Je voelt je niet zo lekker en je meet jouw temperatuur: 37,5 °C. Heb je nu koorts?
Een krokodil ligt graag in de zon. Waarom doet die dat?
Wie heeft de snelste hartslag: een muis of een olifant?
En waarom hebben olifanten grote oren?
Waarom houden vleermuizen een winterslaap?
De lichaamstemperatuur is de temperatuur die binnen in het lichaam heerst. Bij de mens varieert deze temperatuur tussen de 35,8°C en 37,5°C.
Door middel van verbranding van voedsel komt energie vrij waardoor de mens zijn inwendig lichaamstemperatuur nagenoeg gelijk kan houden.
We spreken van een constante lichaamstemperatuur waardoor alle lichaamsprocessen (bv. ademhaling, bloedsomloop, ...) optimaal kunnen doorgaan. Zowel zoogdieren (o.a. de mens) als vogels kunnen hun eigen lichaamstemperatuur regelen onafhankelijk van de omgeving. We noemen ze warmbloedige dieren.
Reptielen, vissen en amfibieën kunnen niet zelf hun eigen lichaamstemperatuur op peil houden en zijn hiervoor afhankelijk van hun omgeving. Deze dieren noemen we koudbloedig. Vergis jullie niet: het bloed van deze dieren is niet koud, maar wisselt met de temperatuur van de omgeving.
Bijvoorbeeld zal een krokodil zich dikwijls in de zon koesteren. Als hij na een tijdje is opgewarmd en bijgevolg zijn lichaamstemperatuur is gestegen, dan heeft hij voldoende energie opgedaan om te kunnen jagen en om zijn voedsel te verteren. Voor zijn activiteit is de krokodil dus afhankelijk van de omgevingstemperatuur.
Kan je aanpassingen bedenken die bijdragen tot het ontwikkelen van warmbloedigheid?
Hoe kan je voldoende warmte produceren en zo weinig mogelijk warmte verliezen?
Bekijk het filmpje.
Of dieren koudbloedig of warmbloedig zijn hangt af van twee belangrijke vragen.
Factoren die bijdragen tot warmteproductie (hoger metabolisme) zijn onder andere een goede opname en verkleining van voedsel (met bijvoorbeeld verschillende tanden en goed kauwen) en een snelle spijsvertering. Daarvoor is ook voldoende zuurstofgas nodig, dus efficiënte longen en een volledige scheiding van zuurstofarm en zuurstofrijk bloed komt ook goed van pas.
Om de warmte goed bij te houden zijn een isolerende laag (zoals pluimen, een vacht, vet), een regeling van de doorbloeding en een aangepast gedrag belangrijke factoren.
De kenmerken en aanpassingen van een organisme beslissen of dat organisme in een bepaalde omgeving kan overleven of niet. Sommige dieren zijn goed aangepast aan een koude omgeving, andere aan een warme omgeving. Een ijsbeer kan niet overleven in de woestijn, maar voelt zich prima op de Noordpool.
Mensen kunnen in heel wat omgevingen overleven, maar dat komt deels omdat we onszelf beschermen met aangepaste kledij. Ook ons lichaam zelf gedraagt zich anders bij lage dan bij hoge temperaturen. Bedenk maar eens wat er allemaal gebeurt en wat je spontaan doet als je het koud hebt...
Kleine warmbloedige dieren zoals muizen, koelen sneller af dan de veel grotere olifanten. Dit komt doordat ze in verhouding tot hun inhoud een relatief grote oppervlakte hebben. Ze verliezen dus relatief gezien meer warmte. Dat verklaart heel wat waarnemingen in de natuur: