gedwongen wordt naar voren én opzij te stappen.
Herken wanneer de tegenstander te ver naar het midden staat. Dit creëert ruimte aan de buitenlijn voor een hoekvolleé.
Bekijk rallystructuren waarin spelers de neiging hebben naar het midden te trekken. Analyseer het ritme van hun beweging.
Hoe ver sta je van het net?
Duw je de bal of sla je?
Creëer je voldoende zijwaartse rotatie?
Kom je na elke volée terug in balans?
Schuine schouderlijn richting de hoek. Racket vóór het lichaam. Stap diagonaal in om kracht vanuit heuprotatie te genereren.
Train de zachte chiquita met extra lage stuit door ballen kort te slicen. De coach stuurt diepe ballen; speler speelt ze langzaam onder de kniehoogte terug met backspin.
Kijk welk type speler moeite heeft met lage ballen: agressieve smashers? Volley-spelers? Dit bepaalt of de chiquita effectief wordt.
Check wanneer de tegenstander verwacht dat je hoog terugkomt. Een chiquita doorbreekt dat patroon.
Is je pols ontspannen?
Maak je een neerwaartse beweging?
Staat je racketblad open?
Hoe snel herstel je naar voren?
Lage heupen, schouders licht naar voren, knieën in buiging. Rotatie uit de onderarm en pols; niet uit de schouder.
Train moeilijke ballen die van de muur op het frame lijken te botsen. De coach gooit lastige “halve” ballen; speler moet leren om de bal te lezen en de juiste aanpassing te maken.
Let op: frame-ballen komen vaak van onzekere of te harde tegenstanders. Identificeer: wanneer slaan zij te hard?
Is de rally chaotisch? Gebruik deze momenten om rust in het spel te brengen door gecontroleerd te spelen.
Kijk je lang genoeg naar de bal?
Maak je kleine pasjes?
Neem je tijd om je racketblad te kantelen?
Corrigeer je eerst je voeten of je racket?
Micro-footwork: kleine, snelle stapjes. Rugrecht. Zachte pols. Knieën laag om onverwachte stuit te kunnen opvangen.
Plaats 20 ballen achter elkaar in de backhandhoek. De speler moet de bal lezen, op tijd draaien en met open blad tegen de zijmuur én achterwand terugslaan.
Herken de snelheid: een harde bal stuit hoger, een zachte bal blijft lager. Anticipatie begint met snelheid lezen.
Welke ballen komen vaak in de backhandhoek? Komt dit door het spelpatroon van de tegenstander?
Draai je eerst weg met de linkerschouder?
Wacht je voldoende?
Maak je een gecontroleerde voorwaartse beweging?
Waar mik je: lang of kort?
Draai de heupen vroeg in. Voeten breed. Gewicht naar voren als je slaat. Armen ontspannen, racketblad open.
Speel halfhoge ballen net voor de netlijn. De speler moet kiezen: volée of lob? Train beide opties.
Punt van herkenning: een halfhoge bal is zelden een aanvalskans. Leer verdedigen met rust.
Bekijk hoe vaak spelers een fout maken door hier te hard te slaan.
Beslis je vroeg?
Staat je racket hoog?
Kun je de lob hoog genoeg plaatsen?
Maak je daarna je herstelstap?
Schouders ontspannen. Racket voor je lichaam. Stap licht achteruit voor ruimte.
Richt op ballen die heel laag van de zijmuur terugstuiten. De speler moet op tijd zakken en een korte swing maken.
Lage zijmuurballen komen vaak van slice-volées van de tegenstander. Let op hun polsbeweging.
Wanneer komt deze bal? Vaak wanneer je te ver in het midden staat. Leer dit patroon.
Ben je laag genoeg?
Kijk je door de bal heen?
Heb je ruimte gemaakt?
Swing je compact?
Heupen laag, kniebuiging groter dan normaal. Korte beweging uit de onderarm.
