Waspik is een dorp in de gemeente Waalwijk, Noord-Brabant (NL). In Waspik bevinden zich een aantal huizen met een hartteken in de voorgevel. Geen hartvorm in gesinterde steen, maar in reliëf, uitgevoerd in pleisterwerk of als (bak-)steen die in een hartvorm is gekapt. Het komt voor op 15 huizen, waarvan er tien oorspronkelijk als boerderijen zijn gebouwd en vijf als woonhuis vaak annex bedrijfsruimte voor een ambachtsman.
Grofweg ligt de bouwperiode van deze panden tussen 1775 en 1875. Het zijn in ieder geval allemaal huizen met een topgevel, een twee tot vijftraps kopgevelbekroning en een toppilaster. Op één uitzondering na bevindt de hartvorm zich direct onder het onderste puntje van de toppilaster en de kleur ervan is wit, geel, rood of zwart. De grootte van de hartvorm varieert rond 15 cm in de hoogte en 12 cm in de breedte.
Opvallend is dat in het aangrenzende dorp Raamsdonk geen enkel huis –meer- staat met een dergelijke hartvorm, in het andere aangrenzende Capelle: vier. In de vermelde bouwperiode was naar schatting 80% van de Waspikse bevolking katholiek.
Heel wat oude volkstradities zijn erg langlopend. Soms waren ze wijd verspreid, soms bleven ze beperkt tot een lokaal of regionaal niveau. In de volksdevotionele sfeer vind je met betrekking tot gebouw-gevels nog sporadisch apotropaëische (bezwerend/beschermende) uitingen. Metselaars hebben steeds metselaarstekens aangebracht op bakstenen gebouwen, de smid kraste smidstekens op muurankers of voorzag jaartallen-ankers (zie ook Stadhoudersdijk nr.3), de boer schilderde met kalk tekens op de stalmuren etc… Als typische (oude) bouwtradities herken je in Waspik: het keren van de kopgevels naar de straat, de toepassing van brandgevels (met muren die boven het dakvlak uitsteken), het gebruik van anderskleurige stenen voor de raamcenters. Waar in regio's als het Heuvelland (West-Vlaanderen, België) vergelijkbare kleurtinten worden gecombineerd tot metselaarstekens gebeurde dit niet in Waspik. Gezien de vormgeving (combinatie van hart en pilaster) lijkt het een specifiek antwoord op een vraag en zijn ze mogelijk ook uitgevoerd door een zelfde metselaarsfamilie. Buiten Waspik was er misschien niet diezelfde duidelijke vraag hiernaar…
Al dan niet in combinatie met metselaarstekens komen er in gans West-Europa ook heel wat gevelinserties voor, al dan niet via recuperatie. Het idee om ‘iets’ anders mee in te metselen is helemaal niet vreemd. Het invoegen van een oud grafkruis, maskers, schaakbordstenen (in de regio Jutland-Brandenburg-Polen), Sheela na Gigs (GB-Ierland), het plaatsen van paardenschedels op daken, de plaatsing van daktuiltjes, de toepassing van donderbezems...
Dergelijke apotropaia werden (vanaf pakweg 1500) steeds geplaatst in gevels die zichtbaar waren vanaf de straat. En zeker nokeinden of tipgevels waren steeds een kwetsbaar gegeven bij storm, bliksem of brand. Bovendien stond hier in veel gevallen ook een (nu verdwenen) schouw die steeds een niet afsluitbare opening was voor boze geesten… De keuze van het plaatsen van een apotropaion in een tipgevel bij de nok is dan ook geen toeval. Vergelijk met wolfseindeversieringen in Oost-Nederland. Net als de verdikking dmv. een pilaster en het aanbrengen van enkele geveltrappen in se reeds een duidelijke constructieve versterking van het kwetsbare tipgevel-/nokeinde inhoudt.
Hartvormen (met punt zoals wij die kennen) in gevels vind je terug vanaf ca. 1500 en blijken gepaard te gaan met de opleving van de katholieke verering van het Heilig Hart. Waar deze link gelegd wordt, komt het hart dan ook overeen met duidelijk afwerende (metselaars)tekens als een recht kruis, een andrieskruis, een calvarie etc… Het Heilig Hart van Jezus als een veilige haven, die beschutting/bescherming garandeert... Een pracht van een apotropaion dat bovendien erg decoratief is. Hartvormen werden op diverse manieren toegepast en voorgesteld. De insertie van kleine hartjes als in Waspik blijft mij tot op heden als enig dergelijk voorbeeld bekend.
In protestantse middens verdwijnen deze tekens vanaf het laatste kwart van de zeventiende eeuw, maar kom je toch uitzonderlijk verwijzingen tegen naar de protestantse ‘trits’ (vb op de oude slotplaat Vrouwkensvaartsestraat 20, op de St. Jacobuskerk, Renesse, Zeeland) : geloof-hoop-liefde, waar het hartsymbool verwijst naar liefde. Veelal echter is de 'houden van'-betekenis die wij geneigd zijn er aan te geven, toch eerder recent.
De bezwerende bedoeling van de meeste van deze tekens lijkt duidelijk. Enkel de keuze van een bepaald symbool blijft soms vragen oproepen. Wij zijn geneigd te zoeken naar een concrete inhoud, een omlijnde betekenis, maar was die er wel altijd? Erg vaak blijken dergelijke tekens te schipperen langs spanningsvelden: bijgeloof of geloof, katholiek of niet, apotropaëisch of decoratief, een specifieke betekenis of niet, een vaste of een evoluerende betekenis of een betekenis die verschilt naar gelang de toepassing (zo wordt vb. een brandend hart ook als symbool gebruikt door de Augustijnen).... Bedenk dan dat dergelijke spanningsvelden het symbool net meer geschikt maken voor gebruik als bezwerend-beschermend apotropaion. Het 'geheimzinnige' als wapen tegen de onbekende gevreesde krachten.
Deze apotropaia waren ook niet altijd even duidelijk zichtbaar. Uitingen als gargouilles zijn een erg nadrukkelijke schreeuwerige boodschap. Maar zelfs erg grote metselaarstekens waren (zijn) niet altijd gemakkelijk herkenbaar. De kleurverschillen in de gebruikte stenen waren soms erg klein (vb. hartvormen in Leende). Gevels waren soms geschilderd of bekalkt. In een omgeving met mogelijke spanningen tussen katholieken en protestanten lijkt het mij logisch dat men bij de toepassing van een apotropaion zich wil richten naar boze geesten (die ieder klein teken wel zullen merken, cfr. smidstekens) en niet per se zijn anders-gelovige buren wil uitdagen. En is een hart met een discrete grootte dan geen voor de hand liggende oplossing, schipperend langs de verschillende spanningsvelden, maar toch duidelijk als boodschap voor wie het was bedoeld...?
Vergelijkend met metselaarstekens valt de uitvoeringsperiode samen met de overgang naar neo-toepassingen. Met de tijd evolueert de globale traditie van louter apotropaëisch naar decoratief, mogelijks met een latent resterende apotropaëische intentie. Zo gaat de woning: 'tVaartje 36 mee in de oude traditie. Of haar bewoners nog enige apotropaëische bedoeling hebben is een andere vraag!
- dank aan Jos Smits, heemkundekring Waspik, voor info en foto's.