Doctoraalscriptie Wijsgerige Ethiek
Begeleider: Drs. C.G. Bremmers
Katholieke Universiteit Nijmegen
Jan G. Roza
Nijmegen, december 1995
1 HET ROUWEN
1.0 Vooraf
In dit gedeelte worden ter informatie enige belangrijke aspecten van het rouwproces zeer beknopt en daardoor onvolledig naar voren gebracht, waarbij gebruik wordt gemaakt van de opvattingen van diverse psychologen, zoals Lindemann, Ramsay, Worden, Engel, Nancy O'Connor en van de gynaecoloog Keirse. Zeer bekend is het eerste systematische onderzoek van het rouwproces door Lindemann. (Voetnoot: Lindemann, E., Symptomatology and management of acute grief. American journal of Psychiatry, 101, 141-148, 1944).
Benadrukt zal worden dat alle bovengenoemden als doelstelling van het rouwproces beschouwen, dat rouwenden zo snel mogelijk, met name om pathologisch gedrag te voorkomen, zich op een bepaalde manier behoren te herstellen van de klap in hun leven om te komen tot integratie in de maatschappij.
Hierna wordt aandacht gegeven aan het door verdrietigen veel geraadpleegde boek van Ter Horst die ook dezelfde doelstelling heeft, maar die tot mijn grote verbazing opstandigheid ten opzichte van leed als beste houding naar voren brengt.
Bovendien is zijn boek interessant, omdat hij uitgaat van de vraag "wat moet een mens doen" en daarop ook "doe- antwoorden" geeft die over het algemeen door vele treurenden die absoluut niet weten, wat ze moeten doen en hoe ze met het sterven van een kind moeten omgaan, worden opgevolgd. (Voetnoot. W.ter Horst, Over troosten en verdriet, 3e dr., Kampen z.j.)
1.1 Het rouwproces verloopt in fasen
Vele auteurs beschrijven het rouwproces in fasen. Parkes (Parkes,C.M. The first Year of bereavement, 440-470, 1970) en ook Bowbly( Voetnoot, J.Bowbly, Processes of mourning, in: Internat. Journ. Psychoanalysis 42 (1961) 317-340) geven een duidelijke beschrijving van het rouwproces in de volgende vier fasen:
1. Verdoving en verbijstering
2. Smachtend verlangen en zoeken naar de overledene
3. Desorganisatie en wanhoop
4. Reorganisatie
- De fase van de verdoving, waarin het verlies in zijn volle waarheid nog niet doordringt, treedt onmiddellijk op na het verlies en duurt volgens Parkes enkele uren tot enkele weken.
- Daarna komt de tweede fase waarin men hevig verlangt dat de gestorvene terugkeert. Het is de fase van het intense verdriet, in het engels goed weergegeven met "pangs of emotion".
- In de derde fase is de verdrietige mens vaak eenzaam, wanhopig en gedesoriënteerd, waardoor hij niet in staat is goed te functioneren in het gewone dagelijkse leven. Het besef dringt door dat de geliefde persoon definitief uit het leven is verdwenen en dat alle activiteiten zonder hem moeten plaats vinden. Er vindt een desorganisatie plaats omdat oude patronen moeten worden opgegeven, terwijl er nog geen nieuwe zijn, waardoor er depressiviteit ontstaat en men zich terugtrekt uit allerlei sociale activiteiten.
- Uiteindelijk gaat men over in de laatste fase van de rouw. De gestorvene wordt geleidelijk losgelaten en er ontstaat een nieuwe betrokkenheid bij mensen en gebeurtenissen. In het leven ontstaan andere patronen vanuit een acceptatie dat de ander niet meer terugkeert, hoewel dat samengaat met steeds terugkerende gevoelens van eenzaamheid en verdriet.
Deze reorganisatie is door Bowbly en Parkes beschreven vanuit een theoretisch kader waarin cognitieve processen centraal staan: Er vindt een herdefinitie plaats van zichzelf en van de situatie en men past zich aan, aan de gewijzigde situatie. In feite beginnen de nabestaanden nieuwe rollen op zich te nemen. Het gehele netwerk van verwachtingen, opvattingen en gedragingen wijzigt zich.
1.2 De opvatting van de psycholoog Worden.
Worden ( Voetnoot J.W. Worden , Grief counseling and grief therapy, London, 1983) heeft de opvatting dat bij de indeling van het rouwproces in fasen de nadruk te veel gelegd wordt op de passiviteit van de rouwenden. Hij is van mening dat het van wezenlijk belang is voor het goed verlopen van het rouwproces dat de rouwende mens actie onderneemt en handelend optreedt ten aanzien van het verwerken van het verlies en het omgaan met verdriet. Hij stelt dat de rouwende noodzakelijkerwijs vier taken uitgevoerd moet hebben, voordat de rouw voltooid is.
Als deze vier taken niet vervuld worden ontstaat volgens Worden - en hij poneert dat met grote stelligheid - een storing in de verdere groei en de ontwikkeling van de mens.
Hij beschrijft de volgende vier taken die in een zekere volgorde uitgevoerd moeten worden: ( Voetnoot Zie Keirse p.35)
1. Aanvaarden van de realiteit van het verlies.
2. Ervaren van de pijn van het verlies.
3. Zich aanpassen aan de omgeving zonder de overledene.
4. Emotionele energie losmaken van de overledene en herin- vesteren in nieuwe relaties.
- Het aanvaarden van het feit dat een geliefde gestorven is, ziet Worden dus als een eerste taak, een eerste activiteit van een treurend mens tegenover het ontkennen van het gebeuren door het te negeren of te minimaliseren.
- Als tweede taak ziet Worden het ervaren van de pijn van het verlies. Hij is van mening dat de meesten pijn niet toelaten, maar er aan proberen te ontkomen. Volgens Worden (en ook Parkes) is het noodzakelijk de pijn van het verdriet te voelen en niet te onderdrukken of te vermijden, want dat verlengt het rouwproces. Als deze taak niet goed wordt voltooid, kan in het latere leven psychotherapie vereist zijn, maar dan is het vaak veel moeilijker en ingewikkelder de pijn alsnog op te roepen en te ervaren.
- Het zich aanpassen aan de omgeving zonder de overledene is de derde taak. De derde taak is volgens Worden mislukt als men niet in staat is bepaalde vaardigheden te ontwikkelen om zonder de gestorvene weer te functioneren in de maatschappij en te voldoen aan maatschappelijke verplichtingen.
- Worden ziet de vierde taak waarin men de emotionele energie losmaakt van de overledene en richt op een andere relatie als de moeilijkst te verwezenlijken. Velen vinden volgens hem deze taak zeer moeilijk, omdat ze bang zijn daarmee de overledene oneer aan te doen. Bovendien bestaat er angst voor het opnieuw optreden van verlies , zodat men zich niet meer bindt en zelfs geen liefde meer kan geven of ontvangen. Keirse (Voetnoot Keirse p.37) stelt dat velen op dit punt vastlopen in hun rouw en dat ze later vast moeten stellen dat "hun leven in zekere zin gestopt is op het moment van het verlies".
Volgens Worden is het rouwproces voltooid als de vier taken zijn vervuld, maar bij een verlies van iemand met wie men een diepe relatie had, duurt dit zeker twee jaar. Tot mijn verbijstering noemt hij als criterium van een goede verwerking dat men aan de persoon van de overledene kan denken zonder pijn. Hij benadrukt dat het eindresultaat van het rouwen integratie in de maatschappij is.
1.3 De opvatting van Ramsay
Ook Ramsay stelt dat er vrij algemene reacties bestaan op een verlies.( Voetnoot, Ron Ramsay, Over rouw, rouwverwerking en zelfhulp na de dood van een kind, Ouders van een Overleden Kind 1982). Volgens hem is het zinnig de algemene kenmerken van een rouwproces te weten, want dan is het mogelijk het beter te begrijpen, beter te hanteren en het beter te beïnvloeden.
Hij benadrukt dat na de schok, de desoriëntatie en de desorganisatie de mens kan komen tot reïntegratie in de maatschappij, onder voorwaarde dat hij in staat is de heftige gevoelens als verdriet, angst, schaamte, jaloezie, machteloosheid schuld, agressie en boosheid te verminderen en na een jaar te neutraliseren. In de periode van de reïntegratie is het noodzakelijk dat een mens talrijke keren afscheid neemt van zijn gestorven kind.
Zeer bekend is zijn confrontatiemethode, waarin hij benadrukt dat het noodzakelijk is de gevoelens en gedachten hoe pijnlijk ook toe te laten en er zo lang in te blijven dat ze vanzelf zwakker worden. Door confrontatie met het sterven van de geliefde, met de oorzaken van het sterven, met de manier van sterven, met de rol van de omgeving, en met de gang van zaken tijdens de crematie of de begrafenis, ontstaan de heftigste gevoelens. Ramsay kiest voor deze harde confrontaties, omdat hij er van overtuigd is, dat het gevolg is, dat de gevoelens langzamerhand neutraliseren en verdwijnen.
Volgens hem is dan na gemiddeld dertien maanden het verwerkingsproces afgesloten.
De gehele methode is er op gebaseerd dat verdrietigen hun verdriet verwerken met name door confrontatie met wat er gebeurd is, zodat ze weer normaal kunnen functioneren in de maatschappij.
1.4 Verdriet is een ziekte
Omdat door vele psychologen verdriet om een verlies door sterven
als een ziekte wordt behandeld, geef ik daaraan aandacht.
1.4.1 De opvatting van G.L.Engel
Volgens Engel (Voetnoot l,G.L.,Is grief a disease? p 18 -32, 1961.) is het verlies van een geliefd persoon even traumatisch als een ernstige ziekte of verwonding. Rouw is volgens hem een afwijking van de gezondheid, waarvan een mens met behulp van de beste middelen zo spoedig mogelijk moet genezen. Het gaat er om de treurende mens weer terug te brengen tot een toestand van evenwicht, zodat hij weer gewoon als vroeger kan functioneren in de maatschappij.
1.5 De opvatting van Ter Horst
1.5.1 Mogelijke antwoorden op leed
Ter Horst die van mening is dat verdriet een van de vele mogelijke reacties op leed is, plaatst om meer helderheid te verkrijgen in de veelheid van mogelijkheden de antwoorden op drie assen.
(Voetnoot, W. ter Horst, Over troosten en verdriet, derde druk, Kampen, z.j.hoofdstuk 3)
De eerste as loopt van aanvaarding naar niet aanvaarding.