Train smash → herstel → netovername. Coach speelt lobs. Speler smasht, rent terug en neemt opnieuw het net over.
Smash niet blind. Kijk naar de positie van beide tegenstanders én hun lichaamshouding.
Hoe vaak wordt je smash daadwerkelijk een punt? Hoe vaak levert het alleen maar verdediging op voor de tegenstander?
Waar landt je smash?
Hoe snel herstel je?
Neem je direct weer het net?
Communiceer je met je partner?
Explosieve eerste stap terug. Lage romp. Armen naast het lichaam. Center of gravity laag houden.
Speel 30 trage volées waarbij je het racketblad extra opent. Doel: rust creëren in de rally.
Wie jaagt? Wie dicteert? De trage volée breekt agressieve ritmes.
In lange rally’s is dit een wapen om je tegenstander te dwingen tot slechte keuzes.
Open je racket goed?
Duw je met je onderarm?
Mik je diep?
Loop je daarna rustig terug naar positie?
Stabiliteit in schouders. Pols ontspannen. Gewicht licht naar voren.
Train returns diep door het midden. De coach serveert breed en door het midden; de speler keert elke bal met neutrale diepe return.
Return door het midden voorkomt directe aanval van de tegenstander.
Bekijk welke tegenstander sneller het net pakt. Een diepe return remt hun aanval.
Neem je de bal vroeg?
Hou je swing kort?
Richt je tussen beide spelers?
Herstel je naar achter?
Racket klaar vóór de stuit. Gewicht naar voren. Schouders gesloten.
De coach speelt lage backspin-ballen diep in het veld. De speler moet leren de richting van de spin te “lezen” door de stuit en afremming te anticiperen. De oefening focust op: wachten, laten zakken, korte swing en gecontroleerd contact.
Backspin wordt veel gebruikt bij verdediging. Let op de houding van de tegenstander: een naar achter hangende schouder = sterke slice.
Bekijk wanneer je te vroeg in de bal zit. Noteer na training: bij welke snelheid mis ik timing?
Wacht je tot de bal op het laagste punt is?
Positioneer je eerst de voeten vóór je het racket plaatst?
Maak je een korte, lage swing?
Kun je de bal vaker diep dan breed plaatsen?
Lage heupstand. Knieën gebogen. Schouders iets hoger dan heupen. Kort contact vanuit onderarm en pols.
Speel 40 volées waarbij je uitsluitend parallel langs de lijn speelt. Focus: balans bewaren, kleine pasjes, racket voor het lichaam en gecontroleerde duwbeweging.
Speel de lijn-volée wanneer tegenstanders te ver naar het midden kruipen. Dit is de meest onderschatte aanval.
Noteer: hoeveel fouten maak je wanneer je te hard langs de lijn wilt? Leer doseren.
Richt je eerst voor je slaat?
Staan je schouders al naar de lijn gedraaid?
Duw je de bal of swing je?
Schuif je na de slag weer naar het midden?
Voetpositie half open. Gewicht voorwaarts. Racketblad licht open, beweging uit schouder en onderarm.
Coach slaat hoge lobs — speler oefent een topspin smash waarbij de bal hoog opstuit en terug richting de eigen helft keert. Richt op contactpunt boven het hoofd en swing van achter naar voor met polswhip.
Kijk naar waar de tegenstander staat:
• Dicht bij het net → kick smash achter hen
• Ver in de hoek → smash naar het midden
Bestudeer hoe vaak tegenstanders moeite hebben met topspin-banen. Gebruik het slim wanneer ze onder druk staan.
Start je met open schouderlijn?
Maak je een vloeiende ronddraaiende swing?
Kun je consistent dezelfde hoogte raken?
Landt de bal in de juiste zone?
Explosieve heuprotatie. Kniebuiging vóór afzet. Pols versnelt laatste 30 cm.
