Francis Bacon was een bekende schilder met een controversiële reputatie. Dit onderzoek heeft zich gericht op de beeldvorming van Francis Bacon en hoe kunstcritici hem hebben gereconstrueerd als een creatieve 'kunstenaar' of als een 'gek'. Literatuuronderzoek was de basis voor deze studie, die probeerde om de analyse en beschrijving van Bacon’s werk te benaderen vanuit het standpunt dat kunstcritici de psychologie van de kunstenaar meenemen in de beoordeling van zijn werk, wat de ervaring van de toeschouwer beïnvloedt.
Dit onderzoek richtte zich op de beeldvorming van de schilder Francis Bacon en de ideologische implicaties van de reconstructie van zijn schilderijen door kunstcritici als creatieve kunstenaar of als gek. De titel verwijst naar de twee figuren: Francis Bacon en de figuren in zijn schilderijen. Het onderzoek gebruikte literatuurstudies als rode draad en stelde dat kunstcritici de psychologie van de kunstenaar meenemen in de beoordeling van zijn werk, waardoor de toeschouwer een bepaald script krijgt opgelegd dat bepaalt hoe zijn ervaring gestuurd wordt. Hierdoor worden de kunstwerken van Bacon vaak beschouwd als product van een 'gekke' schepper. Dit onderzoek ging op zoek naar hoe Bacon als tragische kunstenaar, via zijn vlezige figuren, de figuratieve traditie in de Westerse kunst uitdaagt, zonder te vervallen in bestaande schildertechnieken. Het onderzoek onderzocht ook de mate waarin Bacon zelf zijn publieke imago cultiveerde met behulp van tekstuele en visuele middelen om een band tussen zijn leven en werk zichtbaar te maken. Hij ontwikkelde een bewuste strategie om de interpretatie van zijn werk te beïnvloeden, waarbij zijn extravagante persoonlijkheid, chaotische studio en levensstijl als sleutelelementen fungeerden. Zijn atelier kreeg een mythische status en hij werd steeds meer bewust van het belang van zijn publieke imago voor zijn schilderscarrière. Veel geschreven materiaal over Bacon werkt eerder een soort mythevorming in de plaats van een onthulling van zijn 'werkelijke' persoon. Bacon ondermijnt in zijn werk de figuratieve traditie in de westerse kunst en stelt de grenzen tussen het lichaam en de buitenwereld in vraag. Zijn representatie van het lichaam is niet zonder problemen en is altijd al een complexe kwestie geweest. Bacon integreert de figuratie met vervormingen van de ideale figuur, wat leidt tot nieuwe inzichten over hoe het lichaam gerepresenteerd kan worden. Hij ondermijnt de tegenstellingen in de figuratieve schilderkunst, zoals lichaam/geest, binnen/buiten, onderwerp/object, vorm/materie en mannelijk/vrouwelijk. Bacon's lichaamsbeelden verstoren de bestaande structuur van representatie, wat leidt tot een verschuiving van de conventionele figuratie naar een 'figuraliteit' volgens Lyotard. Deleuze beschouwt de hysterie van Bacon's schilderijen als een breuk in de conventionele toereikendheid van representatieve normen. Veel feministische schrijvers beschouwen Bacon's vrouwelijke lichamen als een uitdaging aan de klassieke notie van schoonheid en de patriarchale veronderstellingen over het vrouwelijk verlangen. Het gehysteriseerde lichaam in Bacon's schilderijen is ontdaan van alle representatieve functies en leidt tot een niet-representatieve pure aanwezigheid. Francis Bacon wordt vaak beschouwd als een revolutionair kunstenaar die de traditionele figuratieve traditie in de westerse kunst uitdaagt. Zijn werk richt zich op de complexe en problematische representatie van het lichaam, die betrekking heeft op de subjectiviteit en de definitie van de ruimtes van het zelf en andere. Bacon's schilderijen ondermijnen de traditionele dualistische logica door het samenvoegen van de lichaamsfiguur en de vervorming ervan op hetzelfde doek. Hierdoor maakt hij de fundamentele hysterie van de schilderkunst zichtbaar en daagt hij de grenzen van de conventionele representatie uit. Zijn vrouwelijke lichamen worden door feministische schrijvers gezien als een verzet tegen de culturele orde en de patriarchale veronderstellingen over vrouwelijk verlangen. Deleuze beschouwt Bacon's lichamen als een vorm van hysterie die hen naar een niet-representatieve pure aanwezigheid leidt, en een breuk in de conventionele representatieve normen aangeeft. In dat opzicht vindt Bacon geen nieuwe wijze van representatie, maar richt hij zich op de uitdaging en vervorming van bestaande normen.
