Hier neem ik mijn lezer mee in wat mij altijd heeft geboeid. Hoe kwamen ze erbij! Het is een recent verhaal want fotografie is rond 1820 ontstaan door de “camera obscura” van een lichtgevoelige achterwand te voorzien. In 1981 komen de eerste digitale fotocamera's. In 1990 kwam Adobe Photoshop op de markt, de standaard voor digitale fotobewerking en de vervanging van de donkere kamer. Fotografie is de feitelijke opvolger van de schilderkunst en de voorloper van de film.
In 1816 maakte Joseph N. Niépce de eerste foto. Hij deed dit door een doos te maken met een heel klein gaatje erin. Binnen de doos maakte hij een achterwand met een lichtgevoelige plaat. Door een aantal uur het gaatje in de doos open te houden, ontstond er op de achterwand een afbeelding. Dit principe van fotograferen is in de loop der jaren nooit veranderd. Het gaatje van de doos heet nu een lens en de lichtgevoelige achterwand is tegenwoordig een lichtgevoelige elektronische sensorchip.
Toch is er sinds de eerste foto heel veel veranderd op het gebied van de fotografie. De eerste ontwikkeling betrof de lichtgevoelig achterwand. Doordat dit materiaal in het begin weinig lichtgevoelig was had men een sluitertijd van soms wel acht uur nodig. Na experimenten met zilverjodide en zilvernitraat, lukte het om een papier te ontwikkelen dat middels zilvernitraat en zoutoplossingen een gefixeerde foto kon produceren. Het fixeren van de foto was belangrijk omdat lichtgevoelig materiaal lichtgevoelig blijft en na verloop van tijd altijd een zwarte foto oplevert. De foto moet daarom gefixeerd worden zodat het lichtgevoelige proces stopgezet wordt en de foto blijft zoals hij op dat moment is. Het lichtgevoelig materiaal op basis van zilvernitraat was veel gevoeliger voor licht zodat de sluitertijden verkort werden tot enkele minuten. De introductie van lenzen verkleinde de sluitertijd ook omdat het licht nu gebundeld werd en dus krachtiger was. Met name de Hongaarse Petzval lens (1840), met een F-waarde van 3.5, verkortte de sluitertijd aanzienlijk. Met een flits van magnesium poeder die werd aangestoken door de fotograaf kon de sluitertijd beperkt worden tot een fractie van een seconde.
Een overzicht
Vanwaar komt de naam? De naam fotografie hebben we te danken aan Sir John Herschel, die de term voor het eerst gebruikt heeft 1839, het jaar waarin het fotografisch procédé publiek werd. Het woord is afgeleid uit de Griekse woorden licht en schrijven. Nog voor dat fotografie bestond was er al een man “de la Roche” (1729-1774) die het procédé beschreef in een sprookje. Hierin beschrijft hij hoe het mogelijk was een beeld van de natuur te vangen op canvas dat behandeld was met een kleverige laag. Hij beschrijft ook dat dit beeld niet alleen een spiegelbeeld zou zijn, maar dat het ook te bewaren was. Het fotografisch procédé is ontstaan rond 1830, hetgeen vrij laat is. Fotografie bestaat namelijk uit twee procédés die al langer bestonden. Het eerste procédé was optisch. De ‘camera obscura’ (of donker kamer) bestond al zeker 400 jaar. Leonardo da Vinci maakte een tekening van een camera obscura in 1519. Toen was het een courant hulpmiddel om te tekenen. Het tweede procédé was chemisch. Vele honderden jaren wist men dat sommige producten reageerden in de zon, bv. kleuren die verbleken. Maar men maakte geen of weinig onderscheid tussen warmte, lucht en licht. (De Romeinen konden al beelden opvangen, maar nog niet bewaren.) Men spreekt pas van fotografie zoals wij ze vandaag bedoelen vanaf het moment dat men het fotochemisch tot stand gekomen beeld heeft kunnen fixeren, m.a.w. het beeld was bewaarbaar. De eerste permanente foto werd in Juni 1827 gemaakt door Niépce. Hij gebruikte hiervoor materialen die hard werden onder invloed van licht. De foto diende echter wel 8 uur belicht te worden. Op 4 januari 1829 besloot hij om samen te werken met Louis Daguerre. Vier jaar later stierf Niépce, maar Daguerre ging voort met de experimenten. Hij ontwikkelde fotografische platen die slechts een half uur dienden belicht te worden. Hij ontdekte ook dat men de foto’s permanent kon maken door ze in zout onder te dompelen. Dit procédé werd door Paul Delaroche verslagen, waarop de Franse regering besloot om de rechten hierop te kopen. Het procédé werd in detail publiek gemaakt 19 Augustus 1839 en heette daguerreotype. De tekst legde uit dat men “geen kennis van tekenen” nodig had en dat “eenieder even goede resultaten kan behalen als de uitvinder zelf” Het werd een enorm succes en men sprak zelfs van daguerreomania. Sommigen bleven echter zeer sceptisch en scandeerden dat het niet hoorde het beeld dat God gegeven had vast te leggen. Daguerreotypie was echter een dure affaire en elke foto was enkel eenmalig te maken en kon dus niet gereproduceerd worden. Dit probleem was er niet met calotypie (zoutdruknegatief) Dit procédé werd uitgevonden door William Henry Fox Talbot. Zijn procédé werd opgeschreven de 31 januari 1839, waarin hij het procédé beschrijft hoe een natuurlijk object zichzelf uitlijnt zonder hulp van de artiest. Calotypie maakte een negatief beeld op een vel behandeld papier. Dit papier werd dan transparant gemaakt om zodoende op een tweede vel papier te leggen en zo een positief te hebben. Het oudste negatief papier dat we kennen dateert van 1835 en toont het raam van zijn huis. Het was van zeer slechte kwaliteit, maar in 1840 had hij een enorme vooruitgang geboekt. Al was het beeld nog steeds minder kwalitatief als van een daguerreotype het gemak van oneindig veel positieve afdrukken te kunne maken was zijn succes. In 1840 begon de commerciële handel in fotografie. Het is echter pas na 1850 dat we kunnen spreken van een explosie. Ineens was iedereen geïnteresseerd in een foto. Het nadeel van calotypie is dat men de onzuiverheden van het papier in het negatief onvermijdelijk mee afgedrukt worden in het positief en dat men een lage resolutie heeft. Verschillende experimenteerden met glas als basis voor het negatief, maar stonden steeds voor hetzelfde probleem. Men kon de zilveroplossing niet tegen het gladde oppervlak van het glas kleven. Het is pas in 1848 dat een neef van Niépce, Abel Niépce de Saint-Victor een methode had ontwikkeld om dit mogelijk te maken. Hij ontwikkelde hiervoor een glascoating op basis van ei gevoelig gemaakt met potassium iodide en gewassen met een zure oplossing van zilvernitraten. Dit procédé, albumine of eiwit genaamd, gaf een veel hoger detail en een uitstekende kwaliteit. Het was echter een zeer traag procédé en was dus enkel voorbehouden voor architectuur en landschappen. In 1851 introduceerde Frederick Scott Archer het nat collodium procédé. Dit had het voordeel dat men slechts 2 à 3 seconden moest belichten. De kwaliteit was wel minder als deze van daguerreotypie. Het had ook nog het bijkomende nadeel dat het coaten, belichten en ontwikkelen van het negatief nat moesten gebeuren. Eens de plaat droog was, werd ze nutteloos. Een ander procédé ontwikkeld door Archer was Ambrotypie, hetgeen direct een positief gaf. De prijs voor een foto varieerde toen sterk. In Engeland kostte een daguerreotype ongeveer een guinea (1 euro) hetgeen overeenkwam met een weekloon van een arbeider. Een collodium print daarentegen kostte slechts één schilling. Collodium bracht met zich mee dat men veel materiaal ter plaatse nodig had omdat men heel procédé moest doen zolang de plaat nat bleef. Een droog procédé drong zich op. In 1871 ontdekte Dr. Richard Maddox het gebruik van Gelatine als basis, i.p.v. collodium, op glas. Dit leidde tot de ontwikkeling van de droge plaat. Deze droge plaat kon sneller ontwikkeld worden dan eender welke vorige techniek. Door verfijning van de technologie werden de droge platen even gevoelig en ging men zelfs over tot aanmaak in fabrieken. In 1860 vindt men celluloid uit. Dit kon gebruikt worden als drager voor fotogevoelige lagen. De eerste flexibele film ontstond in 1884. Vier jaar later introduceert Eastman de eerste box camera. Deze kocht men geladen met film en stuurde men dan volledig naar Kodak om ontwikkeld te worden, waarna men de camera herladen terugkreeg. Van nu af aan werd fotografie toegankelijk voor het brede publiek, het is te verstaan voor diegene die geld had. Maar ambacht was niet meer vereist. Men kon in de winkel het toestel en een negatief kopen. Als het negatief belicht was kon men deze terug brengen en werd er voor u een positief afgedrukt.