Over de mens die het leed aanvaardt zegt Ter Horst het volgende:"Zo gaat het in het leven, het is nu een maal zo. Leed hoort erbij. De mens wikt, God beschikt".
Wie het leed niet aanvaardt, protesteert en reageert aldus: Zo gaat het wel maar zo behoort het niet te gaan. Dit neem ik niet! Leed hoort er niet bij. (23).
De tweede as loopt van openheid naar geslotenheid.
De derde as gaat van inzet naar geen inzet.
Op de eindpunten van de assen ontstaan dan acht antwoorden op leed, zoals in het volgende overzicht wordt getoond.
1.5.2 De mogelijke antwoorden in schema
-inzet ------- opstandigheid
-open
-geen inzet -- verdriet
niet aanvaarden
-inzet ------ bitterheid
-gesloten
-geen inzet -- bevriezing
-inzet ------- onverstoorbaarheid
-open
-geen inzet -- berusting
aanvaarden
-inzet ------- wrok
-gesloten
-geen inzet -- kwijnen
1.5.3 Opstandigheid als de beste reactie op leed
De meest belangrijke en meest juiste reactie is volgens Ter Horst opstandigheid in een niet aanvaarden en zich actief verzetten tegen datgene wat leed veroorzaakt.
Verdriet als minder goede reactie op leed houdt in dat leed niet wordt aanvaardt, dat men leeft in hoop en dat men zich niet inspant het leed te overwinnen.
Bij herhaling brengt Ter Horst naar voren dat het belangrijk is geen genoegen te nemen met het leed, zich er niet bij neer te leggen en er niet in te berusten, want dan sluit die mens zich af voor de werkelijkheid. Bij hem staat het volgende hoog genoteerd zoals hij het uitdrukt op blz. 27. "Nee zeggen tegen het leed, er geen vrede mee sluiten, erin volharden dat het niet zo hoort". Vandaar dat hij opstandigheid boven aan in het schema plaatst.
Opm. Uit mijn gehele onderzoek zal blijken dat ik grote problemen heb met de opvatting van Ter Horst dat opstandigheid de beste nhouding is ten aanzien van leed.
2 Kritiek op het fasenmodel
2.0 Vooraf
De grondgedachte van het fasenmodel is dat een verdrietig mens een proces moet doormaken dat hoewel soms onregelmatig, in verschillende fasen verloopt, waarna het afgesloten kan worden.
Degene die geconfronteerd wordt met het verlies door de dood van een geliefd kind, maakt volgens deze theorie verschillende fasen door die, als het rouwproces goed verloopt, uitlopen op een aanvaarding van het verlies en een afsluiting van het rouwproces. De achtergeblevenen worden innerlijk vrij en kunnen ruimte creëren voor nieuwe bindingen, zodat ze na een betrekkelijk korte rouwperiode in staat zijn goed te functioneren in de maatschappij.
In dit gedeelte van het hoofdstuk wordt eerst een algemene kritiek gegeven ten aanzien van diagnostiek die uitmondt in het fasenmodel en vervolgens worden er vraagtekens bij geplaatst dat men op basis van bepaalde gedragingen komt tot pathologie.
Na deze algemene kritiek worden vervolgens enkele kanttekeningen geplaatst bij het beheersmatig karakter van het fasenmodel.
Tenslotte wordt aandacht gegeven aan het egocentrisch karakter van het fasenmodel
2.1 ALGEMENE KRITIEK
2.1.1 De diagnose ( Voetnoot. Deze kritiek is ondermeer ontleend aan het boek van Hermans die beroemd is geworden door het ontwikkelen van de zelfconfrontatie methode. Titel opzoeken)
- De diagnostiek die uitmondt in het fasenmodel heeft een klassificerend karakter, want op basis van algemene kenmerken van rouwenden komt men, afgaande op verdrietuitingen van een cliënt, tot een diagnose van het verdriet van die persoon en op grond daarvan tot een aangepaste therapie. In feite wordt de betreffende persoon beschouwd als een 'replicatiepersoonlijkheid': Deze persoon komt in zijn kenmerken overeen met andere personen dus beschouwen we hem eender en plaatsen hem in een fase van het rouwproces. Daar deze stellingname gegrond is op de idee van een vaststaande replicatiepersoonlijkheid is het volgens Hermans onmogelijk voldoende aandacht te besteden aan specifieke kenmerken van deze persoon in zijn unieke situatie en aan veranderingen die zich in een persoon voordoen. Het ontbreken van dit inzicht maakt het volgens Hermans onmogelijk een therapie te ontwikkelen die optimaal aansluit bij die betreffende persoon.
- De diagnose vindt bovendien veel te gemakkelijk en veel te snel plaats, want het is te weinig betrouwbaar als men aan de hand van een werkelijkheid, opgevat als objectief gegeven, oordeelt over iemands verdriet. Men heeft te weinig nagedacht over wat werkelijkheid is. Is dat de werkelijkheid van de psychologie of die van een verdrietig mens? Is dat de werkelijkheid, zoals die gedacht wordt door een filosoof, of is dat de werkelijkheid van alledag, of is dat de werkelijkheid die de werkelijkheid overstijgt, zoals die voorkomt in een dichterlijke inspiratie of een andere grondervaring?
- Vraagtekens worden er ook geplaatst bij het impliciete uitgangspunt dat men op basis van vele onderzoekingen van rouwenden, komt tot een gemiddeld gedrag op basis van de gegeven antwoorden. Een groot probleem is immers, dat men dat gemiddelde als het beste interpreteert. Deze vorm van diagnostiseren kan worden afgewezen want men kwantificeert antwoorden zonder rekening te houden met de kwaliteit ervan. Het lijkt onmogelijk, dat men op basis van een optelsom van ongelijkwaardige antwoorden (scores) komt tot een normering van verdriet. De achterliggende filosofie is mechanisch-analytisch en de psycholoog is een 'operator' die de procedure nauwkeurig dient uit te voeren. Naar analogie van de medische ziekteleer tracht hij de rouwende te genezen op basis van gediagnostiseerde problemen en uitgekiende therapie.
2.1.2 Pathologie
Het is problematisch dat psychologen op basis van specialistische kennis van rouwprocessen zich het recht toeëigenen te bepalen welk gedragingen, als normaal beschouwd worden, omdat ze overeenkomen met een statistisch gemiddelde en welke pathologisch zijn, omdat ze afwijken van dat statistisch gemiddelde. Naar mijn overtuiging vinden met name in de gedragstherapie dergelijke diagnoses vaak ongefundeerd plaats. Zowel de vaststelling van pathologie op basis van algemene normen, als de therapie die gebaseerd is op die diagnose, wordt afgewezen.
Wellicht wordt onderschat welke negatieve invloed het heeft mensen in nood te kategoriseren en te rubriceren. Het risico is niet denkbeeldig dat men de zwakte en de incompetentie van een verdrietige mens vergroot, en hem diep kwetst als men zijn langdurig en diepgaand verdriet pathologisch noemt. De alteriteit van een rouwende wordt dan gereduceerd tot een bepaalde categorie die beantwoordt aan door de wetenschap vastgestelde eigenschappen en kenmerken op basis waarvan een diagnose wordt gesteld, waarna medicijnen of een therapie worden voorgeschreven ter genezing. In feite legt men dan criteria aan op basis waarvan men komt tot systematische diskwalificatie en kleinering van mensen die bepaalde eigenschappen bezitten en "afwijkende" gedragingen vertonen.
Opvallend is dat rouw, in de American Psychiatric Association's Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Vol. 111, Washington, 1980.) als een depressie-achtig syndroom, gedurende de eerste drie maanden, wordt beschouwd als normaal en niet als een afwijking of een ziekte. Als dat gedrag zich echter binnen die tijd niet wijzigt, wordt (ook door hen) zulk gedrag als abnormaal en afwijkend beschouwd. Men is van mening dat, als dit gedrag langer voortduurt, het in de maalstroom van de pathologie terecht komt. Deze stellige diagnose is bevreemdend en voorbarig, omdat de mens door de eeuwen heen geconfronteerd is met onzekere en wisselende criteria van pathologie en gezondheid.
2.2 Kritiek op het beheersmatig aspect van het fasenmodel
2.2.0 Vooraf
In het volgende gedeelte worden kritische kanttekeningen geplaatst bij het fasenmodel, die in het vervolg van mijn onderzoek nog uitvoerig aan de orde komen
2.2.1 Het intellectualisme
Een vierde bezwaar tegen het fasenmodel is dat deze theorie een intellectualistische inslag heeft. Achter dit model steekt de wetenschapsman die het rouwproces cognitief wil plaatsen en zo duidelijk mogelijk wil diagnostiseren, construeren, ordenen
en verklaren. Een dergelijke psycholoog is zo druk bezig met het organiseren en rangschikken van gegevens, dat hij nauwelijks oog kan hebben voor de verdrietervaring van de verdrietige zelf.
Zonder daar uitgebreid op in te gaan wil ik benadrukken dat aan een professioneel helper twee voorname eisen gesteld worden nl. het persoonlijk engagement en de deskundigheid om de juiste hulp te kunnen bieden in het begeleiden van een levensproces van een mens in nood. De professionele helper zal zich buiten zijn strikte professionele rol moeten begeven om een contact van persoon tot persoon te doen lukken.
2.2.2 Autonomie
2.2.2.1 Het causa-sui beginsel
Het is bijna vanzelfsprekend dat het beheersmatige fasenmodel zonder enige bedenking kiest voor het eindpunt van het rouwen,, als een integratie in de maatschappij, door een autonoom persoon. Zowel het fasenmodel als de beheersmatige maatschappij zijn immers in hun te bereiken doelstelling gericht op het het goed functioneren in de maatschappij..
Ter verduidelijking verwijs ik naar de opvatting van Hollak die stelt dat hoe complex de westerse cultuur ook moge zijn, zij een eindeloze variatie is op één grondthema : het beginsel van causa sui.( Voetnoot J. Hollak, Van causa sui tot autonomie, Hilversum 1966). Dit causa-sui-beginsel komt volgens hem duidelijk tot uiting in het westerse moderne mensbeeld van een subject dat zichzelf ziet als autonoom en zichzelf handhaaft tegenover de dreiging van ziekte en dood. In het leven gaat het om zelf-handhaving, zelf-verwerkelijking, zelf-ontplooiing en autonomie. Dit causa-sui-beginsel is de basis voor de moderne rationaliteit. Bovendien leidt dit beginsel tot het verheerlijken van processen die zelfstandig kunnen optreden zoals automatiseringsprocessen en cybernetische systemen en tot een vertechnisering van de cultuur. Tenslotte leidt het causa-sui-beginsel tot het veilig stellen van de eigen belangen door onder meer het afsluiten van verzekeringen.