De coach speelt harde diepe ballen. De speler leert de bal extra lang te laten gaan om via de achterwand én zijwand terug te komen. Oefen timing: kijken → wachten → stappen → swing.
Snelle ballen tegen de muur vragen rust. Analyse: als de tegenstander harder slaat, hoef jij minder te doen.
Bekijk in de rally: wanneer kies je onnodig voor een directe slag? Mogelijk zou de muurslag veiliger zijn.
Wacht je tot de bal de muur verlaat?
Sta je al gedraaid voor de bal komt?
Is je racketblad voldoende open?
Sla je laag genoeg?
Romp naar de muur gedraaid. Racket open. Lage stance. Stap diagonaal in voor ruimte.
Train volées waarbij de bal onverwacht afzwaait. De coach wisselt spin, snelheid en richting. De speler moet micro-aanpassingen maken binnen 0.2–0.4 seconden.
Herken aan de pols van de tegenstander of de bal gaat draaien. Slice → bal daalt sneller, topspin → bal stijgt en springt weg.
Analyseer: welke afzwaaiers maken je onzeker?
Links? Rechts? Laag? Hoog?
Kijk je langer naar de bal dan normaal?
Corrigeer je met je voeten of met je racket?
Ben je stabiel bij impact?
Kun je variëren tussen duw en korte swing?
Schouders breed, knieën licht gebogen, voeten actief in kleine pasjes. Racket vóór het lichaam blijven.
Coach speelt harde drukvolle volées naar de verdediger. De speler moet leren een accurate hoge lob te spelen vanuit maximale snelheid en minimale tijd.
Onderzoek:
• Wie staat dichter bij het net?
• Wie springt vooruit?
Speel de lob over de speler die het meest drukt.
Let op of tegenstanders voorspelbaar naar voren komen. De lob is dan een counter.
Zet je eerst een kleine stap achteruit?
Open je racketblad voldoende?
Contact onder de bal?
Hangt je slag 5–6 meter hoog?
Lage heupen, gewicht op het achterste been, racket onder de bal, zachte pols.
Coach speelt hoge ballen in de achterhoek. De speler moet de bajada afwisselen: topspin, vlak én sidespin. Nadruk op het raken van de bal naast het lichaam.
Sidespin bajada is ideaal tegen spelers die te ver in het midden staan. Zij verwachten een rechte bal.
Bestudeer: Hoeveel ruimte heb je?
Een bajada zonder ruimte is risico. Leer herkennen wanneer je “te laat” bent.
Draai je schouders vroeg?
Laat je de bal voldoende dalen?
Plaats je je voet ver genoeg opzij?
Mik je op de zijlijn of diagonaal?
Heupen roteren mee. Racket laag → hoog → zijwaarts. Gewicht verschuift diagonaal.
De coach vuurt 20–40 snelle ballen op de speler aan het net. Doel: korte reflexvolleys met minimale voorbereiding.
Herken bij snelle rally’s het volgende: niet harder slaan, maar sneller plaatsen.
Rally’s sneller dan 0.6 sec per bal volgen een ritme. Kijk wie dat ritme dicteert.
Houd je racket voor je lichaam?
Maak je een push of een tik?
Ben je laag genoeg?
Herstel je telkens naar de centrale positie?
Smalle stance voor wendbaarheid. Racket hoog. Schouder rotatie minimaal. Reageren vanuit onderarm.
Train 3 varianten:
• Bandeja diagonaal
• Bandeja door het midden
• Bandeja naar de zijlijn
Wissel elke 3 ballen van richting.
Richting wisselen breekt patronen van tegenstanders die anticiperen op jouw bandeja.
Bekijk wanneer je te voorspelbaar bent. De meeste spelers slaan 70% dezelfde richting — maak dit 40%.
Sta je al gedraaid?
Stap je diagonaal?
Open je racketblad voldoende?
Val je niet te veel naar achter?
Breed staan, borst naar de hoek van keuze draaien, racket achter je schouder, gecontroleerde tik.
Oefen 3 types opslag:
• Lage slice: brede stuit
• Vlak: diepe power
• Kick: hoge stuit naar achter
Wissel elke 5 services.
Analyseer de returner: neemt hij de bal vroeg? Laat? Breed? Door het midden?
Let op patronen: returnt iemand altijd cross? Speel daartegen gericht slice naar de zijlijn.
Benen eerst buigen?
Contactpunt laag bij slice?
Raak je de kickservice vanuit onder naar boven?
Variatie behouden?
Racket laag beginnen. Pols ontspannen. Kniebuiging voor kracht. Heuprotatie voor effect.
Coach speelt diepe harde ballen naar de achterlijn. De speler oefent een liftende reset: laag contactpunt, open racketblad, zachte beweging omhoog om de rally opnieuw neutraal te maken. Doel: hoogte + diepte zonder risico.
De reset is perfect wanneer:
• Je onder druk staat.
• Tegenstanders te dicht bij het net komen.
• Je een ritmebreuk nodig hebt.
Noteer wanneer je te snel wil counteren. Vaak is de reset veiliger én tactisch sterker.
Wacht je lang genoeg vóór de aanraking?
Is je racketblad minstens 30° omhoog?
Lift je vanuit de benen?
Kun je diepte houden zonder snelheid?
Knieën diep gebogen, romp stabiel, gewicht achter → voor, zachte onderarm, open racketblad.
De coach speelt afwisselend links–rechts op hoge snelheid. De speler moet elke bal met een compacte volée afwerken. Focus: handpositie, racket voor het lichaam, micro-rotaties van schouders.
Kijk naar:
• Betreedt de tegenstander het midden? → backhand-lijn is vrij.
• Staat hij breed? → open forehand-hoek.
Analyseer: verlies je tijd met oversized swings? Reflexvolleys moeten compact zijn.
Staat je racket neutraal voor het lichaam?
Draai je schouders vóór je slaat?
Houd je de swing < 30 cm?
Behoud je balans tijdens wissels?
Kleine steps, heupen stabiel, schouders draaien maar heupen blijven frontaal, racket hoog.
Speler start in de verdediging en moet na een lage bal correct naar voren bewegen. Bal op kniehoogte spelen → direct 3 snelle pasjes naar het net → splitstep → klaar voor volée.
Kijk of de tegenstander achterover leunt na jouw lage bal. Dat is hét moment om door te stappen.
Bestudeer hoe vaak je te laat naar voren gaat. Timing van netbenadering bepaalt de rally.
Laat je de lage bal eerst goed zakken?
Controleer je de diepte?
Stap je meteen door, zonder te twijfelen?
Maak je een splitstep vóór de volgende slag?
Lage heupstand bij de slag, romp voorover, explosieve stappen naar voren, hak–teen afzet.
Coach speelt halfhoge drukvolle ballen. De speler moet laag → hoog → laag bewegen in één vloeiende sequence:
lage voorbereiding,
hoge lift,
terug naar lage verdediging.
Dit patroon is ideaal tegen teams die de hoop hebben je “vast te zetten” met mid-height volleys.
Noteer: op welke momenten word je uit positie gespeeld? De bodge is bedoeld om dat ritme te breken.
Zakt je heup op tijd?
Kun je de bal neutraliseren met hoogte?
Herstel je voldoende snel?
Houd je dezelfde controle bij stap 3?
Flexibele knieën, sterk centrum, lage en hoge rompvariaties, voeten actief.
Speler oefent 40 lage chiquita’s cross op de voeten van de volleyer. Focus: korte swing, lage doorzwaai, open blad 15°, verticale lift vanuit pols en onderarm.
Gebruik de chiquita wanneer de tegenstander:
• Te breed staat.
• Te diepe volley geeft.
• Niet verwacht dat jij in de aanval gaat.
Analyseer: wie in het andere team is kwetsbaar voor lage ballen? Speel de chiquita daarop.