De camera obscura bestaat uit een donkere doos of kamer met een gat in één zijde. Als het gaatje klein genoeg is, wordt een omgekeerd beeld aan de overstaande zijde in de doos of kamer. Dit principe werd door Aristoteles (300 voor Christus) beschreven. Het is pas in 10e eeuw dat het gebruik ervan uitvoerig wordt beschreven. Het gebruik ging van het observeren van een zoneclips tot een hulp bij het tekenen en het waarnemen van perspectief. Leonardo da Vinci beschrijft het gebruik van een camera obscura bij het tekenen. “Sluit alle openingen en deuren zodat er geen licht meer binnenvalt in de camera behalve doorheen de lens. Houdt tegenover de lens een vel papier, die men naar voor of achteren beweegt totdat het beeld verschijnt met het hoogste detail. Daar zal men op het papier het volledige beeld zien zoals ze in werkelijkheid is, met zijn afstanden, kleuren, schaduwen en bewegingen. Door het papier stil te houden kan men nu het beeld aflijnen, tinten en natuurgetrouwe kleuren geven.”
De lens werd rond 1500 in de camera obscura ingebouwd. De eerste van deze camera’s waren enorm. Anastasius Kircher (1601 – 1680) beschrijft zo een camera. De camera heeft in lens aan elke van de vier zijden, telkens in het midden geplaatst. Binnenin is er een tweede vierkante kamer maar nu bestaande uit transparant, zodat de artiest in de camera kon plaats nemen om zo het beeld te kunnen aftekenen. Later ontstond een variant, de camera lucida.
Ontworpen door Dr. William Wollatson in 1807, de camera obscura was een hulp bij het tekenen. Het bestond uit een reflecterend prisma die de artiest toeliet de contouren te tekenen de het juiste perspectieven. Hierbij was geen donkere ruimte vereist. Het blad werd vlak gelegd. Terwijl de artiest door de lens keek, hetgeen het prisma bevat, zag hij zowel het blad als een vaag beeld van hetgeen hij moest tekenen. Hij kon dan het beeld overtekenen. Hoewel het een hulp was, diende de artiest nog steeds over vakkennis te beschikken.
Dit was het eerste fotografisch procédé. Het werd ontwikkeld in 1827 door Nicephore Niépce. Om een foto te maken gebruikte hij betumen van Judea, een variatie op asfalt, dat hij vond in Syrië. Het was een vernis dat, wanneer gecoat en gedroogd, verhardde bij belichting. De delen die niet of minder belicht waren werden dan geheel of gedeeltelijk opgelost door middel van lavendelolie en witte petroleum. De lichte delen werden dan getoond door de betumen en de donkere delen door het blote metaal. In feite trekt dit meer op lithografie dan op fotografie, maar wordt toch beschouwd als het fotografisch procédé.
Daguerreotypie was een van de eerste succesvolle fotografische procédés, dat in 1839 publiekelijk werd bekendgemaakt. Het procédé omvatte verschillende stappen. Eerst werd een koperplaat blootgesteld aan iodine, wat lichtgevoelige zilveriodiden vormde. Vervolgens werd de plaat gedurende 10 tot 20 minuten aan licht blootgesteld. Daarna werd de plaat ontwikkeld boven kwik dat verwarmd werd op 75°C, waardoor het zilver verbond met de kwikdampen. De plaat werd gefixeerd in een verwarmde oplossing van keukenzout en daarna gespoeld in warm gedestilleerd water. Dit proces gaf een positief beeld op een metalen drager zonder negatief. Er waren echter enkele nadelen aan de daguerreotypie. De foto's konden niet gemakkelijk gereproduceerd worden, waardoor ze uniek waren. Hoewel het mogelijk was om dit te doen door middel van etsen, was dit een moeilijke en tijdrovende bezigheid. Het oppervlak van de foto's was uiterst delicaat, daarom werden ze meestal achter glas bewaard. Bovendien was het beeld omgekeerd, alsof men in een spiegel keek. Sommige camera's hadden een ingebouwde spiegel die het beeld eerst omkeerde voordat het de gevoelige plaat bereikte. De chemische stoffen die gebruikt werden, zoals bromine, chlorine dampen en warm kwik, waren zeer giftig. Daarnaast waren de foto's moeilijk te bekijken vanuit bepaalde hoeken. Desondanks werd de daguerreotypie een enorm succes, niet alleen in Frankrijk en Europa, maar vooral ook in Amerika, vanwege de uitzonderlijke kwaliteit ervan. Het patent op daguerreotypie richtte zich voornamelijk op commerciële belangen, zoals de vervaardiging van camera's, terwijl het patent op calotypie veel breder was. Interessant genoeg had de uitvinder van de calotypie, Talbot, zelf een camera van Daguerre, waarbij hij het zegel aan de zijkant had verwijderd. Een ander belangrijk nadeel van de daguerreotypie was de lange belichtingstijd, vooral bij portretten (10 tot 15 minuten in vol zonlicht). Dit maakte het moeilijk om portretten te maken. Om dit probleem op te lossen, gebruikte men hoofdsteunen en zat men meestal stil, zodat er geen bewegingsonscherpte zou ontstaan. Bovendien moesten mensen vaak lange tijd in de felle zon zitten. Een ander kenmerk van daguerreotypieportretten is dat de ogen vaak minder scherp zijn dan de rest van het beeld, wat veroorzaakt werd door het knipperen. Om de belichtingstijd te verkorten, werden er zowel chemische als optische verbeteringen aangebracht. Verschillende experimenten met toevoegingen en andere producten werden uitgevoerd in de chemie. J.G. Goddart begon bromide en iodine te gebruiken om de platen gevoeliger te maken, terwijl Antoine Claudet experimenteerde met chlorine. Optisch gezien werden er ook vorderingen gemaakt. J.M. Petzval, een Oostenrijkse opticien, ontwikkelde in 1841 een portretlens met een grote opening van f3.7, terwijl f14 destijds gangbaar was. De Petzval-lens werd nog honderd jaar later veel gebruikt. Dankzij deze ontwikkelingen werden de belichtingstijden verkort tot 10 tot 30 seconden. Toen het patent van Daguerre in 1853 afliep, openden veel daguerreotypisten fotostudio's voor portretten. Aangezien kleurenfotografie op dat moment nog niet mogelijk was, werden sommige foto's met de hand ingekleurd. Een populaire set voor het inkleuren was de set van Newman, die 36 kleuren bevatte die met een fijn penseel moesten worden aangebracht. Dit was een delicate klus die veel vakmanschap vereiste. Hoewel de daguerreotypie buitengewone resultaten opleverde, bleef het een techniek die niet toegankelijk was voor de gewone man. Het was namelijk nog steeds te moeilijk, te duur en ongezond. Ondanks de beperkingen en nadelen van de daguerreotypie heeft deze vroege vorm van fotografie een blijvende impact gehad. Het legde de basis voor de verdere ontwikkeling van fotografische technieken en diende als inspiratie voor latere pioniers op het gebied van de fotografie. De daguerreotypie blijft een belangrijk stukje geschiedenis in de evolutie van de fotografie en heeft een onschatbare bijdrage geleverd aan de kunst van het vastleggen van beelden.
Calotypie
Calotypie is een fotografisch procédé dat werd ontwikkeld door Fox Talbot en voor het eerst werd voorgesteld in 1841. Het onderscheidde zich doordat het een negatief/positief procédé was, waarbij het negatief werd gemaakt met behulp van het collodium procédé en de print een afdruk was op een vel papier. Het calotypieprocédé bleef gedurende ongeveer 10 jaar succesvol. Bij calotypie werd een negatief gemaakt van een vel papier. Hiervoor werd eerst een zwakke zoutoplossing met een borstel op het papier aangebracht en gedroogd. Vervolgens werd een zwakke zilvernitraatoplossing aangebracht en opnieuw gedroogd, waardoor zilverchloride in het papier ontstond. Het papier was nu fotosensitief. Na een belichting van ongeveer 30 minuten ontstond er een negatief beeld. Dit beeld werd vervolgens gefixeerd in een zoutoplossing. Later werd het procédé verbeterd door de toevoeging van galzuur, waardoor het papier nog gevoeliger werd. Hierdoor was het mogelijk om met een kortere belichtingstijd (10 tot 30 seconden) en verdere ontwikkeling een beeld te vormen. Het beeld was tijdens de belichting niet zichtbaar en werd daarom een latent beeld genoemd. Talbot introduceerde destijds ook de term "calotypie" voor dit procédé. In 1844 opende Fox Talbot een fotostudio om massaproductie mogelijk te maken. Voor het maken van een fotoafdruk werd het negatief boven op een vel fotopapier gelegd en vervolgens onder een glazen plaat geplaatst (lichtbak) en blootgesteld aan zonlicht. In het begin werd gebruik gemaakt van gezouten fotopapier, dat behandeld was met een zoutoplossing en vervolgens fotosensitief werd gemaakt. Na verloop van tijd werden ook afdrukken gemaakt op andere soorten papier, afhankelijk van de evolutie van het procédé. Calotypie had echter ook enkele nadelen. Het patent op calotypie was dusdanig dat vrij gebruik van het procédé niet mogelijk was. De gebruikte grondstoffen waren minder gevoelig voor licht, waardoor langere belichtingstijden nodig waren. De kwaliteit van de calotypie was aanzienlijk minder dan die van de daguerreotypie. Dit kwam niet alleen door de chemie, maar ook doordat onzuiverheden van het papier onvermijdelijk werden afgedrukt in de foto. Het procédé was ook tijdrovend, omdat zowel het negatief als het positief moesten worden gemaakt. Bovendien hadden de afdrukken de neiging te vervagen. Desondanks bood calotypie ook enkele voordelen. Het maakte onbeperkte reproductie op een eenvoudige manier mogelijk. Bijwerkingen konden zowel op het negatief als op het positief worden uitgevoerd. Afdrukken op papier waren gemakkelijker te bekijken en veel minder delicaat dan de daguerreotypie. Calotypie had warmere tonen dan de daguerreotypie, waardoor het een ander esthetisch karakter had. Hoewel de calotypie enkele beperkingen had en niet kon wedijveren met de kwaliteit en de populariteit van de daguerreotypie, heeft het een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de fotografie. Het bracht het concept van het negatief-positief procédé, dat later verder zou evolueren en de basis zou vormen voor moderne fotografische technieken. Fox Talbot's calotypie legde de basis voor latere innovaties en opende de deur naar een breder scala aan mogelijkheden in de wereld van de fotografie. Het belangrijkste is dat zowel de daguerreotypie als de calotypie belangrijke mijlpalen waren in de geschiedenis van de fotografie. Ze vertegenwoordigen de vroege pioniersstappen die hebben geleid tot de ontwikkeling van de moderne fotografie zoals we die vandaag kennen. Deze technieken hebben de weg vrijgemaakt voor verdere innovaties en hebben een blijvende impact gehad op de kunst en het vakgebied van de fotografie.
Collodium procédé
Men stond voor een dilemma: kiezen tussen kwaliteit (daguerreotypie) of reproduceerbaarheid (calotypie) in de vroege dagen van de fotografie. Het ideale was een reproduceerbare foto met de kwaliteit en detail van een daguerreotypie. Dit leidde tot de ontwikkeling van collodiumfotografie, waarbij de fotosensibele chemie op glas kon worden gebonden. Collodium, uitgevonden in 1851 door Frederick Scott Archer, bood aanzienlijke voordelen. Het was zeer gevoelig, waardoor ongeposeerde foto's mogelijk waren met belichtingstijden van slechts enkele seconden. De prints op glas waren gedetailleerder dan calotypie, en de verspreiding van fotografie werd verder bevorderd omdat er geen patent op collodium werd genomen. Bovendien was de prijs van een afdruk op papier aanzienlijk lager dan die van een daguerreotypie. Het collodiumprocédé had echter ook uitdagingen, zoals het voorzichtig aanbrengen op glas en de noodzaak van een donkere kamer voor het belichten van nat collodium. Er waren geen vergroters beschikbaar, dus camera's moesten worden gebouwd op basis van de gewenste afdrukgrootte. De fotografen moesten vaak in de buurt van water worden gevonden vanwege de noodzaak van donkere kamers en daarom zijn veel collodiumprints van landschappen bij water genomen. Bovendien was collodium licht ontvlambaar, explosief en gevaarlijk in gebruik. Ondanks deze uitdagingen bleef calotypie bestaan vanwege de voordelen ervan, zoals het belichten van het negatief en later ontwikkelen.
Het oxymel procedé 1856
Was het eerste droge procédé afgeleid van collodium. In feite was het hetzelfde als collodium maar de glasplaten werden verder behandeld met oxymel een honig en azijn oplossing. Hierdoor werd de plaat minder gevoelig dan het collodium procédé, maar het had het voordeel dat men de platen droog kon gebruiken en dus op voorhand kon voorbereiden en achteraf fixeren. Het was niet meer nodig een heel labo mee te sleuren.
Ambrotypie, ook bekend als collodium positieven, maakt gebruik van een dun onderbelicht negatief dat tegen een zwarte achtergrond wordt gehouden. Het beeld verschijnt als een positief omdat het zilver licht reflecteert, terwijl delen zonder zilver er zwart uitzien. Een ambrotypie is eigenlijk een gebleekt collodium negatief dat is gefixeerd met een donkere achtergrond, meestal zwart vilt. Voordelen van ambrotypie zijn onder andere kortere belichtingstijden, lagere kosten en snelheid omdat er geen afdruk nodig is. Bovendien elimineert het plaatsen van de collodium zijde tegen het vilt reflecties van de achtergrond, in tegenstelling tot daguerreotypie.
Tintypie, ook bekend als ferrotypie, is een variant van Ambrotypie waarbij het beeld op een tinnen of blikken plaat wordt vastgelegd in plaats van op glas. De tinnen plaat wordt voorzien van een collodium laag en pas vlak voor de belichting fotosensibel gemaakt. Tintypie werd veel gebruikt in straatfotografie. Voordelen van tintypie zijn onder andere het eenvoudige proces dat met weinig kapitaal kon worden gestart, de snelle resultaten waarbij direct een positief beeld werd verkregen, de relatief lage kosten en de duurzaamheid van de tinnen plaat, waardoor deze gemakkelijk kon worden meegenomen, verzonden of in een album kon worden bewaard. Tintypies werden zelfs op postzegelformaat gemaakt, vaak met camera's die meerdere lenzen hadden. Ondanks de mindere kwaliteit waren ze erg populair omdat ze betaalbaarder waren voor de arbeidersklasse. Het maken van foto's was niet langer beperkt tot speciale gelegenheden. Het is ook vermeldenswaardig dat er veel tintypies zijn van overleden kinderen. Het was destijds gebruikelijk om een foto te laten maken van een overleden baby als herinnering.
Albumine procédé
In 1840 werd albumine (=eiwit) gebruikt in zowel het negatief als de afdruk om het detail te verhogen. Talbot’s negatieven waren op papier, en waren dus ook beperkt tot het maximaal detail van het papier zelf. Men ging dus op zoek naar nieuwe dragers en glas was natuurlijk ideaal. Maar men kon de chemie niet op de glasplaat hechten en moest dus op zoek naar een goede hechtingslaag. Men experimenteerde met verschillende producten, zelfs het slijm van slakken, maar niets bleek betrouwbaar. In 1848 heeft een neef van Nicephore Niépce, Abel Niépce, een procédé op punt gesteld om een glasplaat te voorzien van een laag zodat de chemie gehecht kon worden. Dit deed hij door de glasplaat te coaten met gezouten eiwit dat voorzien was van een beetje potassium iodide. Eens opgedroogd werd de plaat gevoelig gemaakt door een zure oplossing van zilvernitraat te gebruiken. De plaat werd ontwikkeld in galzuur. Het nieuwe procédé gaf een zeer gedetailleerd beeld, maar had lange belichting nodig. (5 à 15 mintuten) Hierdoor was het enkel geschikt voor architectuur en landschappen.