2.2.2.2 Bezwaren
Grote bezwaren kunnen ingebracht worden tegen het gegeven dat een (rouw)therapie gericht is op een dergelijke autonomie, terwijl er geen aandacht is voor andere aspecten van het rouwen, zoals de vraag of het sterven van een kind en het verdriet daarover van betekenis kunnen zijn voor het verdere leven en zo ja van welke betekenis dan.
Bovendien kan men er een kanttekening bij plaatsen dat er zonder discussie van uit wordt gegaan dat autonomie, die een mens in de ervaring van het lijden ontglipt, hersteld dient te worden, zodat een mens weer zo snel mogelijk in staat is tot optimaal functioneren in de maatschappij waarin echter nauwelijks of geen plaats is voor verdriet.
Deze doelstelling lijkt niet alleen te beperkt, maar men kan ook grote twijfels hebben over de juistheid er van, want het is
een belangrijke vraag of therapie inderdaad gericht moet zijn op versterken van autonomie.
Wellicht is het een misverstand in een dergelijke therapie, dat een mens de dingen, het gebeuren, het lijden, de angst, het heimwee in de hand moet hebben en dient te beheersen.(Voetnoot In mijn onderzoek komt dit probleem uitvoerig aan de orde)
2.2.3 Het egoïsme van verdriet
Er kan ook bezwaar gemaakt worden tegen tegen het feit dat men in de therapie die gebaseerd is op het fasenproces rouw te veel benadert als een losstaand niet goed verlopend proces. Men dreigt immers te vergeten, dat er geen twijfel mogelijk is aan het feit dat rouw veroorzaakt wordt door verdriet, en verdriet op zijn beurt door een verlies. (Voetnoot, Cornelis Verhoeven, Het leedwezen ..... p.17) De therapie is slechts gericht op het genezen van de cliënt en daardoor wordt versterkt dat verdrietig zijn een egocentrisch en wellicht egoïstisch gebeuren is. Dat rouwen een uiting is van liefde en verdriet ten aanzien van de gestorvene is nauwelijks aan de orde in het zakelijke fasenproces.
De liefde is echter van groot belang want zij heeft een dubbel funerair aspect. Aan de ene kant verzet zij zich tegen het sterven van een geliefde: "Beminnen is willen dat de beminde niet zal sterven." Gabriël Marcel zegt het treffend: "Aimer un être, c'est dire: toi, tu ne mourras pas." (Voetnoot Homo Viator, 205). Hoewel die liefde sterker wil zijn dan de dood, is de wens in feite niets anders dan een poging, maar dan een die samen gaat met het smartelijk weten,- dat vaak genegeerd wordt-, dat die wens en die poging tot mislukken gedoemd zijn. (Voetnoot Verhoeven, 28). Aan de andere kant houdt die liefde de bereidheid in na de dood van de geliefde te rouwen.
Verhoeven zegt het aldus: "Een geliefde is bij definitie iemand, die zal treuren als wij gestorven zijn, iemand dus, wiens bestaan zozeer in het onze doordringt, dat de dood van de een, ook voor de ander een dood betekent." (Voetnoot Verhoeven , Het leedwezen p.30)
Wanneer de rouw in een voorspelbaar model wordt geplaatst met de bedoeling een verdrietig mens te verlossen van zijn rouw en van zijn verdriet, gaat men volledig voorbij aan het feit dat
het belangrijk is te gedenken en zich te herinneren vanuit een liefde, die er onder meer op gericht is dat de overledene niet vergeten wordt. Zolang er nog iemand is die zich zijn naam herinnert, is de gestorvene immers niet helemaal verdwenen en weggevlakt.
In dit verband is het belangrijk om te signaleren, dat in tegenstelling tot de Duitse, Franse, Britse en Belgische inscriptie op de graven van de vele soldaten die gesneuveld zijn in de wereldoorlogen: "Onbekende soldaat, gesneuveld voor het vaderland", de Britse luidt: "Known unto God." Eigenlijk betekent dit dat de soldaat die daar begraven ligt, niet helemaal onbekend en anoniem is en dat zijn naam moet blijven bestaan.
In het volgende hoofdstuk probeer ik meer zicht te krijgen op de utope van een beheersmatige maatschappij door een omweg te maken naar een roman van Mas Dendermomde: De wereld gaat aan vlijt ten onder.
3. Een omweg naar een roman om het verzet tegen het ideaal van het beheersmatige te versterken
3.0 Vooraf
In dit gedeelte geef ik aandacht aan een boek van Max Dendermonde
waarin hij op literaire wijze het beheersmatig denken aan de kaak stelt. Ik maak die kleine omweg omdat ik het huidige beheersmatig denken en de steeds grotere invloed van techniek en wetenschap als een bedreiging beschouw voor de ontwikkeling van de mens.
Vervolgens trek ik de conclusie dat het beheersmatig denken met name de treurende mens bedreigt.
3.1 Een utopie
In de literatuur verzet men zich tegen het optimisme van het beheersmatige vooruitgangsdenken. Als voorbeeld daarvan dient de roman van Max Dendermonde, De wereld gaat aan vlijt ten onder, waaraan door Achterhuis in een lezing aandacht wordt besteed vanuit de gedachte dat de ideale samenleving, waarin de mens heer en meester is, zich weerspiegelt in de verschillende utopieën die samenvallen met de lange weg naar vooruitgang. (Voetnoot Zie Hans Achterhuis, In elke utopie schuilt een nachtmerrie, Filosofia lezing d.d. 1 april 1994).
De utopie waar Achterhuis op doelt, is een opvatting die als belangrijkste kenmerk heeft dat vanuit een vooruitgangsgeloof en een vast vertrouwen in de rede de ideale samenleving maakbaar is. Achterhuis stelt, en ik onderschrijf zijn opvatting, dat er binnen het beheersmatig denken een grote droom, een "utopie" aanwezig is en dat het uitgangspunt ten aanzien van het beheersbare van de werkelijkheid niets anders is dan een utopie, hoewel die als zodanig door verscheidene wetenschappers niet geac
cepteerd wordt. Volgens henzelf is de mogelijkheid van steeds grotere technocratische beheersing van het leven geen utopie maar een bereikbaar ideaal. Om zijn opvatting te onderstrepen verwijst hij naar een boek van Max Dendermonde.
3.1.1 De wereld gaat aan vlijt ten onder
In de roman van Max Dendermonde: De wereld gaat aan vlijt ten onder, komen de hoofdlijnen van een utopische maatschappij duidelijk naar voren. Alle beperkingen van de mens verdwijnen door toepassing van technische hulpmiddelen.
- Vader Pousekovsky heft de beperkingen van tijd en plaats op door de mogelijkheid te creëren dood en levend materiaal radiatomisch te verplaatsen. Vliegtuigen zijn overbodig en legers kunnen in een oogwenk overgebracht worden naar bedreigde punten. De natuurlijke omgeving van de mens wordt terwille van de mens door de techniek omgevormd en tijd en plaats spelen geen rol meer van betekenis.
- Stiefzoon Bert ontwikkelt een vertaalmachine die elke taal in een andere gewenste taal kan overzetten, met de uiteindelijke bedoeling te komen tot één taal voor alle mensen.
Hiermee is de bouw van de toren van Babel te vergelijken, want de mens die deze toren tot in de hemel wilde laten reiken- het beeld van een utopie- was één van taal en spraak. Ook de hedendaagse techniek zoekt naar een uniforme communicatietaal die voor iedereen beschikbaar en te begrijpen zal zijn. De moderne vertaalmachine en het streven naar één computertaal heeft als hoofddoel dat de mensen elkaar altijd en overal verstaan.
- Dochter Helen zoekt naar de mogelijkheid dat alle mensen zich onder alle omstandigheden happy kunnen voelen en ontdekt daartoe een synthetisch hormoonpreparaat. Deze chemische aanpak om te komen tot geluk vinden we ook bij Huxley (Brave New World). Het gaat bij beiden om een samenleven in een fantastische harmonie. Mocht iemand toch ongelukkig dreigen te worden dan is er in de heerlijke nieuwe wereld van Huxley altijd nog de wonderpil soma die alle ellende als sneeuw voor de zon doet verdwijnen.
- Stiefzoon William tracht een spiegel te ontwikkelen waarin alles op aarde en in het heelal te zien valt. Er zijn geen geheimen meer, want alle gebeurtenissen zijn zichtbaar.
Het zal duidelijk zijn dat het de bedoeling van de hele familie Pousekovsky is, door technologie en wetenschap de mens te verlossen van zijn beperkingen, en ongeluk definitief uit te sluiten.
3.1.2 Het individuele
Helen ontdekt echter als eerste de keerzijde van dit ideaal als zij in haar verliefdheid voor Alec Weatherhood, de hoofdpersoon van het boek, toegeeft aan haar verwarde gevoelens van liefde en verlangen. Met het bewust worden van het individu-zijn en in het besef van haar verlangens en andere gevoelens, verdwijnt de utopie. Op het eerste gezicht leek voor Helen het volmaakte geluk langs technologische weg bereikbaar door middel van farmaceutica of conditionering van de omgeving, maar dit blijkt schijn als er een echt individu optreedt, want dan wordt de utopie ontmaskerd.
3.2 Het moderne beheersmatig denken
Na de korte bespreking van de utopie als literair genre, geef ik nu enkele kenmerken van de moderne utopie van het beheersmatig denken
3.2.1 Het individuele verhaal verdwijnt
Volgens Achterhuis is een belangrijk kenmerk van de utopie van de beheersing van het leven door de techniek, dat er geen individuele verhalen verteld kunnen worden. Door de zeer sterke technische vooruitgang raakt het persoonlijke verhaal in de verdrukking, omdat het er niet zoveel meer toe doet. Met name voor lijdende mensen is dit een ontwikkeling die vervreemdend werkt, omdat zij juist aandacht vragen voor hun verhaal.
In het boek News from Nowhere (Voetnoot. schrijver opzoeken) waarin iedereen te pas en te onpas beweert: We feel so happy, is verhalen vertellen reactionair, want de mensen leven in een eeuwig heden zonder interesse voor verleden en toekomst. "Geen enkel gevoel mag te diep gaan, dat is maar sentimenteel en men leeft gemakkelijk, easy-going, in een eeuwigdurende vakantie. Er bestaat geen enkele ruzie en de opvoeding is anti-autoritair. Over de bewoners is geen enkel verhaal te vertellen.