Laat je de bal dalen tot kniehoogte?
Is je swing compact?
Mik je op voeten of tussen de voeten?
Stap je door na de slag?
Gedraaide romp, lage heupen, licht voorover, racket onder de bal, korte explosieve lift.
Coach speelt grenzende diepe ballen. De speler moet telkens beslissen: direct spelen of via de muur.
Focus op: instapmoment, afstanden, wall-read timing.
Let op de stuit:
• Snel → muur is veiliger.
• Traject met curve → direct spelen makkelijker.
Analyseer wanneer je te vroeg kiest voor directe slagen en daardoor timing verliest.
Bereken je stuithoogte?
Sta je op tijd in positie?
Wacht je tot bal muur verlaat?
Kun je de situatiewissel benoemen?
Romp licht gedraaid naar de muur, voeten breed, racket klaar in afwachtende houding.
Train de torsie-beweging vóór de bandeja: schouderinzet, lichaam openen, racket achter het oor, diagonaal voetwerk. Eerst zonder bal, daarna met zachte ballen, dan op wedstrijdsnelheid.
De meeste missers bij bandeja’s ontstaan door: te weinig torso-rotatie en te hoge heupstand.
Bekijk video-opnames in slow motion: draait je schouderlijn wel 45°?
Open je eerst de schouders?
Staat je racket achter schouderhoogte?
Houd je je balans bij de landing?
Plaats je de bal diep genoeg?
Torsierotatie vanuit core, knieën zacht, gewicht achter → voor, lange duwbeweging.
Coach slaat hoge drukvolle ballen. De speler leert “tijd kopen” door hogere en tragere returns. Focus: gecontroleerde omhooggaande swing onder lage snelheid.
Gebruik buffering tegen:
• Snelle teams
• Netdominante spelers
• Smashers die graag op ritme blijven
Bestudeer hoe de rally verandert wanneer jij één keer extra hoog speelt. Ritme is alles.
Heb je voldoende hoogte?
Vermijd je te veel snelheid?
Herstel je naar middenpositie?
Gebruik je de tijd effectief?
Open racketblad, lage knieën, ontspannen schouders, lange liftbeweging.
Trainer gooit onvoorspelbare ballen op halve snelheid. De speler moet vóór elke slag één corrigerende stap zetten: links, rechts, achter of diagonaal.
Hoge spelers vergeten vaak te corrigeren. De kleinste voetbeweging bepaalt de kwaliteit van de slag.
Bestudeer je eigen fouten: komen ze door rackettechniek of door voetwerk?
Maak je een splitstep vóór elke slag?
Corrigeer je met voeten in plaats van armen?
Blijf je breed staan?
Herstel je na de slag?
Romp laag, voeten continu actief, knieën licht gebogen, quick steps, balans centraal.
Coach speelt afwisselend een diepe bal en een korte bal. De speler moet eerst een aanvalsvolée spelen, daarna direct instappen naar voren voor nóg een drukballon.
Let op positionering van tegenstanders: draaien zij naar je eerste volée toe? Dan is tweede aanval gegarandeerd effectief.
Analyseer: wanneer laat je na om door te drukken? Vaak komt succes door tweede drukmoment, niet de eerste.
Speel je de eerste volée diep genoeg?
Stap je direct in (geen pauze)?
Kies je richting op basis van tegenstander?
Houd je de bal laag?
Explosieve instap, lage houding, schouders vooruit, racket voor lichaam, heupen mee in richting.
① Gerichte oefening
Train het overstappen naar de middenlijn om een cross-bal vroeg te onderscheppen.
② Spel-analyse-tips
Let op de schouderrotatie van de tegenstander: zie je vroeg dat de bal naar cross komt?
③ Spelverloop bestuderen
Observeer hoe vaak tegenstanders in de fout gaan zodra jij de middenzone domineert.