De ontwikkeling van albumine afdrukpapier kende in 1850 een veel groter succes. Het gaf een veel groter detail dan het gezouten papier dat tot dan in gebruik was. De verklaring hiervoor is dat de chemie in gezouten papier in het papier zit en bij een albuminepapier op het papier ligt. Het gaf ook een glanseffect en had een meer effen oppervlak. Het albumine procédé werd al snel ook voor het papier gebruikt. Hierdoor kreeg men een afdruk met een glanzend oppervlak en waarin men de structuur van het papier niet heeft.
Zout-print
Tot 1850 waren de afdrukken op gezouten papier. Deze werden gemaakt door een vel papier te coaten met een zoutoplossing, waarna ze gevoelig werden gemaakt. Dit papier hoefde niet ontwikkeld te worden. Na belichting, hetgeen steeds door middel van een contactafdruk gebeurde van zo’n 30 minuten in zonlicht, werd het papier direct gefixeerd. Omdat het papier gevoelig gemaakt werd op deze manier zaten de fotosensibele elementen in het papier en niet op het papier. Hierdoor zag men de structuur van het papier in de foto.
Fixeren
Fixeren is het procédé waarbij men de nog ongebruikte lichtgevoelige chemie gaat verwijderen. Hierdoor wordt de foto meer permanent.
Thomas Wedgwood is de uitvinder van het fixeren, al heeft hij dit zelf nooit geweten. Hij beschreef hoe zilverchloride opgelost werd door een zoutoplossing (hyposulfiet). Alleen wist hij het nut er niet van en het is pas na zijn dood dat men het is gaan gebruiken in de fotografie. Sodiumthiosulfaat (beter gekend als Hypo) wordt nog steeds gebruikt in de huidige fixeerproducten.
De eerste foto’s waren uniek, er kon geen tweede exemplaar van gedrukt worden. Dit kwam omdat de foto’s direct op het papier werden gebrand in plaats van op een negatief. De eerste negatieven werden rond 1850 ontwikkeld. Dit waren glasplaten waarop zilverbromide in een gelatinelaag ingebed werd. Deze ontwikkeling zorgde ervoor dat de fotocamera dichter bij de gewone burger kwam. In juli 1888 kwam de Eastman's Kodak camera op de markt met de slogan "U drukt op de knop en wij doen de rest". De eerste 35-mm-negatieven werden rond 1930 ontwikkeld. Deze negatieven worden nog steeds in analoge camera’s gebruikt. De Hasselblad maakte gebruik van grotere negatieven zoals de 60- bij-60-mm-negatieven, waarmee enorme vergrotingen haarscherp afgedrukt konden worden.
Tussen 1930 en 2000 werden zwart-wit fotorolletjes ontwikkeld in een donkere kamer. De professional of de fanatieke amateur had op zijn zolderkamer een donkere kamer. Filmrolletjes konden ontwikkeld worden door, gedurende een bepaald aantal seconden, met een negatief en een lichtbron op het fotopapier te schijnen. Hoe langer er belicht werd, hoe donkerder de foto. Hierna moest het fotopapier in drie verschillende baden gedompeld worden zodat het fotopapier gefixeerd werd. Het laatste bad was met water gevuld om de chemicaliën af te spoelen. Om te kunnen werken in een donkere kamer werd er van speciaal rood licht gebruik gemaakt, dit licht had geen effect op het fotopapier waardoor er toch licht was in de donkere kamer.
Hoewel de eerste kleurenfoto al in 1860 werd gemaakt, werden de eerste kleurenfoto’s voor consumenten pas rond 1960 gemaakt. Dit kwam omdat het maar niet lukte de kleur rood vast te leggen zodat kleurenfoto’s nooit een goede afspiegeling van de werkelijkheid gaven.
De lenzen zijn sinds 1820 net als de achterwand steeds licht gevoeliger geworden. Ook werden de lenzen scherper. Goede lenzen gaan tot een lichtgevoeligheids waarde van F 1.8 en bij dure lenzen tot F1.4 daar is sinds 1930 weinig tot geen verandering in gekomen.
De eerste kleinbeeld-spiegelreflex-camera’s voor de consument kwamen rond 1940 op de markt. De spiegelreflexcamera heeft een klapbare spiegel die het licht naar het negatief (sensor) brengt. De spiegel klapt open wanneer de lens open staat om het licht op het negatief (sensor) te laten vallen, echter op dat moment kan de fotograaf niet zien wat hij in beeld heeft. De spiegel zorgt ervoor dat de fotograaf door zijn zoeker kan zien wat hij zal fotograferen.
In 1981 kwam Sony met de eerste digitale camera. De kwaliteit van de afdrukken was vele malen minder en de prijs vele malen hoger dan die van de analoge camera’s. In 1991 kostte de Kodak DCS-100 30.000 dollar. Hierdoor duurde het tot begin 2000 voordat professionele fotografen langzaam overgingen op digitale camera’s. In 2001 kwam bijvoorbeeld de Canon 1D uit met 4,1 megapixels. Voor de consument kwam de eerste betaalbare digitale spiegelreflexcamera in 2003 uit met de Canon 300 D. De lenzen voor deze camera konden direct van de analoge versies worden overgenomen. De hoeveelheid pixels die de sensor kan produceren zijn sinds 2000 ieder jaar vergroot zodat grote afdrukken zoals A2 posters nu ook met een consumenten spiegelreflex gemaakt kunnen worden.
Een spiegelreflexcamera of kortweg een spiegelreflex, is een fotocamera die voorzien is van een bijzonder zoekersysteem dat optimaal richten en instellen van de camera mogelijk maakt. In de stralengang tussen lens (objectief) en film (of sensor) is een spiegel aangebracht, onder een hoek van 45 graden, die het beeld op een horizontaal instelglas projecteert dat in de regel gematteerd is en meestal matglas wordt genoemd. Normaal kaatst de spiegel het licht naar boven.
Doorsnede van een spiegelreflexcamera met zicht op de optische componenten.
Het spiegelreflexprincipe werd al toegepast in de 19e eeuw. Dit principe werd geoctrooieerd door de Engelse fotograaf Thomas Sutton in 1861. De eerste eenogige kleinbeeld-spiegelreflexcamera was de Kine-Exakta van de Ihagee Kamerawerke uit Dresden (Duitsland), op de markt gebracht in 1936. Een vernieuwde versie van 1950 heette de Exakta Varex. Veel innovaties in de kleinbeeldspiegelreflex werden in de jaren 1950-1960 geïntroduceerd door het Japanse merk Pentax, zo kwamen zij met de "vlug-terugspiegel" (in oudere modellen bleef de spiegel opgeklapt totdat de sluiter weer gespannen werd), een universele lensvatting, het pentaprisma en "door-de-lenslichtmeting". Ook had Pentax eind jaren 1970 al een model met autofocus, dat echter nooit doorbrak. Autofocus begon in 1985 pas zijn opmars met de Minolta 7000. (D)SLR's zijn sinds enkele jaren sterk in opkomst en worden steeds betaalbaarder. De Japanse producent Canon heeft veel aan deze ontwikkeling bijgedragen. In 2003 kwam Canon met de EOS 300D als eerste 'goedkope' consumenten camera. Daarna volgde Nikon met de D70. Het was echter Minolta, dat in 1995 al digitale spiegelreflexcamera op de markt bracht: de RD-175. Daarvoor experimenteerde Minolta al met een digitale SLR (in 1989 met de digitale achterwand voor de Minolta 9000, die zijn beelden opsloeg op videotape). In de Olympus Pen F en FT – halfkleinbeeldcamera’s met een staand filmformaat en in de latere digitale reflexen E-300 en E-330 – kaatst de spiegel het beeld naar rechts en niet omhoog zoals gebruikelijk.
Dit type camera wordt ook wel aangeduid met de afkorting SLR wat staat voor Single Lens Reflex. Meestal betreft het middenformaatcamera's of kleinbeeld-spiegelreflexcamera's. Bij sommige camera’s kan de fotograaf het beeld op het instelglas rechtstreeks van bovenaf bekijken. Meestal wordt het beeld echter bekeken via één of meer prisma’s (gewoonlijk via een pentaprisma, ook wel dakkantprisma genoemd) en/of spiegels (porro mirror system). In sommige camera’s kunnen verschillende typen instelglazen geplaatst worden en soms is ook de rest van het zoekersysteem verwisselbaar. Op het moment van de opname klapt de spiegel weg uit de baan tussen lens en film (sensor) en sluit daarmee tegelijk het via de zoeker invallende licht buiten. Vervolgens opent zich dan de spleetsluiter die zich vlak voor de film (sensor) bevindt. Als de sluiter zich in het objectief bevindt (centraalsluiter) is de camera van klepjes of een hulpsluiter voorzien om te verhinderen dat er licht op de film valt zolang de sluiter openstaat voor het bekijken van het zoekerbeeld. Tijdens het opklappen van de spiegel sluit het diafragma (niet in het plaatje afgebeeld) in het objectief zich tot de waarde die door de gebruiker of door een automatisch systeem is ingesteld. De camera kan op verschillende manieren voorzien zijn van een lichtmeetsysteem; tegenwoordig vindt de lichtmeting altijd door het objectief plaats voor optimale nauwkeurigheid. Een nadeel van de eenogige is de onvermijdelijke klap die men hoort bij het opklappen van de spiegel tijdens de opname. Hoewel daar bij de nieuwste technologie veel aan verbeterd is, blijft het hoorbaar. Daardoor is dit type reflexcamera minder geschikt voor situaties waarbij volstrekte stilte gewenst is. De tweeogige spiegelreflex of TLR en de meetzoekercamera kennen dit probleem niet.
Zoals gezegd maakt het reflexsysteem optimaal richten en instellen mogelijk. Het beeld op het matglas is namelijk gelijk aan het beeld dat op de film (sensor) gaat komen. Niet alleen de compositie kan exact worden bepaald, zonder het parallaxprobleem dat een doorzichtzoeker met zich brengt, maar ook de scherpte kan nauwkeurig worden ingesteld, net als bij een platencamera/technische camera, die zonder spiegel werkt. De eenogige spiegelreflexcamera’s zijn bij uitstek geschikt voor het gebruik van verschillende objectieven. Sommige fabrikanten leveren voor hun camera’s tientallen objectieven met verschillende brandpuntsafstanden en lichtsterkte; daarbij zien we steeds meer objectieven met een variabele brandpuntsafstand, zgn. zoomobjectieven. Ook zijn opstellingen mogelijk voor het maken van extreem-nabij-opnamen (macrofotografie) en microfotografie.
Voor dit type fototoestel wordt ook wel de afkorting TLR gebruikt wat Twin Lens Reflex betekent, meestal gaat het dan om middenformaatcamera's. Een min of meer in onbruik geraakt type spiegelreflexcamera is de tweeogige reflexcamera (voorbeelden: Rolleiflex, Mamiya, Yashica, Lubitel). Hierbij is het zoekersysteem gescheiden van het opnamesysteem. Het zoekerbeeld wordt verkregen met een objectief dat (vrijwel) gelijk is aan het opnameobjectief en dat via een spiegel een beeld op een matglas werpt. De camera heeft dus twee objectieven, normaliter boven elkaar; deze zijn gekoppeld zodat de scherpstelling nauwkeurig op het matglas kan geschieden. Door de parallax zijn het zoekerbeeld en het filmbeeld echter niet 100% aan elkaar gelijk. In tegenstelling tot de eenogige reflexen wordt bij dit type de spiegel niet opgeklapt bij het maken van de opname, hetgeen resulteert in vrijwel geruisloze techniek
Een meetzoekercamera is een fotocamera, voorzien van een optisch systeem voor het bepalen van de beeldinhoud of compositie (de zoeker) gecombineerd met een optisch-mechanisch systeem voor de scherpstelling van het beeld (afstandinstelling). Het scherpstelsysteem maakt gebruik van de parallax tussen de zoeker en een kleine hulpzoeker, waarvan het beeld via een periscoopachtig spiegel- en/of prismasysteem gemengd wordt met het zoekerbeeld. Door aan de afstandinstelring van het objectief te draaien draait ook een spiegeltje in de "periscoop" en kan men het beeldje van een bepaald object in de zoeker in dekking brengen met het beeldje uit de hulpzoeker. Het mechaniek is zo afgesteld dat op dat moment de afstandinstelling correct is voor dat object. Sommige meetzoekercamera's hebben verwisselbare objectieven met verschillende brandpuntsafstanden; deze zijn voorzien van een koppeling naar het systeem in de camera. De bekendste meetzoekercamera is de Leica. Andere recente modellen zijn er onder meer van Konica (Hexar), Voigtländer/Cosina, Contax en Hasselblad (XPan). Digitale meetzoekercamera wordt geleverd door Epson (RD1s) en Leica (M8 en M9). Beide maken gebruik van de Leica M lenzen. De meetzoekercamera heeft door zijn compacte bouw en vrijwel geruisloze werking toch een behoorlijke schare aanhangers vastgehouden, met name in de reportage- en straatfotografie. Dit is helaas een duur systeem, niet voor mij weggelegd.
De grootte van foto’s die je kunt maken met een digitale camera meet je in megapixels. Dat woord bestaat uit twee stukjes: mega en pixel. Mega is een ander woord voor miljoen. Het woord pixel bestaat ook weer uit twee stukjes: picture en element. Vrij vertaald betekent dit Engelse woord: puntje. Het woord megapixel betekent dus eigenlijk: 'miljoen puntjes'.
Op een camera zie je bijvoorbeeld staan: 4.0 Megapixel. Dat betekent dat je foto’s kunt maken met die camera die opgebouwd zijn uit 4 miljoen puntjes. Natuurlijk staan die puntjes niet allemaal naast elkaar (1 x 4 miljoen puntjes) maar is het een rechthoek.
Een paar veelvoorkomende formaten: 1600 x 2400, 2000 x 2800, 2400 x 3200, 2400 x 3600.
Om je foto’s op te slaan maak je gebruik van een geheugenkaartje. Als je een digitale camera koopt zit in de camera al een geheugenkaartje. Dit is de interne geheugenkaart. De interne geheugenkaart is bijvoorbeeld 16 MB of 32 MB groot. MB staat voor megabyte. Een megabyte is ongeveer 1 miljoen bytes. Je kunt ook nog externe geheugenkaartjes kopen. Op een extern geheugenkaartje kun je meer foto´s opslaan omdat er meer MB´s op staan. Veel voorkomende formaten zijn 32 MB, 64 MB, 128 MB, 256 MB, 512 MB, 1024 MB of meer. Hoeveel foto´s kun je nu op een geheugenkaartje opslaan? Dat hangt af van een paar zaken, hoe groot de foto’s zijn die je maakt en hoe groot je geheugenkaartje is! Als je een foto wilt maken die je op website zet hoeft je foto niet groter te zijn dan 800 x 600 pixels. Per foto zijn dan 800 x 600 pixels = 480.000 pixels. Elke pixel die je opslaat moet de computer onthouden. De computer onthoudt informatie door die op te slaan in bits en bytes. Om één kleurenpixel op te slaan heeft de computer 3 bytes nodig. Als je hier een rijtje van maakt dan zie je dat er 3 miljoen byte is ongeveer 3 MB. Je kunt dan 1 miljoen pixels opslaan. Een foto van 800 bij 600 pixels is ongeveer een half miljoen pixels. 2 foto’s zijn dus ongeveer 1 miljoen pixels. En kosten dus 3 MB aan geheugenruimte. 2 foto’s van 800 x 600 is 3 MB, 20 foto’s van 800 x 600 is 30 MB, 40 foto’s van 800 x 600 is 60 MB, 80 foto’s van 800 x 600 is 120 MB en 80 foto’s van 800 x 600 kost dus ongeveer 120 MB aan ruimte. Toch passen er op een kaartje van 128 MB veel meer foto’s dan 80. Hoe kan dit? De foto’s sla je (meestal) op in het JPEG-formaat. Dit is een slimme manier om foto’s op te slaan. Wat doet JPEG? JPEG kijkt goed naar de foto en de kleuren op de foto. Als er kleuren die dicht bij elkaar staan en op elkaar lijken, maakt JPEG er één kleur van. Je slaat dus minder kleuren op. Dat betekent dat een bestand ook niet meer zo groot is. Een foto op deze manier verkleinen heet comprimeren. Hierdoor passen er op een kaartje van 128 MB wel 480 foto’s van 800 x 600 pixels.