Ook Orwell maakt in zijn beschrijving van Newspeak duidelijk, dat het in deze taal uitgesloten is tot associaties bij woorden te komen, zodat er alleen maar sprake kan zijn van eenduidige informatie-overdracht en ook hier verdwijnen de verhalen.
Ook de huidige computertaal als eenheidstaal belemmert het vertellen van verhalen, want iemand die zich moet bedienen van de mondiaal uniforme communicatietaal zal nooit tot een eigen persoonlijk verhaal kunnen komen.
3.2.2 De naam wordt onbelangrijk
Bovendien is een kenmerk dat de mensen die wonen in een moderne utopie, waarin veel beheerst wordt door de techniek meestal geen eigennaam hebben, maar aangeduid worden door een letter of een cijfer, waardoor persoonlijke verschillen wegvallen, omdat ze er niet toe doen. Te denken valt aan leger, ziekenhuis, inrichting, grote stad, universiteit, scholengemeenschap, multinationals en andere grote bedrijven, lopende band arbeiders, bejaardenhuizen, verpleegtehuizen, hotels, vermaakcentra etc., want ook daar gaat het om duidelijkheid en efficiency zodat mensen niet onder hun naam, maar onder een nummer in de computer worden ingevoerd en ook daar doen persoonlijke situaties en levensverhalen er steeds minder toe.
3.2.3 Er bestaan geen geheimen meer
Ook in de "Big Brother" van Orwell is in een of andere vorm een utopie aanwezig, namelijk in het gegeven dat alles voor iedereen zichtbaar moet zijn en dat er geen geheimen mogen bestaan. Ook Foucault verwijst hiernaar als hij stelt dat onze westerse maatschappij die gericht is op geluk panoptisch is, want als men het grootste geluk voor het grootste aantal mensen wil bereiken moet alles voor iedereen zichtbaar zijn. In onze moderne westerse maatschappij is deze aanwezig in de vorm van de informatietechnologie en de media die alles bloot leggen wat er maar bloot te leggen valt, zodat er geen geheimen meer zijn.
Iedereen heeft een eigen sofi-nummer en wordt daardoor zelf een nummer. Met behulp van een computer kunnen alle persoonlijke gegevens gekoppeld worden, zodat er geen geheimen meer bestaan. In zo'n beheersbare maatschappij verdwijnt de betovering om plaats te maken voor technologische beheersing. Velen denken te weten hoe de werkelijkheid in elkaar zit, maar de kunst, de literatuur en misschien ook de filosofie hebben te maken met datgene wat vóór het beheersbare ligt en dat het tegelijkertijd overstijgt.
3.3 De dreiging van de utopie van het beheersmatig denken.
Met enige nadruk verwijs ik naar het beroemde citaat van de Russische filosoof Berdjajew bij 'Brave New World' waarin hij zijn bezorgdheid uit voor de dreiging dat dergelijke utopieën, waarin de techniek en de wetenschap zegevieren, gerealiseerd worden, maar waarin hij tegelijk zijn hoop vestigt op met name intellectuelen om dat te verhinderen : "Utopieën blijken veel uitvoerbaarder dan men vroeger dacht. En wij staan tegenwoordig voor een heel wat angstwekkender vraag: Hoe kan men vermijden dat zij voorgoed worden verwezenlijkt? .....Het leven beweegt zich in de richting van utopieën. En misschien staan wij aan het begin van een nieuw tijdperk, waarin de intellectuelen en de ontwikkelde klasse zullen gaan zinnen op middelen om utopieën te voorkomen en terug te keren tot een niet-utopische, minder "volmaakte" en vrijere samenleving."
3.4 Een eerste conclusie
3.4.1 De utopie bestaat
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden, dat in de Westeuropese maatschappij het geloof in technocratische vooruitgang door middel van de rede sterk aanwezig is, en dat in die maatschappij weinig plaats is voor persoonlijk lijden.
Door de sterke vooruitgang van de techniek met name binnen de geneeskunde stijgt de gemiddelde leeftijd waarop mensen sterven, is pijn niet meer nodig door de mogelijkheid dat de patiënt bij pijn zichzelf computergestuurd zeer kleine doses medicijnen kan toedienen, kunnen veel te vroeggeborenen door technische ingrepen in het leven worden gehouden, is het mogelijk door ver doorgevoerde specialisaties mensen te opereren aan zeer ernstige kwalen, rukt het gebruik van medicijnen binnen de psychiatrie geweldig op, kunnen vrouwen zelf bepalen wanneer ze een kind 'nemen', en kan het leven op allerlei manieren bijna onuitputtelijk met behulp van de wetenschap gerekt worden. Binnen die maatschappij leeft de utopie dat het bijna onmogelijk is dat kinderen sterven en als het al gebeurt, is men er van overtuigd dat het nooit bij zichzelf plaatsvindt, maar altijd bij anderen.
3.4.2 De utopie wordt bedreigd, maar wint van een verdrietig mens.
Als er dan toch een eigen kind sterft, valt het kaartenhuis van de utopie volledig in elkaar en verdwijnt het geloof in zichzelf en in al die anderen die voortrazen in de carrousel van de westerse maatschappij. Sommigen stappen even, en anderen iets langer uit de draaimolen van de voortrazende jachtige massa, maar de meesten gunnen zich zelfs geen tijd om te troosten, omdat ze gericht zijn op andere prioriteiten. Ze ijlen voort in hun jacht naar status, bezit en geluk.
De verdrietige mens die treurt om zijn kind, wordt eenzaam, komt in een leegte terecht in een maatschappij die hij niet meer verstaat en die hem niet meer als verdrietige accepteert. Hij heeft de keus het verdriet te negeren en te ontkennen, opdat hij weer een plaats binnen de utopie heeft, of hij kiest voor het eenzame verdriet en voelt zich dan niet meer thuis in de westerse maatschappij. Uiteindelijk gaat hij ten einde raad naar rouwtherapie die hem weer terug wil voeren naar de beheersmatige maatschappij. In de beheersmatige benadering van het rouwproces wordt er immers van uitgegaan, dat verdriet manipuleerbaar is en dat de crisis waarin de verdrietige zich bevindt, zo snel mogelijk opgeheven dient te worden, zodat het voor de cliënt weer mogelijk wordt goed te functioneren in de maatschappij.
3.4.3 Een paradoxale situatie
In feite wordt hij geconfronteerd met een paradoxale situatie, want aan de ene kant wil hij terug naar de tijd dat zijn kind nog leefde, aan de andere kant kiest hij niet meer voor die situatie, omdat hij door de individuele verlieservaring geconfronteerd is met de waanzin van de utopische maatschappij, waarin hij desondanks toch leeft en waarbinnen hij bovendien ook ruimschoots gebruik maakt van de "weldaden" van de techniek.
Hoe kan hij leven in deze technocratische maatschappij en tegelijkertijd leven met zijn individuele verdriet en met zeer veel vragen, want vragen zijn er:
Waarom moest mij dit overkomen, waarom sterven jonge kinderen en blijven oude, zieke, gebrekkige, bejaarden, van wie er velen naar de dood verlangen, leven. Wat is de zin van zo'n kort leven? Hoe ga ik om met al die mysteries.
Hoe ga ik om met mijn eigen verdriet?
In de loop van mijn onderzoek komt met name de waarom-vraag uitgebreid aan de orde, maar eerst besteed ik in het volgende gedeelte ven dit hoofdstuk aandacht aan het troosten van verdrietigen, zoals dat onder meer in het genre van de 'consolationes plaats vond.
4 CONSOLATIONES
4.0 Vooraf
Nadat er in het voorafgaande gedeelte aandacht is besteed aan het bestrijden van rouw als gevolg van een verlies van een geliefde door de dood, wordt nu de blik gericht op het zoeken naar troost voor treurenden.
Allereerst wordt beknopt aangegeven dat de presocratische filosofie, in tegenstelling met het denken in de prefilosofische tijd, het lot van een mens tracht te verzachten door het te begrijpen en te verklaren. Belangrijk voor mijn onderzoek is, dat de macht buiten de mens, wordt afgebroken, terwijl er tegelijkertijd een macht in de mens (een autonomie) wordt opgebouwd.
Daarna wordt de blik gericht op de consolationes in het algemeen om daarna aandacht te geven aan een troostbrief van Servius Sculpius aan Cicero. Ik behandel de brief tamelijk uitvoerig, om dat ik me afvraag of een dergelijke brief mij zou troosten.
Hierna wordt ingegaan op de moderne RET therapie, omdat deze gebaseerd is op opvattingen van de Stoïcijnen.
Uiteindelijk vraag ik mij af, of deze omweg een verdrietig mens verder brengt in zijn omgang met het verlies van zijn kind door de dood
4.1 Het prefilosofische Griekse denken
In het Griekse denken zag in de prefilosofische tijd de mens zich als klein wezen in een universum dat volledig werd beheerst door goddelijke krachten. Bij Homerus onder meer werden de levens van mensen bepaald door de beschikking van de goden, zodat het duidelijk was, dat de mens zijn eigen leven niet in eigen hand had en zelfs zonder het te weten, meewerkte aan de eigen ondergang, zoals de dappere helden in de Griekse tragedies de eigen ondergang en het lot op heroïsche en tegelijk tragische wijze op zich namen.
Belangrijk is ook het begrip moira dat bij Homerus duidt op een macht die buiten de mens ligt en die later bij Hesiodos gepersonificeerd werd in de schikgodinnen: Atropos, Lachesis en Klotho.
Tegen deze macht buiten de mens ontstond verzet vanuit de filosofie, maar in feite ontstond er een nieuwe macht die niet buiten de mens, maar in de mens zich bevond.
4.2 HET TRAGISCHE WORDT OVERWONNEN DOOR DE MACHT VAN HET WETEN
De vroeg-Griekse filosofen verzetten zich tegen de opvatting
dat het lot van een mens in handen zou zijn van de goden of van bovennatuurlijke krachten. De Presocraten leggen de nadruk niet op het ondergaan van het lot, maar meer op het verklaren van datgene wat er gebeurt. Ook de socratische mens laat zoals Nietzsche het zegt in De geboorte van de Tragedie, de tragische levenshouding achter zich, omdat hij gelooft in de macht van het weten. ( Voetnoot Zie F.Nietzsche, Sämtliche Werke. Kritische Studienausgabe, Berlin 1980).
