John Tabé vertelt: 12-02-2026

Ik hoor Arnhem niet meer ademen.

Ik reis naar Arnhem. De trein glijdt over de rails. De tijd trekt als een koude mist door me heen. Dertig jaar geleden maakte ik dezelfde rit, maar nu lijkt alles harder en scherper. Het felle licht in de coupé en de koele letters op de schermen geven me de nodige informatie, maar raken me niet.

Dan komt het verlangen, zwaar en pijnlijk. Het drukt me neer. Ik herinner me de oude treinen met hun vier zitjes die als kleine kamers tegenover en naast elkaar stonden, de groene kunstlederen harde banken met hoge leuningen waarin je hoofd kon rusten. In dat gedempte licht vervaagden gezichten.

Wanneer Arnhem nadert, rijst het station als een ijzige kathedraal op. Op het perron hangt een grauwe stilte. De lucht voelt zwaar. De zwarte wachtkamertjes staren me leeg aan, als ogen die niets meer verwachten. Voor me gaapt het trappengat, een donkere mond waar reizigers in verdwijnen. Ik blijf even staan.

Mijn gedachten dwalen naar de jaren zestig en zeventig, toen de perrons nog warm waren van leven. Kleine kiosken, geuren van koffie en broodjes, stemmen die bleven hangen: “koffie-broodje-chocolaaaaade-melk.” Menselijkheid die je kon aanraken. Nu is dat alles verdwenen. Opgelost in een leegte die niemand lijkt op te merken. Het perron heeft zijn ziel verloren.

In de centrale hal vloeien wanden en vloeren in elkaar over, als de ruimte zichzelf heeft uitgewist. Het harde licht laat geen schaduw toe, geen plek om te schuilen. Het omhelst me niet; het laat me zweven in verdriet. Toch begin ik te lopen. Mijn voetstappen echoën als of ze niet van mij zijn. Het verleden volgt me als een stille last.

Bij de uitgang wacht Arnhem. Een ongezellig, rommelig centrum zonder de V&D, de Bijenkorf, de Slechte of de Gelderse boekenhandel. Het voelt als een plaats zonder betekenis.
Ik wil naar huis… naar Doetinchem.

De parasiet in het kabinet-Jetten >