④ Stappenplan / vragen
Splitstep → kruispas naar binnen
Racket vóór je
Raakpunt hoog
Waar kun je de bal direct neerleggen?
⑤ Lichaamsstand & bewegingsleer
Heupen licht open, gewicht op voorvoet, romp stabiel voor explosieve interceptie.
① Oefen de lage backhand-chiquita na een snelle bal van de tegenstander.
② Analyseer: houd je de bal laag genoeg zodat ze niet kunnen volleren?
③ Bestudeer de reactie van de tegenstander – stappen ze terug of drukken ze door?
④ Vragen: Hoe laag zit je? Raak je de bal vóór je lichaam?
⑤ Lage kniestand, racketblad licht dicht, kernspanning voor stabiliteit.
① Oefen een bandeja die net na de zijwand wordt geraakt.
② Analyse: raak je de bal te laat?
③ Bestudeer de balhoek vanaf de wand.
④ Stappen: anticiperen → positie openen → schouders draaien → slaan.
⑤ Open stand, groot raakvlak, gecontroleerde armzwaai.
① Oefen het versnellen van een volley wanneer je al in een overwinningspositie staat.
② Analyseer of je te veel risico neemt of balans verliest.
③ Bestudeer of tegenstanders vooraf te lezen zijn aan hun defensieve houding.
④ Vragen: Kan ik dieper spelen? Kan ik naar de voeten spelen?
⑤ Lage stand, racket voorwaarts, compacte techniek.
① Oefen een top-spin smash die wegdraait naar buiten.
② Analyse: genereer je genoeg rotatie?
③ Bestudeer hoe snel tegenstanders moeten lopen om hem terug te brengen.
④ Stappen: aanlopen → onder de bal → polsrotatie → doorzwaai.
⑤ Neutrale romp → heupen openen → explosieve keten van voet-heup-schouder-arm.
① Loop in een halve cirkel onder een hoge bal om het ideale raakpunt te vinden.
② Analyse: hoe vaak ben je te vroeg of te laat?
③ Bestudeer: verandert de balbaan als je anders rond beweegt?
④ Stappen: beoordelen → cirkelen → stabiliseren → slaan.
⑤ Gewicht op voorvoet, heupen volgen de cirkel, romp recht voor balans.
① Oefen het terugspelen van een bal zonder kracht, puur op touch.
② Analyse: houd je je pols ontspannen?
③ Bestudeer de mate waarin de tegenstander moet inlopen → chaos creëren.
④ Vragen: “Hoeveel energie geef ik mee?” “Waar wil ik de bal laten landen?”
⑤ Losse pols, neutrale stand, zachte flex in knie en enkel.
① Train hoe je herstelt na een te korte bandeja.
② Analyse: herken je direct het gevaar?
③ Bestudeer patronen: komt er meestal een snelle volley of een dropshot?
④ Stappen: terugvallen → lage stand → anticiperen → resetbal.
⑤ Brede basis, heupen laag, compacte swings voor controle.
① Speel met je partner twee snelle volleys achter elkaar om druk op te bouwen.
② Analyse: bewegen jullie synchroon?
③ Bestudeer: wanneer breekt de verdediging van de tegenstander?
④ Vragen: “Hebben we een vaste zone?” “Wie pakt wat?”
⑤ Korte voetenwerkstappen, open schouderpositie, racket altijd vóór het lichaam.
① Oefen een slice nadat de bal laag uit de achterwand komt.
② Analyse: blijft jouw slice laag en diep?
③ Bestudeer patronen van de stuit – hoog, laag, snel, traag.
④ Stappen: inschatten → zakken → racketblad openen → snijden.
⑤ Diepe kniestand, romp vooroverkanteling, stabiel bovenlichaam voor precisie.
① Gerichte oefening
Speel forehand drives van midden naar de buitenlijn met inside-out rotatie.
② Spel-analyse-tips
Let op wanneer tegenstanders te ver naar binnen stappen — dat is jouw cue.
