Ik weet wat collectieve goederen zijn en ik kan drie redenen noemen waarom de overheid deze zelf regelt.
Ik kan het verschil uitleggen tussen de collectieve sector en de particuliere sector.
Ik kan uitleggen wat marktwerking is en wat er gebeurt als bedrijven met elkaar moeten strijden om de klant.
Ik kan uitleggen wat er gebeurt als de overheid een taak privatiseert en ik ken hiervan de voor- en nadelen.
Ik weet wat inspraak is en ik kan uitleggen waarom de overheid het belangrijk vindt als jongeren meedenken over de toekomst.
Ik kan uitleggen hoe de overheid het gedrag van mensen probeert te veranderen met accijns en subsidies.
Ik kan de kenmerken noemen van een vrije markteconomie, een planeconomie en een sociale markteconomie.
Ik kan uitleggen in wat voor soort economisch systeem wij in Nederland leven.
Ik weet wat het bbp is en ik kan uitleggen hoe de overheid hiermee de economische groei van een land meet.
Ik kan de conjunctuurgolf tekenen en de begrippen hoogconjunctuur, laagconjunctuur en recessie op de juiste plek zetten.
Ik kan uitleggen wat de gevolgen zijn voor de werkloosheid en de belastinginkomsten als het slecht gaat met de economie.
Ik weet wat de taken zijn van het CBS, het CPB en de SER en ik kan uitleggen hoe zij de overheid helpen.
Ik kan uitleggen wat een verzorgingsstaat is en ik weet wat het solidariteitsbeginsel hiermee te maken heeft.
Ik weet wat de sociale zekerheid is en ik kan het verschil uitleggen tussen een sociale verzekering en een sociale voorziening.
Ik kan het verschil uitleggen tussen een volksverzekering en een werknemersverzekering en ik kan van beide een voorbeeld noemen.
Ik weet wat het sociaal minimum en de bijstandsnorm zijn en ik kan uitleggen waarom deze bedragen per persoon kunnen verschillen.
Ik kan met een berekening de i/a-ratio uitrekenen als ik het aantal actieven en inactieven weet.
Ik kan uitleggen wat de gevolgen zijn voor de werkenden als de i/a-ratio stijgt.
Ik weet wat vergrijzing is en ik kan uitleggen waarom dit een probleem is voor de betaalbaarheid van de AOW.
Ik weet wat er gebeurt op Prinsjesdag en ik ken het verschil tussen de Miljoenennota en de Rijksbegroting.
Ik kan het verschil uitleggen tussen directe belastingen en indirecte belastingen en ik kan van beide twee voorbeelden noemen.
Ik weet wat de Ozb is en ik kan uitleggen aan wie je deze belasting betaalt.
Ik kan met een berekening bepalen of de overheid een begrotingstekort of een begrotingsoverschot heeft.
Ik ken de twee EMU-regels over het begrotingssaldo en de staatsschuld en ik kan met een berekening controleren of een land zich aan deze regels houdt.
Ik kan uitleggen waarom een hoge staatsschuld nadelig is voor de andere uitgaven van de overheid door de rente die betaald moet worden.
Ik weet wat loonheffing is en ik kan uitleggen uit welke twee delen dit bedrag bestaat.
Ik kan uitleggen waarom de overheid loonheffing elke maand alvast inhoudt op je loon.
Ik weet wat het verschil is tussen je brutoloon en je nettoloon.
Ik kan het belastbaar inkomen uitrekenen met de formule: bruto jaarinkomen + bijtellingen - aftrekposten.
Ik weet wat het eigenwoningforfait is en ik kan uitleggen waarom dit een bijtelling is voor mensen met een eigen huis.
Ik kan voorbeelden noemen van aftrekposten en ik weet waarom mensen hierdoor minder belasting hoeven te betalen.
Ik kan met een schijventarief uitrekenen hoeveel inkomstenbelasting iemand over een heel jaar moet betalen.
Ik weet wat een progressief belastingtarief is en ik kan uitleggen waarom mensen met een hoog inkomen een hoger percentage betalen.
Ik weet wat de heffingskorting is en ik kan uitleggen waarom je dit pas aan het einde van de berekening van het belastingbedrag mag afhalen.
Ik weet dat de inkomstenbelasting is verdeeld in drie Boxen en ik kan uitleggen wat er in Box 1 en Box 3 wordt belast.
Ik kan de belasting in Box 3 uitrekenen als ik het vermogen en het heffingsvrij vermogen weet.
Ik weet wat het verschil is als je kijkt naar actieven en inactieven in Nederland.
Ik kan uitleggen wat er gebeurt met de inkomensverschillen als de overheid kiest voor nivellering of denivellering.
Ik weet wat de gevolgen van de vergrijzing zijn voor de mensen die nu aan het werk zijn.
Ik kan uitleggen waarom de overheid het belangrijk vindt als de inkomensverschillen in het land niet te groot worden.
Ik weet wat het draagkrachtbeginsel is en ik kan uitleggen waarom dit eerlijk wordt gevonden.
Ik weet wat het profijtbeginsel is en ik kan een voorbeeld noemen van een belasting die hierbij hoort.
Ik kan het verschil uitleggen tussen belastingontwijking en belastingontduiking.
Ik weet wat de motorrijtuigenbelasting is en ik kan uitleggen waar de overheid dit geld voor gebruikt.
Ik kan uitleggen waarom de overheid soms de belastingen moet verhogen als de zorgkosten in het land stijgen.
Klik op deze link om de Nearpod te openen
Code = LQZPM