Optische zoom
Als je iets wilt weten over zoomen, moet je iets weten over lenzen en brandpuntsafstand. De lens in de camera zorgt ervoor dat het licht van buiten scherp binnenkomt in het fototoestel. De afstand tussen de lens en de plek waarop het licht samenvalt (in een digitale camera is dat de sensor) heet de brandpuntsafstand. De afstand tussen de lens en de sensor meet je in millimeter (mm). Als je wel eens met een loep gewerkt hebt zul je weten dat je er een gaatje mee in het papier kunt branden. De afstand tussen de loep en het papiertje is dan de brandpuntsafstand. Met een zoomlens kun je een onderwerp dichterbij halen. Als je dat doet zal je merken dat je dan tegelijkertijd ook minder van het onderwerp in beeld krijgt. Je blikveld wordt vernauwd. Bij het uitzoomen verruimt je blikveld weer. Als je een onderwerp scherp in beeld wilt houden, als je hebt ingezoomd, moet de brandpuntsafstand ook veranderen. De brandpuntsafstand wordt groter als je inzoomt en kleiner als je uitzoomt. Als je de grootst mogelijke brandpuntsafstand deelt door de kleinst mogelijke brandpuntsafstand van een lens, weet je hoe ver je kunt inzoomen.
Digitale zoom
Bij een digitale zoom verander je de brandpuntsafstand niet meer. (Bijna) elk mobieltje dat over een camera beschikt, kan alleen inzoomen via een digitale zoom. Bij een digitale zoom worden de pixels uitgerekt om het onderwerp groter in beeld te krijgen. De foto wordt er niet echt beter van.
Nu kom ik bij de nummer twee van de hardware, het glas. Dit is ook het duurste van de twee, als je ten minste kwaliteit wil. Met de smartphone kom je al heel ver maar dat kan niet tippen aan de magie van het regelwerk en het glas. Dat zie je pas bij een vergroting. Ik probeer hier de essentie in een kleurtje te zetten, dit leest eenvoudiger. Helaas het wordt nu technisch maar als je hier niet aandachtig op focust komt de rest ook niet, probeer het.
Een objectief is het onderdeel van een optisch instrument, zoals een fototoestel, een microscoop of een telescoop, dat dient om een object af te beelden. Het objectief wordt op het te bekijken of te fotograferen object gericht. Het ontstane beeld kan op verschillende wijzen verder worden verwerkt. In een camera wordt het beeld rechtstreeks opgenomen op een lichtgevoelige film of plaat, of op een elektronische beeldsensor. In een telescoop, een microscoop en vergelijkbare instrumenten wordt het beeld door een oculair bekeken.
De term objectief is ontleend aan het feit dat het objectief het waar te nemen voorwerp (object) afbeeldt. Het objectief kan uit één lens bestaan (zoals bij de ouderwetse „boxcamera’s” van vroeger), maar omvat meestal meerdere lenzen. Samen corrigeren deze de afbeeldingsfouten die enkelvoudige lenzen hebben. Bij spiegeltelescopen bestaat het objectief uit een spiegel. Een objectief heeft een bepaalde (in geval van een zoomobjectief een instelbare) brandpuntsafstand. Een fotografisch objectief moet op zeer verschillende afstanden kunnen scherpstellen. Welk bereik dat is, hangt weer af van de details: voor telefotografie hoeft men niet al te dichtbij te kunnen scherpstellen. En voor macrofotografie is scherpstellen op grote afstand niet nodig. Door met deze dingen rekening te houden, kan het ontwerp voor een kleiner scherpstelbereik worden geoptimaliseerd, waardoor het objectief minder duur kan worden. Met uitzondering van macrofotografie geldt in het algemeen dat de voorwerpsafstand varieert van oneindig tot enkele malen de brandpuntsafstand.
Het maakt niet uit met welk onderdeel binnen de fotografie je bezig bent: mensen, dieren, stillevens, etc. De juiste lenskeuze is van vitaal belang om je foto’s boven het gemiddelde niveau uit te laten steken. Iedere opdracht heeft z’n perfecte gereedschap. Dat geldt ook voor fotografie. Wil je een foto maken van een model, of een zonsondergang aan zee, of een vogel in de boom verderop, dan moet je de juiste brandpuntsafstand kiezen.
Bij compactcamera’s staan er vaak wat getallen op de lens, zoals bijvoorbeeld 3x, 2,8x of 4,5x. Maar dat zegt natuurlijk nog niet zoveel, het zijn slechts getallen. Voor een DSLR zijn er diverse lenzen beschikbaar, zo heb je een 18-50mm, een 50mm f/1.8, een 70-200 f/2.8;
Heb je ooit weleens gezien wat er gebeurt wanneer er een beamer of projector verder van het scherm wordt geplaatst? Ja? Dan heb je gezien dat het beeld groter wordt, zodra het apparaat verder weg komt te staan. Dat is nu ook het principe achter de meeste cameralenzen. Wanneer de afstand tot het onderwerp groter wordt, wordt het geprojecteerde beeld op de sensor ook groter. Dat betekent dus ook dat slechts een vast bepaald gedeelte van de scène vastgelegd kan worden in de camera. Tenzij er iets verandert aan de manier waarop het beeld de camera in komt. De meest gebruikte lenzen zijn: groothoeklens, telelens, macrolens, fisheyelens, standaardlens en kitlens. Hoewel die laatste omschrijving eigenlijk kant noch wal raakt wordt die toch veel gebruikt. In het algemeen wordt de 50mm lens beschouwd als de standaardlens.
Het tweede kenmerk van een objectief is de lichtsterkte. Daaronder wordt verstaan de grootste diafragmaopening die beschikbaar is. Zo kan een standaardobjectief de volgende specificaties hebben: '50 mm f/1,8'. Hier is '50 mm' de brandpuntsafstand, 'f/1,8' de maximale diameter van de invallende lichtbundel ofwel diafragmaopening (populair vaak „lensopening” genoemd). Met het diafragma kunnen de hoeveelheid invallend licht en de scherptediepte van het objectief worden geregeld. Hoe groter de diafragmaopening, hoe groter de lichtdoorlating. Het spreekt voor zich dat een objectief met een opening van bijvoorbeeld 8 cm meer licht doorlaat dan een van 3 cm. Maar ook de fysieke lengte is van belang. Een lang teleobjectief zal bij gelijke openingsdiameter het licht over een groter oppervlak verdelen, en dus een kleinere lichtsterkte hebben, dan een kort groothoekobjectief. De diafragmaopening wordt daarom uitgedrukt als een relatieve diameter in verhouding tot de brandpuntsafstand. Immers hoe groter de brandpuntsafstand, des te groter wordt het oppervlak waarover het licht verdeeld wordt (de zogenaamde kwadratenwet). Als de openingsdiameter en f de brandpuntsafstand is, is de lichtsterkte in het beeld dus evenredig met de verhouding (d/f)2. In de praktijk wordt echter met de verhouding d/f gewerkt. De openingsdiameter wordt dan uitgedrukt als een fractie van de brandpuntsafstand, bijvoorbeeld d = f/2,8, of d = f/2.
De gebruikelijke instelwaardes voor de diafragmaopening vormen een zogenaamde meetkundige rij. Aangezien de opeenvolgende waarden een telkens tweemaal zo grote lichtsterkte en ook dus een tweemaal zo groot openingsoppervlak moeten geven, moeten de opeenvolgende openingsdiameters een verhouding : √2\scriptstyle {\sqrt 2} ≈ 1,4 hebben.
Vandaar dat de reeks 1,4 - 2 - 2,8 - 4 - 5,6 - 8 enzovoort wordt gebruikt. De opeenvolgende diafragmadiameters worden dan dus f/1,4 - f/2 - f/2,8 - f/4 - f/5,6 - f/8 etc. In de praktijk worden deze getallen 1,4 - 2 - 2,8 enzovoort diafragmagetallen genoemd. Een ook veelgebruikte term is f-getal, maar deze berust op een verkeerde interpretatie van de betekenis ervan: een getal is dimensieloos, terwijl het hier uitdrukkelijk om een lengte gaat.
Het aantal lenscomponenten in een objectief heeft op zich weinig invloed op de effectieve lichtsterkte. Lichtsterke objectieven hebben meer lenscomponenten nodig om alle beeldfouten te corrigeren. Objectieven met veel lenzen, zoals zoomobjectieven met een groot bereik, zouden dan te complex, te duur en te zwaar worden, en zijn daarom vaak slechts in lagere lichtsterktes verkrijgbaar. Dankzij de mogelijkheden van computergestuurd slijpen en polijsten kunnen tegenwoordig ook asferische oppervlakken worden gebruikt, die meer mogelijkheden bieden voor correctie van beeldfouten. Daardoor worden lichtsterkere zoomobjectieven ook betaalbaarder.
Deze wordt meestal aangeduid in millimeters. Hoe meer millimeters, hoe meer vergroting de lens kan geven. Bijvoorbeeld een 500mm lens wordt aangeduid als een telelens, omdat er sprake is van een forse vergrotingsfactor. Ook wel (onterecht!) een zoomlens genoemd. Zoom heeft te maken met het feit dat op een lens de focale lengte gevarieerd kan worden, bijvoorbeeld 70-200mm.
Wat nog een belangrijk element is voor jou als DSLR gebruiker, is dat wanneer je GEEN fullframe spiegelreflexcamera hebt, je dan te maken hebt met de verlengingsfactor. Meestal zit die rond 1,5 (Nikon 1,5 en Canon 1,6). Sommige andere camera’s hebben meer of minder. Maar wat het doet kan positief en negatief uitpakken. Positief wanneer je in het telegebied qua lenzen zit. Want je 300mm lens wordt zo ‘ineens’ 450mm. Maar ditzelfde effect pakt negatief uit als je in het groothoekgebied wilt fotograferen. Want je 24mm lens wordt nu 36mm. Dus om de 28mm normale groothoek uit te komen, zoals hierboven uitgelegd, moet je al een 18mm lens gebruiken. Kun je nagaan wat je moet doen om echt extreem te gaan qua groothoek! Dit is echter de goedkope methode. Er is ook nog een dure variant, de fullframe DSLR.
Deze afstand is het getal in millimeters, aangeduid als mm achter het getal op je lens.
Hoe lager het getal, hoe wijder de beeldhoek is die je door de zoeker kunt zien.
Momenteel heeft de fotograaf de keuze om lenzen aan te schaffen met een vast brandpunt (prime) of met een variabel brandpunt (zoom). Ook is er keuze in verschillende doeleinden: er zijn lenzen speciaal voor macrofotografie, fisheye’s, etc. Elke lens geeft de fotograaf specifieke mogelijkheden om de scene te zien in diverse vergrotingen. Om de mate van vergroting van een lens eenduidig aan te kunnen geven wordt gebruik gemaakt van de focale lengte ofwel het brandpunt van een lens.
Standaardlens
Op een fullframe DSLR valt een standaard lens in te categorie tussen 40mm en 55mm, waarbij 50mm in principe te meest geaccepteerde norm is. Om tot eenzelfde beeldhoek te komen op een gewone (DX) DSLR heb je in de meeste gevallen een lens van ongeveer 35mm nodig. Deze beeldhoek zit het dichtste tegen die van het menselijk oog aan. Deze lenzen leveren dan ook een beeld wat niet vervormd wordt door distortion. Het is daarom een geliefde lens voor portretfotografie. En nog een feitje: de werkelijke beeldhoek van het menselijke oog is 43mm… Een 50mm objectief wordt ook wel een standaard objectief genoemd. Deze brandpuntsafstand is relatief gemakkelijk te produceren en daardoor heeft elk fotomerk wel een betaalbare 50mm in het assortiment. Daarbij zijn deze objectieven ook nog eens erg lichtsterk.
De kwaliteit is ontzettend hoog. Je kunt er prachtige foto's mee maken van een kwaliteit waar je kit-lens alleen maar van kan dromen. Met meer contrast en meer scherpte. Ondanks dat de 50mm ook binnen het bereik van de gemiddelde kit-lens valt is dit objectief dus ook voor beginners een absolute aanrader.
Heb je wat meer te spenderen dan kun je ook gaan voor de f/1.4 of zelfs een f/1.2 variant. In beeldkwaliteit ga je er dan echter niet heel veel op vooruit, wel in bouwkwaliteit. De f/1.8 is daarom al een uitstekende keuze (en de lichtsterkere varianten zijn relatief duur). en lichtsterk objectief heeft een aantal voordelen; zo heb je minder licht nodig om een foto te kunnen maken bij een bepaalde sluitertijd en doorgaans is de beeldkwaliteit bij lichtsterke objectief ook merkbaar beter. Een belangrijk extra voordeel is het gemak waarmee je gebruik kunt maken van een kleine scherptediepte in je foto's.
Veelzijdigheid
Ondanks dat een 50mm objectief een vast brandpuntsafstand heeft (je kunt er dus niet mee in- en uitzoomen) kun je er erg veelzijdige foto's mee maken. Van portret tot landschap, je kunt er veel kanten mee op. Omdat 50mm objectieven zo lichtsterk zijn kun je ze ook goed gebruiken in wat donkere ruimten; denk bijvoorbeeld aan een concertzaaltje.
Daarbij is het kleine objectiefje ook lang niet zo opvallend en indringend als een flinke teletoeter op je camera. Je kunt er dus ook onopvallend mee aan de slag. In plaats van in- en uitzoomen moet je nu je voeten gebruiken om iets dichterbij te halen. In de meeste gevallen geen enkel probleem.
De kitlens
Dit is een goedkope 18-50mm (of 18-55mm) lens die in combinatie met een body verkocht.
Groothoeklens
Met hun kortere brandpuntsafstand en een wijdere beeldhoek dan de standaardlens zijn dit populaire lenzen voor landschaps- en reportagefotografen. Herinner je je nog de noodzaak tot een kortere brandpuntsafstand bij een DX DSLR ten opzichte van de fullframe of 35mm digitale camera? De noodzaak en de vraag naar nog kortere brandpuntsafstanden heeft geleid tot een reeks nieuwe modellen. Een 17-35mm model geeft het beeldhoek equivalent van een 25-52mm op een fullframe DSLR. Bij architectuurfotografie valt vertekening snel op. Gebouwen hebben over het algemeen veel rechte lijnen en rechte hoeken, en een beetje kromming van de rechte lijnen springt ons direct in het oog. Bij fotografie van architectuur is meestal ook een zeer grote beeldhoek gewenst en de beste oplossing is om met een technische camera en een speciaal supergroothoekobjectief te werken. Toch bedraagt de vertekening aan de randen zo'n 0,6%. Bij een groothoek op een technische camera is de afstand tussen objectief en film zeer gering. In spiegelreflexcamera's moet achter de lens ruimte zijn voor de spiegel en daar wordt dus een andere constructie gebruikt, de retrofocusconstructie. Hier is de vertekening moeilijker in de hand te houden en aan de randen kan er dan ook gemakkelijk 2% vertekening zijn. Groothoeklenzen zijn geweldig materiaal om meer (dus een groter gebied) op de foto te krijgen en om foto’s te maken met een wat ongebruikelijk perspectief. Dient om landschappen te fotograferen, maar deze lens is ook erg handig bij het fotograferen van grote groepen mensen. Maar groothoeklenzen hebben ook een keerzijde: in sommige situaties zal er vervorming optreden. Het fijne van een digitale camera hierbij is dat deze vervorming gemakkelijk digitaal gecorrigeerd kan worden.