③ Spelverloop bestuderen
Observeer hoe het spel verandert als je de buitenlijn meer benut.
④ Stappenplan / vragen
Open draaien
Ruimte maken
Raakpunt vóór heup
Breng de bal naast de tegenstander
⑤ Lichaamsstand & bewegingsleer
Open heuprotatie, stevige voorvoetdruk, ontspannen schouder voor vloeiende rotatie.
① Train een gecontroleerde forehand half-volley net na de stuit.
② Analyse: raak je de bal stabiel, niet te hard?
③ Bestudeer of de bal vaker diep of kort terugkomt.
④ Vragen: “Wacht ik lang genoeg?” “Hoe laag zit ik?”
⑤ Lage kniestand, racket dichtbij de grond, compact beweegpatroon.
① Oefen terugvallen na een diepe volley richting baseline.
② Analyse: verlies je balans bij het terugzetten?
③ Bestudeer of je partner jouw terugval goed leest.
④ Stappenplan: splitstep → zijwaarts terug → stabiliseren → reset.
⑤ Brede basis, gecontroleerde heuprotatie, lage romp.
① Oefen een zachte backhand liftbal om het ritme te breken.
② Analyse: kun je de bal hoog maar traag genoeg spelen?
③ Bestudeer de reactie: dwing je de tegenstander naar voren?
④ Vragen: “Waar wil ik de bal laten landen?”
⑤ Relaxte pols, lichte voorwaartse lift, rechte romp.
① Train het bewust vertragen van de volley om tijd te winnen.
② Analyse: hoe beïnvloedt dit de positionering van de tegenstander?
③ Bestudeer of ze blijven staan of te vroeg instappen.
④ Stappen: wachten → contactpunt → zachte demping.
⑤ Stabiele kern, korte armactie, lage elleboogstand.
① Oefen volleys die terugkaatsen van de zijwand of achterwand.
② Analyseer of je te dicht op de wand staat.
③ Bestudeer hoe de hoek van de wand de bal beïnvloedt.
④ Vragen: “Hoeveel ruimte heb ik nodig?”
⑤ Halfope stand, lichte rompvoorwaarts, arm gestrekt voor controle.
① Oefen een gecontroleerde diepe lob als reset vanuit een lastige positie.
② Analyse: krijg je voldoende hoogte en diepte?
③ Bestudeer hoe het ritme verandert zodra jij reset.
④ Stappen: laag zakken → racketblad openen → rustig doorslaan.
⑤ Elleboog laag, heupen licht achterover, gecontroleerde follow-through.
① Speel in een smalle corridor van 1 meter breed om precisie te trainen.
② Analyse: hoeveel fouten maak je in timing vs richting?
③ Bestudeer welke slagen je moeilijk vindt in nauwe ruimtes.
④ Vragen: “Hoeveel marge heb ik?”
⑤ Racket dicht bij het lichaam, kleine passen, lage balansstand.
① Train hoe je een snelle lage bal toch agressief kunt drijven.
② Analyse: raak je de bal niet te laat?
③ Bestudeer de bounce — valt hij diep of komt hij op?
④ Stappenplan: splitstep → zakken → drive kort → follow-through.
⑤ Knieën diep, heupen laag, racketblad bijna horizontaal.
① Oefen snelle shuffle-passen voorafgaand aan je aanval naar het net.
② Analyse: is je eerste stap explosief genoeg?
③ Bestudeer hoe snel je na de aanval klaarstaat voor een volley.
④ Vragen: “Waar is mijn raakpunt?” “Wanneer splitstep ik?”
⑤ Voorvoetactivatie, ritmische heupbeweging, romp stabiel en licht voorover.
① Gerichte oefening
Train een bandeja terwijl je achteruit beweegt na een diepe lob, met focus op balans.
② Spel-analyse-tips
Kijk of je te ver onder de bal komt — dit kost explosiviteit én controle.
③ Spelverloop bestuderen
Observeer hoe tegenstanders reageren op een defensieve vs. agressieve bandeja.
④ Stappenplan / vragen
Backpedal → stabiliseren
Schouders sluiten
Raakpunt iets voor de borst
“Kan ik hem nog naar de hoek spelen?”
⑤ Lichaamsstand & bewegingsleer
Brede pas, romp iets achterover, gewicht van hiel naar voorvoet verplaatsen bij het contact.
① Oefen een hoge backhand lob vanuit een lage en lastige verdedigingspositie.
② Analyse: raakt je racketblad te vroeg open?
③ Bestudeer of de lob dieper wordt naarmate je langer wacht met slaan.
④ Vragen: “Kan ik neutraliseren?” “Waar landt de bal het liefst?”
⑤ Lage kniestand, compacte backswing, gecontroleerde polsrotatie.
① Train het meteen herkennen van muurhoeken door 30 willekeurige rebounds te spelen.
② Analyse: kun je de bal na 1 stuit accuraat inschatten?
③ Bestudeer patronen in snelheid en hoek van de tegenstander.
④ Stappen: scannen → anticiperen → verplaatsen → contact.
⑤ Racket vóór het lichaam, open heuppositie, korte pasfrequentie.
① Oefen een korte, lage countervolleyslag wanneer de tegenstander agressief dicht bij het net komt.
② Analyse: houd je het racket voldoende vóór je?
③ Bestudeer: blokkeer je of sla je te veel door?
④ Vragen: “Hoeveel ruimte heb ik?”
⑤ Racketblad stevig, neutrale rompstand, minimale backswing.
① Train een 180° inside turn vóór een overhead, zodat je onder de bal komt zonder tijdverlies.
② Analyse: draai je te wijd of te krap?
③ Bestudeer hoe dit je timing op lobs verbetert.
④ Stappen: splitstep → inside turn → onder de bal → explosie.
⑤ Heuprotatie inzetten vanuit de voetketen, stabiele romp tijdens de draai.
① Oefen een zachte volley die de rally reset wanneer je onder druk staat aan het net.
② Analyse: vang je de bal vóór je lichaam op?
③ Bestudeer de tegenstander—gaan ze naar voren of blijven ze hangen?
④ Vragen: “Hoeveel snelheid moet ik eruit halen?”
⑤ Lage elleboog, kleine schokdemping in pols en schouder.
① Train de forehand drive met lichte topspin na een stuit uit de zijwand.
② Analyse: raakpunt te ver achter je?
③ Bestudeer hoe de stuit verschilt per snelheid van de tegenstander.
④ Stappen: zakken → schouders openen → lift uit de benen.
⑤ Kniebuiging diep, romp recht, arm in vloeiende boog.
① Oefen een V-beweging (achter–zij–voor) om positie te vinden bij wisselende lobs.
② Analyse: ben je te rechtlijnig in je bewegingen?
③ Bestudeer of je meer controle hebt over overheads.
④ Stappen: terug → zijwaarts → onder de bal → stabiliseren.
⑤ Flexibele heuprotatie, veerkrachtige enkels, steady core.
① Oefen een korte en krachtige punch-volley vanuit backhandpositie zonder doorslaan.
② Analyse: houd je het racketcompact genoeg?
③ Bestudeer: forceer je een fout bij de tegenstander?
④ Vragen: “Is mijn impactpunt vóór mijn heup?”
⑤ Neutrale heupstand, kleine armactie vanuit onderarm en schouder.
① Speel 5 minuten rally’s waarbij de trainer willekeurig lobs, drives en volleys afwisselt.
② Analyse: hoe snel herken je de balcategorie?
③ Bestudeer hoe jouw eerste stap de rest van de rally bepaalt.
④ Stappen: lezen → splitstep → kiezen → uitvoeren → herstellen.
⑤ Atletische houding: lage heupen, open borst, racket voor je, reactieketen actief.