Conclusie van mijn onderzoek! Dit onderzoek vertrok vanuit de beeldvorming van de schilder Francis Bacon en de ideologische implicaties verbonden aan de reconstructie van de schilder, door de kunstcriticus, als creatief ‘kunstenaar’ of als ‘gek’. De II Figuren die we bij wijze van eyecatcher in de titel hebben gesmokkeld zijn enerzijds de figuur Francis Bacon, zijn imago en zijn visie op kunst en anderzijds de Figuur binnen zijn schilderijen en de betekenis van deze figuur binnen de Westerse schilderkunst.
Literatuurstudie was de rode draad bij dit onderzoek. Er werd gepoogd om analyse en beschrijving van zijn werk te benaderen vanuit het standpunt dat kunstcritici de psychologie van de kunstenaar meenemen in de beoordeling van zijn werk, zodat een ‘script’ aan de toeschouwer wordt opgelegd wat bepaalt hoe zijn ervaring wordt gestuurd. Zijn kunstwerken worden o.i. op deze wijze onbruikbare voorwerpen doordat ze gereduceerd worden als product van een ‘gekke’ schepper. Dit geeft de kunstenaar een valse en, al heeft Bacon hiertoe zelf bijgedragen, ongewenste status. Omdat dit modernistisch, romantisch discours van psychologisch gekleurd kunstenaarsconcept van Bacon ons niet genegen is hebben we door middel van een eigen onderzoek, in functie van deze verhandeling achterhaald hoe Francis Bacon er als tragisch kunstenaar, via zijn vlezige Figuren in slaagt de figuratieve traditie in de Westerse kunst uit te dagen, zonder terug te plooien op een bestaande wijze van schilderen van gecodeerde, vooraf esthetisch geprogrammeerde lichamen.
We vertrokken ook vanuit de vraag in welke mate de kunstenaar, Francis Bacon, zelf zijn publieke imago cultiveerde met behulp van tekstuele en visuele middelen zodat een band tussen zijn leven en werk zichtbaar werd gemaakt. We kunnen stellen dat Francis Bacon gedurende zijn schilderscarrière een weloverwogen strategie ontwikkelde om de interpretatie van zijn werk te beïnvloeden. De extravagante persoonlijkheid en de chaotische studio van de kunstenaar gedomineerd door toeval worden ingeschakeld als sleutelelementen voor de vorming van het publieke imago van de bohemien-kunstenaar. Zijn atelier wordt de uiterlijke betekenaar van het existentiële verlangen van de kunstenaar om geniale kunstwerken te scheppen voortkomend uit de persoonlijke en de materiële chaos. Zijn levensstijl, zijn eigen verhalen en interviews zijn een georkestreerd visueel bewijs voor het brede publiek van het authentieke kunstenaarschap van Francis Bacon als bohemien-kunstenaar. Werkplaats en levensstijl worden een belangrijk manipulatief middel om tekst en beeld van derden te beïnvloeden en worden door kunstcritici aangewend als verklaring voor zijn werk. Zijn werkplaats krijgt een mythische status door de geëtaleerde exclusiviteit van de chaotische werkomgeving. Francis Bacon zal zich steeds meer bewust worden van het belang van zijn publieke imago en de biografische interpretatie van zijn kunst voor zijn schildersscarrière. Hierin zijn werkplaats en een zorgvuldig gemodelleerd imago de belangrijkste sturende instrumenten. Veel geschreven materiaal levert niet echt een onthulling over de ‘werkelijke’ persoon Francis Bacon maar werkt eerder een soort mythevorming in de hand. In het tweede hoofdstuk hebben we een praktijk van enkele kunstcritica blootgelegd, die via psychologisch geïnspireerde ‘bevindingen’, uitspraken deden over kunstwerken van Francis Bacon. Een viertal werken van Francis Bacon werden aan de hand van bronnenmateriaal besproken, telkens vergezeld van eigen bedenkingen. We gaven een verklaring hoe deze uitspraken tot stand kwamen, namelijk via het stellen van nepdiagnoses of door het geven van omschrijvingen die via een aantal ‘kenmerken’ herleid kunnen worden tot diagnoses. Aan de hand van psychoanalytische inzichten hebben we in hoofdstuk 3 aangetoond hoe en waarom deze betrokken auteurs tot hun visie kwamen. We probeerden op zoek te gaan naar meer algemene criteria, eerder dan bij elke auteur te gaan delven in eigen beweegredenen. We lieten zien hoe de theorie van Freud het hen heeft mogelijk gemaakt hun visie te construeren. We gingen ook de betekenis en het gevaar na van hun visie door te onderzoeken wat zulke ‘diagnostische kunstkritieken’ als gevolg kunnen hebben voor degene waarnaar ze gericht zijn. We kwamen tot de conclusie dat in het geval van deze auteurs geen verband kan gevonden worden tussen psychoanalyse en kunstkritiek zodat hun uitspraken geen feitelijke waarde hebben, tenzij als uitgangspunt voor discussie en dialoog. Het gaat dus niet op om aan de hand van kunstkritiek uitspraken te doen over het innerlijke van een individu en door dit hoofdzakelijk te doen door enkel schilderwerken te interpreteren! Door deze conclusie, en de stelling dat dit soort kunstkritiek te verwerpen is, zochten we naar een niet-diagnosticerende manier om kunstwerken van Francis Bacon te interpreteren zonder uitspraken te doen over zijn individu en ons te bedienen van een medisch model. Het esthetische gedachtengoed van Nietzsche over de dualiteit tussen het apollinische en het dionysische gaf ons een beter model om aan de hand van deze esthetische theorie het concept van ‘tragische kunstenaar’ toe te passen op het werk van bacon. Zijn creatief proces is o.i. een tragiek, een strijd tussen abstractie en figuratie. De uiteenzetting over het tragische, als ontologische categorie, weerspiegelt, zoals ik aangetoond heb, een staat van verscheurdheid die inherent in het bestaan is verweven. Vanuit dit absolute principe doet het tragische zich voor als artistiek principe van het Dionysische. In zijn Dionysische gedaante brengt het tragische de tragedie tot ontwikkeling. Via de roes komt de mens in contact met het oer-ene dat zich in de muziek van het koor aan de mens bekend maakt. In de tragedie verzoent het Dionysische zich met het Apollinische, dat als objectivering van het oer-ene, in de dialoog, vorm wordt gegeven. Deze schijnwereld van het koor is nodig om zich af te schermen van de huiveringwekkende natuur van het bestaan waarmee het Dionysische ons in contact brengt.
Anders gezegd, door terug te grijpen naar het tragische kon Bacon een belangrijke keuze maken omdat hij de toeschouwer aanspoort om actief met kunst om te gaan en na te denken waarover het mogelijk kan gaan. Aangezien kunst een spiegel is van de maatschappij, biedt de tragische kunst ons de mogelijkheid om de confrontatie aan te gaan met de innerlijke verscheurdheid die ons heeft geïsoleerd, van onszelf, van de andere en van de wereld. Het is deze unieke kwaliteit die het tragische, in confrontatie met de kunst, meer dan ooit relevant maakt binnen de maatschappelijke context waarin we leven.
