Uit de cijfers valt te concluderen dat Havank de begintijdstippen van zijn verhalen redelijk eerlijk heeft verdeeld over ochtend (29%), middag (21%) en avond (29%).
Om te beginnen: de tijd van handeling. In 23 van de 28 boeken (82% ) noemt Havank in de eerste zinnen een tijdstip. Vrijwel altijd is het een aanduiding als ochtend of middag, een enkele keer gecombineerd met seizoen (‘voorjaarsochtend’) en een keer indirect (een vliegtuig staat ‘gereed voor de middagvlucht’). Een keer nog meer verdekt door iets te vertellen over de ‘geleidelijk verduisterende koepel daar in de hoogte’, waarmee hij de sterrenhemel in de vroege avond bedoelt. En vijf keer mogen we op de eerste bladzijde meeluisteren naar luidende klokken of meekijken op een horloge of het uurwerk op een kathedraal.
We moeten wel de aantekening plaatsen dat een verhaal (Vier vreemde vrienden) in de nacht begint. Dat zorgt voor de ontbrekende 3%. (In 18% van zijn boeken, 5 stuks, noemt hij geen tijdstip.)
Wat betreft de plaats van handeling is Havank trouwer aan zijn principes. In slechts drie van zijn 28 titels noemt hij niet expliciet een plaats. Een score van bijna 90%!
Het is een allegaartje van aanduidingen: steden (Londen), dorpen (Cagnes), landstreken (Frans Vlaanderen) en een keer zelfs een bewegende locatie: een rijdende trein ter hoogte van Willemsdorp, iets voorbij Dordrecht! Het wordt een stuk overzichtelijker als je de plaatsen indeelt naar land. Dan blijkt dat de boeken in precies de helft van de gevallen in Frankrijk beginnen. Dat verbaast ons niet.
In 14% van de boeken begint het verhaal in Nederland. Dat zou ik niet hebben voorspeld. Circus Mikkenie, Leeuwarden, natuurlijk. Maar twee keer Amsterdam, daar was ik uit het hoofd niet op gekomen. En dan die trein, je moet een expert zijn om dat spontaan te kunnen noemen. Het m.s. ‘Beatrix’ vlak voor de afvaart in Hoek van Holland is ook een leuke.
Engeland staat met 11% op de derde plaats. Opvallend is dat het verhaal in die Engelse gevallen in Londen begint. De sfeervolle Engelse countryside is door Havank kennelijk niet geschikt bevonden als startpunt voor een verhaal - maar een paar keer wel voor het vervolg. En de eerste zinnen van Menuet te middernacht, een verhaal dat toch voornamelijk in Engeland speelt, beschrijven het ontwaken van De Schaduw uit zijn siësta thuis, in Frankrijk.
Het rijtje plaatsen wordt gecompleteerd door vier eenlingen: Italië, de USA, Spanje en Rusland.
In de boeken komt de winter er bekaaid van af: 7%. De resterende procenten zijn behoorlijk regelmatig verdeeld: 25% lente, 29% zomer en 21% herfst. (In vijf boeken, 18% noemt Havank op de eerste pagina geen jaargetijde.)
Het jaargetijde is eenvoudig te turven. In 17 boeken noemt Havank een seizoen: lente, zomer, herfst of winter. Een enkele keer rept hij van het voorjaar. Ook komen hier combinaties voor: voorjaarsdag of zomermorgen. Ook noemt hij 13 keer een maand, soms heel precies met een datum erbij. Wanneer we die twee gegevens combineren, komen we tot 23 boeken waarin een seizoen te benoemen is. Dat het er geen 30 (17+13) zijn, komt doordat Havank in zijn drang tot volledigheid, in een aantal boeken niet alleen de maand, maar ook het seizoen expliciet noemt.
Bij het beschrijven van de weersomstandigheden, in 86% van zijn boeken, toont Havank zich een echte Nederlander.
Er zijn zo krankzinnig veel woorden die het weer kunnen omschrijven, dat het vrijwel onmogelijk is een classificatie te maken van alle mogelijke weersomstandigheden. Mist, nevel, koel, hitte, guur, nat, vlagende regen, grauw, ijl, huilende wind, zwoel, helder, mild, het houdt niet op. Voor mijn onderzoek kom ik uiteindelijk niet verder dan de uiterst subjectieve begrippen ‘aangenaam’, ‘onaangenaam’ en een enkele keer ‘neutraal’.
De bedoeling van de schrijver is immers ook subjectief. Het weer is bij uitstek een sfeerbepalend element. Vliegende stormen in de duisternis van novembernachten roepen een geheel andere sfeer op dan het felle zonlicht van een klare zomermorgen. De stemming van de lezer wordt zo mede door het weer bepaald en de toon voor het verhaal is gezet.
Door deze categorisering blijf ik dicht bij de functie van de beschrijving van de weersomstandigheden, al blijft deze indeling subjectief. De cijfers wijzen uit dat Havank ons in 53% van zijn verhalen aangenaam weer voorschotelt. In 4% noemt hij het weer wel, maar is de waardering neutraal. Hij noemt het weer bijvoorbeeld een keer ‘fatsoenlijk’.
In 29% van de verhalen is het begin uitgesproken onaangenaam, qua weer. Dan stormt het, is het koud, striemt de regen en, alsof dit nog niet ellendig genoeg is, speelt het zich ook nog eens in een, soms helse, duisternis af.