Arnhem NS centraal station 1975
Arnhem NS centraal station 1975
John Tabé vertelt: 12-02-2026
Ik hoor Arnhem niet meer ademen.
Ik reis naar Arnhem. De trein snijdt over de rails. De tijd trekt als een koude mist door me heen. Dertig jaar geleden maakte ik dezelfde rit. Nu is alles harder. Scherper. Onverbiddelijker.
Het licht in de coupé is fel en meedogenloos. De schermen tonen exacte, kille informatie. Vertrektijden. Spoornummers. Aansluitingen. Alles klopt. Niets raakt. Waar ooit beleving zat, heerst nu organisatie.
Dan slaat het verlangen toe. Zwaar. Pijnlijk. Het drukt me neer en laat niet los. Ik zie de oude treinen weer voor me: vier zitjes als kleine compartimenten, tegenover en naast elkaar. Groene kunstlederen banken, hard, met hoge leuningen waarin je je hoofd kon laten rusten.
Arnhem nadert. Het station rijst op als een ijzige kathedraal van glas en staal. Op het perron hangt een grauwe stilte. De lucht weegt zwaar. Zwarte wachtruimtes staren me aan als lege ogen. Voor me opent zich het trappengat, een donkere mond die reizigers inslikt. Ik blijf staan. Even.
Mijn gedachten gaan terug naar de jaren zestig en zeventig. Perrons vol leven. Kiosken. De geur van koffie en warme broodjes, stemmen die bleven hangen: “Koffie! Broodje! Chocolademelk!” Menselijkheid die tastbaar was. Nu is ze verdwenen. Het perron heeft zijn ziel verloren.
In de centrale hal vloeien wanden en vloeren in elkaar over, alsof de ruimte zichzelf heeft uitgewist. Het harde licht duldt geen schaduw. Geen beschutting. Het troost niet. Toch loop ik verder. Mijn voetstappen echoën, alsof ze niet van mij zijn. Het verleden volgt me als een last die weigert te verdwijnen.
Bij de uitgang wacht Arnhem. Een centrum zonder ankerpunten. Waar ooit V&D stond, waar de Bijenkorf de straat optilde met licht, waar De Slechte en de Gelderse Boekenhandel ademden naar papier en stof, heerst nu stilte. Geen namen meer die je vasthouden. Geen etalages die fluisteren dat je even mag blijven.
Ik wil naar huis. Naar Doetinchem.
John Tabé vertelt >