Volgens Martha Nussbaum is Plato op zoek naar een leven zonder broosheid en heeft hij de intentie het lot te beheersen door het op een streng rationale wijze te benaderen (Voetnoot, M.Nussbaum, The fragility of Goodness, Cambridge 1986).
Ook Runia benadrukt dat de Griekse filosofen vooral willen beheersen door te begrijpen en dat het ideaal niet is heroïsche beleving, maar rationele verklaring. Deze verklaring zet aan tot bepaald handelen, waardoor de menselijke kwetsbaarheid tot een minimum wordt teruggebracht.( Voetnoot. Douwe Runia,Noodlot, toeval en de ervaring van het kwade, In Het lot in eigen hand? onder redactie van Paul van Tongeren, Baarn 1994, 59)
4.3 De consolationes
Onder consolatio wordt in engere zin verstaan een geschrift dat opgesteld is naar aanleiding van een sterfgeval met als doel het verdriet van de nabestaanden te verminderen of zelfs te doen verdwijnen. In bredere zin is het geschreven met de bedoeling dat degene die het leest steun kan ontvangen bij allerlei tegenspoeden. (Voetnoot, R. Kassel, Untersuchungen zur griechischen und römischen Konsolationsliteratur, München 1985,p. 3)
Naast de filosofie heeft de retorica grote invloed gehad op het genre van de consolatio. De retoren legden namelijk vooral de nadruk op het opzetten van een methode voor het troosten en stelden allerlei eisen aan de woordkeus en de opbouw. Beroemd is hun bindende schema van lamentatio, laudatio en consolatio.( Voetnoot Ook in onze tijd zien we in de benadering van verdrietigen vaak dezelfde volgorde. Mem treurt mee, prijst de gestorvene en spreekt daarin en daarna troostende woorden).
Om wat meer zicht te krijgen op de manier van troosten wordt tamelijk uitgebreid aandacht geschonken aan een beroemde Stocijnse troostbrief, waarna een eerste commentaar zal worden gegeven.
4.3.1 Troostbrief van Servius Sculpius aan Cicero
Servius Sculpius schrijft aan Cicero een brief naar aanleiding van het sterven van zijn dochter Tullia.
- Na in de eerste volzinnen Cicero zijn medeleven betuigd te hebben, stelt hij hem de volgende vragen: "Hoe komt het toch dat uw persoonlijk verdriet u zo ontstelt? Bedenk, hoe tot nog toe de fortuin met ons gehandeld heeft; bedenk, dat ons ontnomen is wat de mensen niet minder dierbaar moet zijn dan hun kinderen: Het vaderland, het aanzien, de achting, onze ambten. Wat kon door deze ene onaangename gebeurtenis die er nu nog bijgekomen is, aan uw verdriet nog toegevoegd worden? Of welke door dergelijke zaken gehanteerde geest moet niet allang een soort eelt ontwikkeld hebben en alles voor betrekkelijk onbelangrijk houden?
Uit deze vragen komt duidelijk naar voren dat Cicero zich dient te beheersen, want de fortuin heeft hem al zo veel leed gebracht dat het verliezen van een kind het verdriet niet erger kan maken. Hij moet al eelt op zijn ziel hebben en de betrekkelijkheid van alles wat hem overkomt, inzien.
- In de volgende zinnen stelt de briefschrijver dat zijn dochter niet zo slecht af is, omdat het "in deze moeilijke tijden nog niet zo slecht vergaan is met hen, wie het vergund is zonder pijn het leven met de dood te verwisselen."
- De volgende alinea is een waarschuwing om niet te lang te lijden, want dat maakt het allemaal nog erger:
" Het is erg zijn kinderen te verliezen, maar misschien is het nog erger hieraan te lijden en te blijven lijden."
- Vervolgens verstelt de briefschrijver dat hij bij zijn terugkeer uit Klein-Azië de steden Aegina, Megara, Piraeus en Corinthe die eertijds bloeiende steden waren, daar nu totaal verwoest zag liggen in een woest landschap vol ruïnes. Hij vertolkt zijn gedachten aldus: "Ach moeten wij nietige mensen nu in opstand komen, wanneer iemand van ons wier leven uiteraard zoveel korter is, sterft of gedood wordt, wanneer op één plaats zoveel lijken van steden zomaar neerliggen? Zou jij, Servius, je niet klein voelen en bedenken dat je maar een mens bent?
- En dan komt een verbazende zin: "Geloof mij, door deze gedachte werd ik niet weinig bemoedigd. Hij geeft daarvan de volgende uitleg: Nog kort geleden zijn zoveel mannen van groot aanzien omgekomen, is afbreuk gedaan aan de macht van het Romeinse volk .... en is u nu ontredderd, omdat u afstand heeft moeten doen van het nietige leven van één zwakke vrouw?" De vrouw is blijkbaar maatschappelijk gezien van weinig belang en bovendien is het onjuist te treuren om het sterven van één mens als er zoveel anderen sterven of gestorven zijn. Cicero geeft door zijn lijden veel te veel aandacht aan het verliezen van één persoon, die ook nog een zwakke vrouw is.
- Bovendien, aldus de briefschrijver, zou uw dochter, omdat ze maar een mens is, als ze nu niet gestorven was toch over weinige jaren hebben moeten sterven.
In deze opvatting komt duidelijk het relativeren van het leven naar voren. Het kan er toch niet zoveel toedoen of een mens een paar jaar ouder wordt of niet. Ten opzichte van de eeuwigheid zijn die paar jaren immers te verwaarlozen. Het is eigenlijk uitstellen van verdriet als uw dochter was blijven leven.
- Daarna zegt Sculpius het volgende: "En u moet tenslotte niet vergeten, dat u Cicero bent en de man die gewoon is anderen te onderrichten en raad te geven. Nu moet u de raad, die u zelf aan anderen pleegt te geven, nu op uzelf toepassen en ter harte nemen." Het is blijkbaar vanzelfsprekend dat een man van een bepaald hoog niveau zich beheerst.
- Tenslotte zegt hij nog het volgende: Als de mensen in de onderwereld nog enig gevoel hebben, wil uw dochter vast niet dat u om haar verdrietig bent, want zij houdt van u.
Deze laatste opmerking ontneemt Seneca elke mogelijkheid tot verdriet, want als hij treurt gaat hij blijkbaar in tegen de wens van zijn dochter.
4.3.2 Verdriet moet verdwijnen door redeneren
In bovengenoemde brief komt duidelijk naar voren dat het sterven van een kind, moet worden afgewogen tegen andere situaties die wellicht nog erger zijn. In feite wordt het verdriet afgenomen.
Vervolgens wordt troost aangeboden en verdriet opnieuw afgenomen door er op te wijzen dat de dochter zonder pijn gestorven is.
Ook wordt gewaarschuwd niet te lang te lijden, want dat is zinloos en maakt het gebeuren alleen maar erger.
Bovendien is het treuren om één nietige vrouw niet terecht.
Tenslotte wordt verdriet ontnomen omdat het niet past bij een man als Cicero en bovendien zal de dochter verdriet om haar niet willen
Naar mijn opvatting zou een dergelijke brief bedoeld als consolatio mij niet troosten, maar diep wonden, omdat ik het doel, dat een mens leert op een verstandelijke manier het verdriet te beëindigen niet kan onderstrepen..
4.4 De huidige situatie
We zien een vergelijkbare opvatting in het fasenmodel, waarin een mens na het doorlopen van enkele vastgestelde fasen in een betrekkelijk korte tijd in staat behoort te zijn in de maatschappij terug te keren.
In feite sluit de brief van Servius Sculpius aan Cicero immers tamelijk goed aan bij de rationele en beheersmatige manier van omgaan met treurenden in onze tijd. Het probleem is echter dat vele treurenden het niet redden in de beheersmatige maatschappij. Ze gaan in grote getale naar zelfhulpgroepen of leven in eenzaamheid.
Na de vaststelling dat de therapie die gebaseerd is op het fasenmodel ontoereikend is, wordt de voorzichtige conclusie getrokken dat ook de consolationes niet toereikend zijn.
4.5 De RET therapie
Omdat de RET-therapie zich zeer snel uitbreidt en omdat deze therapie als rouwtherapie veel wordt gehanteerd, geef ik ruim aandacht aan deze belangrijke therapie.
4.5.1 De grondslag van de therapie
Stoïsche ideeën hebben hun actualiteit niet verloren. We vinden ze onder meer terug in de door Albert Ellis ontwikkelde Rationeel-Emotive-Therapie(RET). (Voetnoot Zie René Diekstra en Will F.M.Dassen, Rationele therapie Amsterdam 1976). De grondlegger van deze therapie, Albert Ellis, maakt duidelijk dat de ideeën welke ten grondslag liggen aan de rationele therapie gevonden kunnen worden bij de Stoïcijnen en met name bij Marcus Aurelius en Epictetus. Bij herhaling "citeert" Ellis uit het Encheiridon de volgende uitspraak: " Men are not disturbed by things themselves, but by the views they take of them".( Voetnoot (Voetnoot A.Ellis, Rational emotiv therapy: Research data that support the clinical and personality-hypothesis of RET and other modes of cognitive therapy, in: The Counseling Psychologist, 1977,7,14)
4.5.2 Leven volgens de rede
Hij onderstreept dat het gaat om te leven volgens de natuur en dat staat volgens hem gelijk met het leven volgens de rede en daarnaar vastberaden te handelen.
Ellis legt net als de Stoïcijnen nadruk op apatheia, maar amendeert hun opvattingen enigszins door te stellen dat menselijke emoties voornamelijk het resultaat zijn van denken, waarbij hij denken opvat als 'mental processing of words', kortweg self-talk genoemd.
Belangrijk in de therapie is, dat de mens door te analyseren ervaart waardoor die emoties eigenlijk zijn ontstaan, maar nog fundamenteler is, dat hij er naar dient te streven op rationele wijze controle over zijn emoties te verkrijgen en ze te beheersen. Belangrijk is daarbij alle irrationele oorzaken te ontdekken en uit te bannen. Volgens Ellis zijn emotionele en psychische stoornissen vooral het gevolg van onlogisch en irrationeel denken. Een mens kan zijn lijden verminderen als hij leert zijn rationeel denken te maximaliseren en zijn irrationeel denken te minimaliseren.
4.5.3 Een emotionele stoornis
Ellis spreekt van een emotionele stoornis, wanneer een persoon één of meer irrationele ideeën aanhangt, dat wil zeggen, opvattingen heeft, die niet met de werkelijkheid overeenkomen.
Belangrijk is dat naar zijn mening een emotionele stoornis niet primair ontstaat door een externe gebeurtenis, maar door een bepaald idee over de werkelijkheid. Zeer bekend is zijn ABC
ten aanzien van de anatomie van emoties waarbij A staat voor de gebeurtenis, B voor de houding ten aanzien daarvan en C de emotionele reactie er op. Deze volgorde impliceert dat de emotionele reactie niet het gevolg is van een gebeuren, maar van de houding ten aanzien daarvan.
Binnen het ABC van een emotie is er sprake van een emotioneel probleem, dus van een stoornis, als de houding ten aanzien van A gebaseerd is op irrationele ideeën die niet verifieerbaar zijn.
4.5.4 Gesprekken en trainingen zijn van groot belang
In deze therapie staat centraal het via gesprekken opzoeken, begrijpen en daarna betwisten en veranderen van een irrationeel idee. De therapeut is dus in deze aanpak directief en rationeel bezig met het beïnvloeden van zijn cliënt.
Opvallend en ook zeer interessant is dat Ellis gericht was op het veranderen van irrationele self-talk, dus van het taalgebruik van de cliënt, die hij trainde in het afleren van het irrationeel gebruiken van woorden zoals, verschrikkelijk, afschuwelijk., aangrijpend, overstelpend, en het aanleren van andere woorden die voortkomen uit een rationeel taalgebruik. In zijn opvatting komt naar voren, dat door het corrigeren van irrationele self-talk, irrationele ideeën worden afgeleerd. Hij ging zelfs zo ver dat hij, nadat hij de cliënt geconfronteerd had met zijn irrationele ideeën en irrationeel taalgebruik, met behulp van gedragsoefeningen bepaalde gedragingen afleerde en andere aanleerde.
Hoofdzaak in de therapie is de cliënt te leren op rationele wijze om te gaan met zichzelf en met de gehele werkelijkheid door rationele zelfanalyse, rationeel denken, rationele imaginatie oefeningen, waarbij de persoon gevraagd wordt het gebeuren zich voor te stellen. De therapie is gericht op specifieke rationele gedragsveranderingen, met de bedoeling dat de cliënt zich niet alleen in de huidige situatie, maar ook in een volgende moeilijke situatie zichzelf kan redden.
4.5.5 De aanpak is directief
In tegenstelling met veel non-directieve therapieën, geeft de therapeut directe concrete adviezen, geeft ook zijn interpretatie van bepaalde uitingen en gedragingen, waarbij hij zeer direct zijn goed- of afkeuring laat blijken. Hij confronteert met situaties waar de cliënten bang voor zijn en laat ze ontdekken dat de angst overwonnen kan worden door met datgene wat angst veroorzaakt rationeler om te gaan, zodat een ander gedrag ontstaat.
Grote uitbreiding van de therapie
De rationele therapie breidt zich geweldig uit en het aantal rationele therapeuten stijgt wereldwijd. De huidige maatschappij is blijkbaar een goede voedingsbodem voor een concrete, zeer directe, rationele en efficiënte therapie met duidelijk zichtbare en snelle veranderingen, waarbij de therapeut duidelijk en direct, zonder omhaal van woorden, zegt wat er fout is en ook concreet aangeeft, welke veranderingen er moeten plaats vinden.
De rationele aanpak van de Stoïcijnen werkt blijkbaar nog steeds, want in de Ret therapie gaat het er om het eigen gedrag met behulp van het verstand te beheersen. Men are not disturbed by the things themselves, but by the views they take of them. Een mens is niet verdrietig om een gebeuren, maar zijn verdriet wordt bepaald door de manier waarop hij daarnaar kijkt en in dat kijken moet hij zijn verstand gebruiken.
4.6 Hoe verder?
Net als de consolatio heeft de Ret-therapie de doelstelling dat de mens leert op een verstandelijke manier lijden te beëindigen. In feite heb ik tegen De RET therapie, in grote lijnen dezelfde bezwaren als tegen de therapie die gebaseerd is op het fasenmodel, alsook tegen de consolatio. Het is onnodig de bezwaren te herhalen, maar wellicht is het voldoende te zeggen dat de rationele benadering, die door velen geapprecieerd wordt geen enkele aandacht heeft voor het mysterie en voor datgene wat het verstand overstijgt. Uit mijn onderzoek zal blijken dat met name het geheim en datgene wat niet te begrijpen is van wezenlijk belang zijn. In het tweede en derde hoofdstuk kom ik daar uitvoerig op terug
Beide therapieën zijn ontoereikend. Daarom geef ik in een volgend hoofdstuk aandacht aan een totaal andere therapeutische benadering, maar eerst vraag ik mij nogmaals af, wat een mens in hemelsnaam moet doen, als zijn kind gestorven is en hij tobt met een ontzettend verlies en met vele vragen, waarop niemand hem kan antwoorden, terwijl hij zich niet thuis voelt in de westerse maatschappij, geen troost vindt in een geloof aan God, geen goede therapie kan vinden en zich alleen gelaten voelt door de meeste mensen rondom hem.
In een volgend hoofdstuk probeer ik wat meer verheldering te vinden hoe om te gaan met het sterven van een kind
5 Vragen naar waarom?
In dit kernhoofdstuk van mijn onderzoek verdiep ik me in de vraag die door treurenden zeer veel gesteld wordt, namelijk de vraag naar het waarom van het sterven van hun kind.
5.0 Vooraf
5.0.1 Een terugblik
In het eerste hoofdstuk heb ik enige informatie gegeven over psychotherapie die gebaseerd is op het principe dat rouwen fasengewijs verloopt met als laatste fase de herintegratie in de maatschappij. Daarna schonk ik aandacht aan het veelgeraadpleegde boek van Ter Horst die aan rouwenden praktische adviezen geeft in de vorm van doe-antwoorden.
In het vierde hoofdstuk richtte ik mijn blik op de'consolationes' die geschreven zijn met de bedoeling te troosten.
Zowel de psychotherapie, als de prakische adviezen als ook de consolationes vind ik van belang in verband met de mogelijke vermindereing van het diepe leed en de ontzettende pijn die ontstaat door het sterven van een geliefde, maar naar mijn mening zijn ze ontoereikend, omdat ze 'slechts' aandacht schenken aan het verminderen van leed en het verzachten van pijn.
5.0.2 Opzet van dit hoofdstuk
In dit hoofdstuk vraag ik mij allererst af, of het alleen maar gaat om de vraag naar de mogelijkheid van survival van verdrietigen.
Vervolgens wordt gezocht naar een andere vraag en wordt geconstateerd dat de waarom-vraag zeer vaak door treurenden wordt gesteld en dus een belangrijke vraag moet zijn. Het blijkt echter dat deze vraag door de treurenden zelf, door de wetenschap en het beheersmatig denken, wordt afgewezen.
In het volgernde gedeelte wordt gesteld, dat de waarom-vraag toch een goede vraag is, maar dan als 't volgt gesteld: Waarom gaat het, als een kind sterft?
Vervolgens wordt ontdekt, dat er toch nog een moeilijkheid is, omdat een mens die vraag zich niet kan toeëigenen.
In het laatste gedeelte wordt een poging gedaan dichter bij de opvatting te komen dat een mens geen vragen stelt, maar dat ze hem door de werkelijkheid worden gesteld, onder bepaalde voorwaarden. Om wat meer duidelijkheid te verwerven over de mogelijkheden dichter bij de werkelijkheid te komen, zodat een mens hoort waarom het gaat, wordt aandacht geschonken aan de grafrede die gehouden is op de begrafenis van Heidegger.
5.1 Consolatio en psychotherapie zijn ontoereikend
Ik stel de vraag of het sterven van een eigen kind slechts een onbarmhartig, verschrikkelijk, verbijsterend en verdrietig gebeuren is, of het alleen een nederlaag en een ontzettende pijn is, of dat het mogelijk is in het allerdiepste treuren, in de woestijn van het leven, in de nacht van het bestaan, iets anders te ontdekken of te ontvangen.
De situatie is echter precair, want, als een therapeut die wil genezen, door een verdrietig mens afgewezen wordt en als de rationele benadering van de Stoïcijnen niet geaccepteerd wordt en als God niet wordt beschouwd als de Grote Helper en als het ook niet gaat om het stellen van doe-vragen en zelfs niet om troost, wat blijft er dan nog over voor de overlevende die de liefde, de aandacht, de aanwezigheid, de woorden, de blik, het hele lichaam, de aanraking van de overledene op een indringende wijze, mist?
Is er een oplossing te vinden? Kunnen we de juiste vragen stellen?
5.2 Zoeken naar de juiste vragen
In de boeken en verhalen die treurenden schrijven over het sterven van hun kind staat regelmatig als belangrijke vraag Waarom? (Voetnoot Boeken noemen)
5.2.1 Waarom?
In het ene woordje 'waarom' liggen het wanhopig vragen, de immense verbijstering en ontzetting over het gebeuren en de antwoordloze stilte en leegte na de dood van een eigen kind. Steeds dieper dringt het tot de treurende door dat zijn kind nooit meer terug komt, dat hij geen antwoorden krijgt op de vele vragen en dat hij moet leven met gemis en leegte.
Hij zoekt naar steun om te leren omgaan met het onoplosbare probleem:
- In de eerste plaats kan hij de vlucht voor de dood in onze geseculariseerde maatschappij een uitweg uit het probleem noemen, maar in feite komt hij dan niet eens aan het echte probleem toe, hoewel aan de onbewuste vluchtreactie toch een probleeembeleving ten grondslag ligt.
- Een andere uitweg is de religie, voorzover ze de mens troost en verzoent met de dood, maar ook dat is voor hem geen uitweg. In de geseculariseerde maatschappij is de dood nog geen probleem, in de religie is de dood geen probleem meer. In beide gevallen heeft de dood zijn scherpte, dat wil zeggen, zijn onoplosbare problematiek verloren, maar dat geeft geen enkele steun.
- Ook een filosofie die door redeneren de dood een plaats in het leven wil geven helpt hem niet want ook deze ontwijkt het echte probleem van de dood.
Of de verlammende uitwerking van de dood wordt opgeheven door vergetelheid, door gelovige overgave, of door redelijke doordenking, steeds hebben we te maken met een poging een oplossing aan te reiken waar geen oplossing is. Daarmee wordt een treurende niet geholpen, want het echte probleem wordt ontweken. Hij blijft wanhopig vragen naar het waarom en uiteindelijk stopt hij daarmee
maar de vraag blijft knagen.
5.2.1.1 De vraag naar waarom wordt door treurenden afgewezen.
Hoewel mensen die geconfronteerd worden met leed, zelf allerlei vragen stellen, is het pijnlijk voor een nabestaande de waarom vraag, als zin-vraag, ten aanzien van het sterven van een eigen kind, voorgelegd te krijgen door een ander. Het is belangrijk te achterhalen hoe dit komt. Wellicht wordt de vraag niet goed gesteld, of wordt de vragensteller niet goed begrepen. Misschien suggereert de vraag, dat er in het sterven van een eigen kind iets goeds aanwezig zou kunnen zijn voor de treurende. De vraag zou immers kunnen slaan op de redenering dat het sterven van een kind, het leven zou kunnen verrijken. Een dergelijke suggesties wondt en wordt afgewezen, want een eventuele verrijking kan niet opwegen tegen zoveel verdriet. De verrijking van het leven kan immers nooit ten koste gaan van een eigen kind. Iedere treurende zou dan liever arm zijn gebleven. Het is absurd te accepteren dat een mens door het sterven van een eigen kind rijker zou kunnen worden. (Voetnoot In de loop van mijn betoog zal ik ver
duidelijken dat een ander de waarom vraag nooit kan stellen, omdat hij geen toegang heeft tot de werkelijkheid waar de vraag vandaan komt. Hij is nooit in staat de vraag goed te formuleren. Daarom zal zijn vraag nooit goed overkomen en kan hij beter zwijgen).
De reactie is volkomen legitiem, maar toch is het ingewikkelder. Ik wijs daarvoor naar een boek van de hoogleraar filosofie Nicholas Woltersdorff, waarin hij op indringende wijze schrijft over het plotselinge sterven van zijn zoon.
Hij schrijft in zijn boek op bladzijde 17 dat het ontaard verkeerd is dat een kind vóór zijn ouders sterft, maar op pagina 102 zegt hij het volgende: "Lijden kan ons goed doen - kan een zegen zijn, iets om dankbaar voor te zijn. Dat heb ik geleerd." Blijkbaar was het verschrikkelijke lijden van zo,n groot belang voor zijn leven, dat hij er dankbaar voor was.
Misschien geeft Wolterstorff hier een belangrijke aanwijzing. Daarom zet ik mijn zoektocht voort naar de meest belangrijke vraag.
5.2.1.2 De vraag naar waarom past niet in de wetenschap
In de moderne wetenschappelijke filosofie van het subject is het cogito vaak het funderende moment (Voetnoot Braidotti32). Wetenschappen worden gelegitimeerd door het feit dat de mens in staat is helder en transparant te denken volgens verificatie- en legitimatie voorschriften, doordat hij een verbond gesloten heeft tussen denken en bewustzijn. De zekerheid van het cartesiaanse cogito, waarin geen plaats is voor illusie, droom, waanzin en ervaring van het niet-denken (Voetnoot Br.69) verdwijnt als sneeuw voor de zon in een crisissituatie, waarin blijkt dat de situatie op geen enkele manier door de rede te beheersen valt. Het geloof in de hegemonie van het rationele zelf, als rationele legitimerende instantie, vervalt en de greep die het meent te hebben op de werkelijkheid is illusoir. De rationaliteit wordt grondig ter discussie gesteld en de illusie dat alles te interpreteren valt, zakt als een kaartenhuis in elkaar. Het vertoog, de wetenschap en de theorie geven geen echte mogelijkheden, tot het verstaan van b.v. het sterven van een eigen kind. Hoe meer de vragen over leven en dood systematisch beantwoord worden hoe verder een mens afraakt van datgene waar het om gaat in het leven en hoe oppervlakkiger hij omgaat met de wezenlijke vragen in het leven. Door te verklaren ontneemt men de dood zijn scherpte en laat men de onoplosbaarheid verloren gaan. Ik ervaar dat als een verlies terwijl de wetenschapper dat als winst ziet en als een vooruitgang van de wetenschap.
Het technisch discours is zelfs een gevaar, niet omdat het technisch is, maar omdat het suggereert dat een mens tot alles in staat is. Het kunnen dat de techniek ons voorhoudt, kleeft ons zo vast aan, dat wij ongevoelig worden voor ons niet-kunnen, voor het niet-beheersen. Daarmee neemt de techniek een spanning weg en dreigt te ontspannen en zorgeloos te maken, waar juist een spanning dient te zijn.
5.2.1.3 Het beheersmatig denken als antwoord op waarom wordt afgewezen
Essentieel voor het beheersmatig denken is dat de mens de beschikking heeft over een scherp verstand, een frisse drang voorwaarts en een goed gevulde gereedschapskist, want hij moet alles naar zijn hand kunnen zetten om het in de hand te kunnen houden. Waar dat niet lukt, geldt het motto, dat het nog niet lukt. Het uitbannen van verdriet is in deze opvatting een kwestie van tijd. Hoe beter de wetenschap verdriet kan interpreteren hoe minder verdrietig de mens hoeft te zijn. Verdriet kan via een wetenschappelijke logische en rationele bewerking causaal begrepen en daardoor met succes efficënt bestreden worden. In feite zoekt men naar een ethiek die zich baseert op de technocratische rationaliteit van beheersing en regulering.
Na de dood van God is de mens immrs genoodzaakt het heft zelf in handen te nemen op zoek naar zijn heil dat blijkbaar niet te vinden is in het hiernamaals, maar in het hier en nu. Het lijkt er op dat de mens steeds meer en meer na het geloof in God een maakbaarheidsgeloof aanhangt.
Met name het beheersmatig denken schiet tekort, omdat het juist het tekortschieten niet als probleem ervaart en ook niet wil ervaren omdat het alles wil oplossen. De waarom- vraag komt als niet-rationele vraag niet eens aan de orde
Ondanks bovenstaande problemen met de waarom-vraag, zet ik mijn zoektocht voort naar de belangrijkste vraag of vragen, omdat ik vanuit mijn voorverstaan niet accepteer dat het sterven van mijn kind geen zin zou heben en van geen betekenis zou zijn.
5.2.2 De belangrijkste vraag
Zonder ook maar de suggestie te willen wekken dat ik het verdriet niet helemaal serieus benader in zijn diepe ellende en zonder te suggereren, dat het niet belangrijk zou zijn van lijden verlost te worden, zoek ik verder naar de belangrijkste vraag of vragen die gesteld kunnen worden aan mensen die treuren om het verlies van hun kind.
Voordat ik mijn zoektocht voortzet benadruk ik echter eerst dat het sterven van mijn kind op indringende wijze werkzaam is in mijn leven, dat het me heel veel doet en dat het me aan gaat of anders uitgedrukt, dat het sterven mijn leven beïnvloedt en dus van belang is voor mijn verdere leven. Tot mijn verrassing kunnen aan de vorige zin opeens de volgende zeer belangrijke vragen worden ontleend :
(Hoe) is de gebeurtenis van belang voor het leven?
(Hoe) is de gebeurtenis werkzaam?
(Hoe) doet de gebeurtenis veel in het leven?
Als de gebeurtenis van belang is voor het leven, maakt deze dan duidelijk waarom het gaat in het leven?
(Wat) heeft de gebeurtenis te maken met de manier waarop een mens verder leeft?
Waar gaat het om, wat zegt het en wat is het belang?
Tot mijn opluchting kan ik in feite de vorige vragen samenvatten in één vraag, want eigenlijk ben ik weer terug bij de waarom vraag, maar dan zo geformuleerd: Kan een verdrietig mens door datgene wat hem overkomen is, ontdekken waarom het gaat in het leven?
De belangrijkste vraag is dus toch de waarom vraag.
Dit is een kernpunt van mijn onderzoek. Vanuit dit punt terugkijkend kan ik duidelijker stellen dat de eerste gedachte dat het gaat om het verminderen van lijden ontoereikend is. Vooruitkijkend wil ik mijn zoektocht voortzetten door in het tweede hoofdstuk me te richten op de vraag hoe ik kan ervaren waarom het gaat om in het derde hoofdstuk aan de orde te stellen wat 'waarom het gaat'inhoudt.
5.2.2.1 Er is toch nog een moeilijkheid
Nu ik de vraag gevonden heb, blijft nog over hoe ik de vraag kan toeëigenen, maar dat blijkt voorbarig want er is helemaal geen mogelijkheid van toeëigenen van de vraag waarom het gaat als een kind sterft. In een situatie van verdriet om het sterven van een geliefde ervaart een mens immers, dat hij als subject anders gedacht moet worden dan een persoon die zichzelf op een zinvolle manier kan realiseren, want in zo'n situatie is er geen sprake van zelfverwerkelijking als toeëigening. We moeten dan meer denken aan het ek-sisteren dat wil zeggen het openstaan voor een werkelijkheid, niet als een activiteit van een autonoom subject, maar als een passiviteit en ontvankelijkheid.
De vraag : Kan een verdrietig mens door datgene wat hem onverkomen is ontdekken waarom het gaat in het leven?, moet opnieuw be- vraagd worden.
??????ik ben van mening dat het ten diepste niet gaat om het stellen van de zinvraag ten aanzien van het sterven van een geliefde en dat het er ook niet om kàn gaan en zeker niet als die zin gezocht wordt door mensen die het sterven van een kind alleen abstract theoretisch en daardoor afstandelijk benaderen. Een dergelijke benadering is alleen maar een nachtmerrie. Moet dan de conclusie zijn dat het gebeuren zinloos is. Ook dat is geen juist alternatief.
5.2.2.2 Een nieuwe poging
Eigenlijk ben ik weer vastgelopen, want misschien moet ik de vraag anders formuleren, of moet ik zelfs ophouden met vragen stellen en ben ik te methodisch en daardoor wellicht beheersmatig bezig met de belangrijkste vraag. Ik zeg wellicht op een methodische wijze dat de vraag nooit methodisch bereikt kan worden en in die zin kan mijn onderzoek nooit gelukken, maar kan ik slechts de problemen aanraken, zonder de diepte van de echte vraag te ervaren. Ondanks dat waag ik toch een poging.
Allererst tracht ik de vraag te herformuleren, zodat het actieve subject verdwijnt en het niet zelf de vraag stelt. De herformulering luidt aldus: In het ervaren van het sterven van een kind, heeft een mens de mogelijkheid te ervaren waarom het gaat.
5.2.2.3 Waarom het gaat is de kern van mijn onderzoek
'Waarom het gaat' kan een mens dus niet zelf ontwikkelen, maar wordt duidelijk door het zich openstellen van de mens voor wat er gebeurt en gebeurd is.