Barrel Distortion
Het fenomeen achter deze vervormingen heet Barrel Distortion. Hierdoor gaan rechte lijnen naar buiten buigen alsof ze tonvormig worden. Een groothoeklens vervormt de foto door lijnen te gaan ‘ronden’. Dit geeft als resultaat dat de foto niet meer conform werkelijkheid is, om dat de muren van gebouwen etc. vervormd worden zoals in een lachspiegel.
Alle groothoeklenzen hebben last van Barrel Distortion, hoewel het effect varieert per lens. Hoe wijder een lens is, hoe nadrukkelijker het effect aanwezig zal zijn. Een fisheye lens, wat in feite een super groothoeklens is, heeft de ultieme vorm van Barrel Distortion. Soms is dit effect juist de bedoeling. In alle andere gevallen wil je voorkomen dat je lachspiegelfoto’s maakt!
De vervorming minimaliseren
Een eenvoudige manier om Barrel Distortion te voorkomen is door de groothoeklens niet in het uiterst wijde bereik te gebruiken. Stop dan net voor uit uiterst wijde bereik. Wanneer je een groothoekconverter gebruikt, wees dan voorzichtig met het gebruik van de uiterste groothoek van je compactcamera in combinatie met de groothoekconverter. Je zou de vervormingen moeten kunnen zien op de display van de camera, maar uit eigen ervaring weet ik dat het effect soms onzichtbaar blijft tot je het fullscreen op je monitor bekijkt. Dit komt doordat je een lichte vervorming moeilijk kunt zien op een kleine 3 inch display maar wel heel goed op een 24 inch monitor (om maar wat cijfers te noemen). Maar je kunt de Barrel Distortion ook proberen te vermommen. Wanneer je fotografeert in de uiterste groothoekstand, vermijd dan onderwerpen die zeer sterke en strakke lijnen hebben zoals ze in de natuur nauwelijks of niet voorkomen, bijvoorbeeld muren, rails, flatgebouwen. De meeste natuurlijke onderwerpen zoals landschappen, bloemen en dieren absorberen de Barrel Distortion op een elegante en effectieve wijze.
Split en Dubbel
Je kunt het gebruik van de groothoeklens natuurlijk ook voorkomen door een aantal individuele foto’s te nemen met een normale lens en die achteraf aan elkaar te plakken. Neem bijvoorbeeld een overzichtsfoto van de Grand Canyon. Je kunt alles in één grote en massieve foto persen, of je kunt een aantal afzonderlijke foto’s maken die vrij zijn van vervorming. Die kun je dan thuis tot één grote foto aan elkaar plakken met een stitchprogramma of gewoon in Lightroom.
Digitaal rechtzetten
Wanneer je dan toch nog blijft zitten met een paar foto’s die last hebben van Barrel Distortion, geen probleem. Ook daar is weer een oplossing voor. Er zijn diverse programma’s beschikbaar die je kunnen helpen met het verminderen of zelfs verwijderen van de BD in digitale foto’s die met een groothoeklens gemaakt zijn. Deze programma’s proberen om de lensvervorming te verminderen met behulp van enkele schijnbaar vage waarden (een beetje experimenteren en goed gebruik van de Undo-button of Control-Z doen wonderen) of door simpelweg de lijnen in een foto aan te geven die recht zouden moeten zijn, bijvoorbeeld een muur of de horizon. De software trekt deze lijnen dan weer recht, daarmee is dan (hopelijk) de gehele foto gered. Als je software bij je digitale camera hebt ontvangen, kijk dan eens na of er niet een collectie met filter voor een bewerkingsprogramma bij zit waarmee je je foto weer kunt rechttrekken. Uiteraard kunnen Lightroom, Photoshop en Luminar dit zonder problemen corrigeren.
Macrolens
Een macro-objectief of macrolens is een objectief om kleine voorwerpen van dichtbij te fotograferen, de zogenaamde macrofotografie. 'Dichtbij' is relatief: als men bijvoorbeeld met een gewone typische telelens met een brandpuntsafstand van 180mm slechts tot op 150cm dicht bij het voorwerp kan scherpstellen, zal men met de macro-versie ervan bijvoorbeeld tot een 50-tal cm kunnen komen, en zal het beeld op de sensor of film ongeveer even groot als het voorwerp worden (of zelfs groter). Bij macrolenzen met kleinere brandpuntsafstanden zal men nog dichter moeten komen om deze vergroting te halen, bijvoorbeeld 20 à 30cm. Hoe groter de brandpuntsafstand, hoe groter het risico op trillingsonscherpte, maar ook hoe groter de voorwerpafstand. Dus is voor het fotograferen van schuwe insecten eerder een 100-200mm-macrolens aan te raden, terwijl men voor niet-wegvliegende dingen beter een (meestal goedkopere) 50-60mm-lens kan gebruiken. Sommige merken plakken het etiket 'macro' al op objectieven met een vergrotingsfactor van 50% in plaats van 100%. Nikon gebruikt de term 'micro' in plaats van 'macro'.
Telelens
Alles boven 70mm wordt gezien als tele. Dit betekent dat de lens de dingen vergroot weergeeft. Die gebruik je dus voor het vogeltje in de boom van even hiervoor. Er zijn telelenzen, variërend van 400mm, 500mm en soms wel 600mm of meer. Allemaal om extreem dicht op de actie te kunnen zitten. En tel daarbij de winst van de verlengingsfactor die een DX DSLR geeft, doorgaans factor 1,5. Een 200mm lens wordt dan zomaar het equivalent van een 300mm lens op een fullframe digitale camera.
Portretlens
Wil je een portret maken van een persoon dan zal de juiste lens ergens tussen 70 en 100mm zitten. Omdat dit gebied de minste kans op vervorming (distortion) biedt. Andere brandpunten geven vaak vervorming in het gezicht, door het te breed of te uitgerekt weer te geven, afhankelijk van de lens die je op de camera hebt.
Fisheye-objectief
Een fisheye-objectief (of fisheye of visoogobjectief) is een lenzenstelsel met een korte brandpuntsafstand. Op een fotocamera geeft de lens een sterke groothoekwerking en een karakteristieke tonvormige vertekening. Het vervormde beeld is enigszins vergelijkbaar met het gereflecteerde beeld in een kerstbal. De beeldweergave wijkt af van de weergave door de meer gebruikelijke rectilineaire groothoek- en supergroothoekobjectieven. Fisheye-opnamen zijn daarom erg geschikt voor projecties op een bolvormig scherm. Er zijn fisheye-lenzen met een beeldhoek van 180 graden of zelfs meer (er is een objectief geweest met een beeldhoek van 300°). Bij een beeldhoek van 180° is het mogelijk de hele hemelkoepel in een keer te fotograferen door de camera op het zenit te richten. Ook kunnen fotografen met slechts twee foto's alles wat ze om zich heen zien, inclusief voeten, fotograferen. Op kleinbeeldspiegelreflexcamera's worden meestal fisheye-objectieven gebruikt met een brandpuntsafstand van 15 of 16 mm. Deze geven alleen in de diagonaal van het beeld een beeldhoek van ongeveer 180 graden. Nog kortere brandpunten van ongeveer 8 mm geven een cirkelvormige afbeelding met eromheen zwart. Nikon heeft ooit een objectief met een brandpuntsafstand van 6 mm en een beeldhoek van 220° gehad; het was de kortste brandpuntsafstand ooit voor kleinbeeld, maar het objectief woog ruim 5 kilogram en had een voorste lens van 220 mm diameter. Deze enorme bolle voorlens diende om ook het licht dat enigszins van achteren kwam op te kunnen vangen. Van vertekening van een beeld is sprake wanneer een lenzenstelsel rechte lijnen uit de werkelijkheid niet als rechte lijnen afbeeldt. Soms, zoals bij een Fisheye-objectief of digitale manipulatie, is vertekening met opzet aanwezig, meestal echter wordt geprobeerd vertekening te voorkomen maar lukt dat niet helemaal. Vertekening is een van de lensfouten waar een lenzenstelsel meer of minder mee behept is. In figuurlijke zin kan iemand een vertekend beeld van iets hebben, of kan een beschrijving een vertekend beeld geven. Er wordt dan ook wel gesproken van een bias. In de sociale psychologie zijn vertekende beelden belangrijk binnen de attributietheorie om motivate en gedrag van mensen te verklaren. Vertekende beelden kunnen het gevolg zijn van denkfouten.