Als je ziek bent, dan meet je je lichaamstemperatuur.
Bij de apotheek, in de auto, de oven ... kan je zien hoe warm het is. Of hoe koud.
We gebruiken de woorden temperatuur, warm en koud vaak door elkaar en dat is verwarrend.
De temperatuur van een voorwerp of een stof kan je meten met een thermometer. Het is een waarde die van belang is voor ons dagelijks leven. Ze geeft informatie over onze gezondheid, over wat we best aantrekken, over de werking van een apparaat, ...
Stoffen zijn opgebouwd uit kleine deeltjes. Deze deeltjes zijn constant in beweging.
Hoe meer de deeltjes bewegen, hoe hoger de temperatuur. Hoe minder de deeltjes bewegen, hoe lager de temperatuur. Temperatuur is dus een maat voor de beweeglijkheid van de deeltjes. Ze wordt uitgedrukt in graden Celsius (°C ) of Kelvin (K).
De begrippen warm en koud zijn relatieve begrippen. Ze drukken een gevoel uit. Als het in de zomer 15 °C is, vinden we dat koud, maar in de winter vinden we diezelfde temperatuur dan weer warm. De objectieve thermometer geeft in beide gevallen 15 °C aan. Warm en koud kan je niet meten en zijn dus geen grootheden. Je kan ze ook niet uitdrukken in een eenheid.
Opdracht: Woordzoeker temperatuur: https://ecourses.odisee.be/elearning/wp-admin/admin-ajax.php?action=h5p_embed&id=5506