We herkenden uiteindelijk Francis Bacon als een levensbeamer die de last van het leven op zijn schouders draagt en een constante strijd levert tegen normen en vaststaande waarden.
Francis Bacon wordt door ons niet ziek gemaakt maar ten tonele gevoerd als iemand die door het schilderen, zijn leven tracht zin te geven. Bacon laat zich domineren door het leven! Zijn schilderijen zijn technische problemen maar ook exponenten van het innerlijke zoeken. Francis Bacon neemt een duidelijk standpunt in en laat dit ook doorwerken in zijn doeken. Zodoende krijgt deze schilder een specifieke waarde en betekenis die geen afbreuk doet aan zijn eigen persoon, noch aan zijn kunsthistorische waarde. Na het schrijven van hoofdstuk 5 kunnen we stellen dat Bacon terdege de figuratieve traditie in de westerse kunst in vraag stelt als een poging om de angst over de grenzen van het lichaam, die de grens zouden moeten vormen tussen de binnen- en buitenwereld, te overwinnen. In tegenstelling tot de gangbare opvattingen over figuratie als een onproblematische esthetische categorie, werd betoogd dat de representatie van het lichaam altijd al een complexe en problematische kwestie is geweest die betrekking heeft op de bouw van subjectiviteit en de definitie van de ruimtes van het zelf en andere.
Het belang van Francis Bacon's werk voor het onderzoek van deze studie was dat zijn integratie van de figuratie met vervormingen van de ideale figuur hebben gezorgd voor krachtige inzichten om de representaties van het lichaam te heroverwegen buiten de dualistische logica. In de figuratieve schilderkunst wordt het lichaam gerepresenteerd volgens de basale tegenstellingen van de dualistische logica zoals lichaam/geest, binnen/buiten, onderwerp/object, vorm/materie, mannelijk/vrouwelijk. Bacon's lichaamsbeelden ondermijnen al deze tegenstellingen door het naast elkaar bestaan van de lichaamsfiguur en de vervorming ervan op hetzelfde doek.
Hij daagt in een zekere tragiek, de grenzen uit die het lichaam in de voorstelling vormgeven en maakt de fundamentele hysterie van de schilderkunst los. Het Baconiaanse lichaam is wat het cliché verstoort. Bacon slaagt erin de vooraf gegeven, vooronderstelde vormen (clichés) te vervormen. Met andere woorden, in zijn schilderijen verstoort het lichaam als Lyotardiaanse figuur elke bestaande structuur, waarbinnen het kan zijn weergegeven en zodoende kan evolueren op een scheppende en baanbrekende wijze van cliché naar het figurale. Het is een verschuiving van de conventionele figuratie naar ‘figuraliteit’ in Lyotardische zin: hysterische verstoring van het veld van de representatie. Terwijl Deleuze de hysterie van Bacon's schilderijen aan de orde stelt, houdt hij zich niet bezig met vragen over geslacht, hysterie wordt meestal geassocieerd met het vrouwelijke. Tal van feministische schrijvers lezen het als het verzet van het vrouwelijk lichaam tegen de eisen van de culturele orde. In het vierde hoofdstuk wordt Deleuzes argumentatie over de hysterie van de schilderkunst uitgebreid met een discussie over de relatie tussen geslacht, belichaming en schilderkunst. De vrouwelijke lichamen in Bacon's schilderijen kondigen een radicale uitdaging aan de klassieke notie van schoonheid en de patriarchale veronderstellingen over het vrouwelijk verlangen, dat nog steeds culturele autoriteit draagt. Het plaatsen van de menselijke lichamen in de plaats van het onleesbare (de plaats van het figurale volgens Lyotard), wijst hen een grensoverschrijdend karakter toe. Bacon daagt de reeks grenzen uit die bij het representeren vormgeven aan het lichaam en zodoende laat hij daarbij de fundamentele hysterie van het schilderen zien of laat hij ze juist los. Deleuze vat de lichamen van Bacon op als een vorm van hysterie die leidt hen naar een niet-representatieve pure aanwezigheid. De hysterie van Bacon's schilderijen duidt op een breuk in de conventionele toereikendheid van representatieve normen. Het gehysteriseerde lichaam in Bacon's schilderijen is ontdaan van alle representatieve functies die door de culturele orde zijn toegekend. In dat opzicht vindt Bacon geen nieuwe wijze van representatie uit, maar een strategie voor de deconstructie van representatie. Met andere woorden: hij volgt de klassieke figuratie in de richting van het Lyotardiaanse figurale. Een laatste hoofdstuk werd opgevat als zoektocht om zelf, aan de hand van de kennis verworven tijdens onze opleiding aan het Kunsthistorisch Instituut, zin te geven aan het kijken en denken over kunst. We hebben ons gericht op één aspect binnen Bacon’s oeuvre en dit onderzoek heeft aangetoond dat Bacon's pauselijke variaties een voorbeeld zijn van de toe-eigening van gefragmenteerd fotomateriaal, binnen zijn eigenzinnige artistieke proces van schilderen. Dit werkproces berustte op herhaling en fragmentering van beelden binnen zijn verzameling van foto’s. Zo pakt hij de kwesties van originaliteit en identiteit aan. We hopen vurig dat de aandacht van onderzoekers meer en meer verschuift van zijn biografie en psychologisering van zijn persoon, naar zijn artistieke kwaliteiten, zijn techniek en eigenzinnige filosofische kijk op het leven. Het werk van Bacon werd besproken i.v.m. zijn herhaling van thema's, iconografische markeringen en betrokkenheid bij de figuratieve schilderkunst. Deze thema’s moeten echter op zichzelf worden bekeken. Het leren begrijpen van Bacon’s pauselijke variaties als een verenigde reeks en het schetsen van hun iconografische en stilistische overeenkomsten en verschillen, wijst op de esthetische vernieuwingen van de kunstenaar, naast zijn vasthouden aan conventies van het traditionele zittend pauselijk portret. Interessant is dat, ondanks zijn sterke geloof in atheïsme en het ontbreken van een formele opdracht van het pausdom voor zijn serie, één van de pauselijke variaties van de kunstenaar, Study for a Portrait III (1961), in het Vaticaan hangt!
De plaatsing ervan in een site die het artistieke en spirituele hoogtepunt van het katholicisme is, getuigt van de plaats van Bacon’s serie in de kunsthistorische canon rond het thema van ‘officieel’ zittende pauselijke portretten en van de aanvaarding door de kerk van ‘het afwijkende’ in het werk van de kunstenaar. Door deze serie van werken te kiezen maakten we ook een keuze om andere elementen niet te bespreken maar we kunnen besluiten dat deze werken exemplarisch zijn, groots en baanbrekend. Niettegenstaande deze bevindingen verklaarde Bacon, op het einde van zijn loopbaan, over zijn pauselijke reeks: “I really consider it a mistake to have done those paintings. I was haunted by that work, by the reproductions I saw of it. It's such an extraordinary portrait that I wanted to do something based on it. I felt overwhelmed by that image. Unfortunately, the result was far from satisfactory."
Mislukking of niet, Bacon's serie creëert een dialoog met de traditie van de pauselijke portretten door de manier waarop hij zich met het onderwerp bezighoudt. Kunstenaars tot vandaag worden hierdoor beïnvloed en zetten zo de historische dialoog tussen kunstenaar en traditie verder.
Tot slot kunnen we na ons onderzoek stellen dat Francis Bacon, los van zijn, met zekerheid zelfgeschapen, imago kan bestempeld worden als tragisch kunstenaar. Door het uitdagen van de Westerse schilderkunst via zijn ‘Figuur’ schept hij, als dionysisch kunstenaar een antwoord op de gevestigde apollinische schoonheidsidealen, niet als getourmenteerd gek met een psychisch probleem of stoornis maar als vrij en creatief schilder!