'Waarom het gaat is in feite een geschenk van de werkelijkheid. Het is met name belangrijk stil te staan bij het ontbrekende en dat te raadplegen, want daaruit komen de vragen naar boven die niet verzonnen zijn door mensen, want de mens stelt niet de vraag maar wordt gevraagd (Voetnoot Eldert willems, Hetzelfde anders, in Lier en Boog 1992 jrg.8 nr.29. 71- 88). Hoe meer de vragen systematisch benaderd worden, hoe verder een mens verwijderd raakt waarom het gaat.
Waarom het gaat is de kern van mijn onderzoek en daarom zal ik als prélude op hoofdstuk twee en drie in dit gedeelte alleen maar proberen en beetje dichter bij 'waarom het gaat' te komen als een kind sterft.
Allereerst tracht ik een beetje dichterbij het mysterie (van het sterven van een kind) te komen, zonder dat ik naar een precies antwoord streef op waarom het gaat, want dan zou ik het mysterie ontkennen.
Ik ga daarvoor naar de grafrede die gehouden werd op de begrafenis van Heidegger (Voetnoot: Erinnerung an Martin Heidegger, Ansprache zur Beisetzung am 28.Mai 1976 uitgesproken door de godsdienstfilosoof B. Welte).
5.3 Enkele pogingen om dichter bij 'waarom het gaat' te komen
5.3.1 Het aandachtig zoeken
Om dichterbij het mysterie te komen voldoet niet een methodische uitwerking van het probleem, maar wordt het filosoferen meer een aandachtig en liefdevol vragen en zoeken rondom het gebeuren in om toegang te verkrijgen tot het meest wezenlijke dat altijd een geheim blijft. In de grafrede van Heidegger staat er het volgende over: " Martin Heidegger ist nun selber durch die Tür getreten. Wohin führt sie?" Niemand kan het zeggen: "Was kein Wort sagt und kein Bild malt, ist das Geheimnis. Heidegger suchte es immerfort. Er suchte es auf seinem Weg, und er suchte es im geheimnisvollen Geschick des Todes am meisten."
De dood heeft het geheim van het zijn in zich, daarom is het toelaten van de dood (van een eigen kind) een weg naar 'zijn', waarin het duidelijk wordt dat de mens zijn leven als sterfelijk wezen voltrekt. De openheid van de mens tot dat wat er werkelijk is, of anders gezegd het laten optreden van de werkelijkheid als werkelijkheid, geeft hem openheid tot het zijn.
Daarom is denken niet hetzelfde als begrijpen of verklaren, maar is het veel meer het komen tot een 'viering', waarin er plaats is voor zuivere herinnering en gedenken, en bovendien voor het uitspreken van de verwondering, omdat een mens de spreekbuis van de werkelijkheid en de hoeder van 'zijn' mag wezen.
5.3.2 Het roepen uit de diepte
Misschien gaat het alleen om het roepen uit de diepte: "De Profundis, aus der Tiefe, da ist der Psalm der aus der Tiefe der Gottesferne zum göttlichen Gott ruft. Der ruf, den Heidegger Nietsche zugedacht hat, war gewiss sein eigener Ruf."(Voetnoot Idem)
Misschien is het mogelijk in de allerergste ervaring en in het allerdiepste treuren te wachten op de wenkende boden van het 'goddelijke', want "Sie winken aus der Gegend des Sterbens, des Todes, des Nichts und des Seins und der Weg des Heideggerschen Denkens ging diesen Winken entgegen. ... Dahin war das ganze Denken dieses Grossen Denkers unterwegs."
5.3.3 Het toelaten van de sterfelijkheid
Misschien kunnen we dichter bij het geheim komen van het sterven van een eigen kind als we toelaten dat we zelf ook sterfelijk zijn, want daarin ligt het geheim'. In de grafrede voor Heidegger staat het aldus: "Der Tod birgt als der Schrein des Nichts, das Wesen des Seins in sich. Der Tod ist als der Schrein des Nichts das Gebirge des seins." (Voetnoot Erinnerung an Martin Heidegger)
Na deze korte omweg naar Heidegger, probeer ik nog meer mogeklijkheden te vinden die toegang geven tot het wezenlijke dat altijd een geheim blijft
5.4 Enkele andere mogelijkheden
5.4.1 Zich openstellen voor de werkelijkheid
Mijn uitgangspunt is dus dat een ingrijpende gebeurtenis een mens duidelijk kan maken waarom het gaat in het leven.
Dat gebeurt echter niet automatisch. Als mensen zich niet openstellen en de werkelijkheid niet toelaten wordt het zeer bedreigend, want dan toont de werkelijkheid zich niet en dan gebeurt er niets, dan wordt alles weer vanzelfsprekend en dan rent een mens weer voort in zijn jacht op welvaart en geluk.
Alleen waar iemand zich openstelt kan het belangrijke ter sprake komen. Vanuit een nood en vanuit verlangen gaat het er om te wachten op wat zich aandient, zoals Heidegger ook heel zijn leven gewacht heeft op een wenk van de werkelijkheid. ( Voetnoot Zie Erinnerung)
De werkelijkheid is een woestijn en als dat toegelaten wordt, dan bestaat de mogelijkheid dat de werkelijkheid naar een mens toe komt om voor een aandachtig liefdevol luisterend oor te vertellen wat belangrijk is en wat niet.
Dit is echter uitzonderlijk, want het is niet vanzelfsprekend dat de werkelijkheid iets zegt. Vaak zwijgt de werkelijkheid in alle talen en is alles nietszeggend en kan de mens slechts wachten.
Een mens maakt blijkbaar niet zelf uit, of iets belangrijk is, of niet en dat is zeer frusterend voor de moderne westerse mens.
5.4.2 Een mens stelt niet de vragen, maar wordt gevraagd
Het gaat er dus niet om allerlei vragen te stellen, want dan reageert de werkelijkheid niet, maar het is wel nodig een vragende aandachtige liefdevolle houding aan te nemen in een overgave, die wellicht zelf ook weer een gave is. (Voetnoot. Deze houding komt nadrukkelijk aan de orde in de oratio van de Joods/Christelijke mystiek, waaraan ik in het derde hoofdstuk aandacht besteed).
Het gaat niet om het stellen van vragen, maar veel meer om het luisteren en om te wachten op de vragen die vanuit de werkelijkheid en met name vanuit de lege plekken gesteld worden. Ook de waarom- vraag moet ingeslikt worden. Het is niet het meest belangrijke te vragen naar de zin van verdriet om het sterven van een geliefde, maar het gaat het er om in liefde te treuren, te gedenken en zich te her-in-neren en zo daar doorheen dichter bij het geheim te komen. Het gaat er uiteindelijk niet om dat een mens naar het gebeuren teruggaat, maar dat het naar de mens toekomt en de mens toelaat, als de mens er diepe aandacht voor heeft. De gebeurtenis laat een mens denken of anders gezegd geeft hem te denken
5.4.3 Geen toeëigening van betekenis
De mens kan betekenis zich niet toeëigenen maar kan deze ontvangen van de werkelijkheid. De werkelijkheid vraagt om diepe luisterende aandacht, stil worden, leeg worden, loslaten, en zwijgen. Het is een luisterend stil worden, het is het ophouden van vragen stellen zodat we datgene kunnen ervaren, wat we dikwijls overschreeuwen met onze eigen drukte, met onze begrippen en vooroordelen en met onze rationele benadering. We zijn niet gericht op resultaat, oplossing of verklaring, want die doen de werkelijkheid waarin een verdrietig mens verkeert slechts geweld aan en die zijn een sta- in-de-weg bij de zoektocht naar de diepe werkelijkheid. Juist door het stil worden, kunnen de allerdiepste existentiële vragen, zoals de vraag naar de zin van het lijden ons worden gegeven. We kunnen de vragen dan niet meer van ons afschuiven met intellectuele schijn-antwoorden.
5.5 De werkelijkheid zegt waarom het gaat
De werkelijkheid zegt me iets en daardoor geeft het me een ander perspectief. Het geeft richting aan mijn leven en het maakt duidelijk, waarom het gaat, in het leven want het heeft iets te zeggen. In feite wordt in mijn leven de vanzelfsprekendheid afgebroken dat het leven zo gaat zoals ik verwacht dat het zal gaan. Het paradoxale is dat het me verontrust, dat het me letterlijk doet sidderen, dat het huiveringwekkend en gewelddadig is, maar juist daardoor gebeurt er iets. Door de diepe grondervaring wordt het leven me een zorg, want er is iets in het geding: Het zegt me waarom het gaat. Het sterven van een kind is van zo'n groot belang dat na de gebeurtenis het leven opnieuw begint. Het sterven van een kind vindt plaats in het jaar nul, want er begint een nieuwe jaartelling.
Na een belangrijke eerste uiteenzeting van de opvatting dat het er om gaat dat de werkelijkheid onder bepaalde voorwaarden kan laten zien waarom het gaat, maak ik in het volgende hoofdstuk een omweg naar de Joods -Christelijke traditie, waarin ik aandacht geef aan de aandachtige en liefdevolle houding ten aanzien van de Tora. Ik maak die omweg vanuit mijn voorverstaan dat de 'vreemde' benadering als een religieuze inspiratie mijn relatie met de eigen werkelijkheid kan verduidelijken.
In het zevende hoofdstuk ga ik naar Heidegger, omdat hij mij onder meer verduidelijkt dat het er om gaat in verdriet te zijn. Bovendien ontvang ik van hem filosofische inspiratie om verder te zoeken naar een manier van omgaan met de werkelijkheid.
Ik geef ondermeer aandacht aan gedenken omdat ik wil benadrukken dat gedenken niet alleen plaats vindt om een verlies te verwerken, maar veel meer om de gestorvene liefde te betonen en te eren. Bovendien voeg ik een gedachte toe, over het gedenken van gestorvenen in de tweede wereldoorlog, om de wezenlijke onmacht van mensen ten aanzien van de werkelijkeheid aan te geven.
Daarna zal ik in het laatste hoofdstuk me verdiepen in de opvatting dat er in een mens niet alleen een onmacht is ten aanzien van het sterven van een geliefde, maar dat er altijd een niet-kunnen is. Het gaat er om dichterbij het niet-kunnen te komen.
6 Een omweg naar de Joods-christelijke mystieke traditie.
6.0 Vooraf
In het vorige hoofdstuk ben ik uiteindelijk tot de conclusie gekomen, dat het er om gaat van de werkelijkheid te horen, waarom het gaat.
In dit hoofdstuk, maak ik, om meer zicht te krijgen, hoe ik in staat kan zijn, te horen wat de werkelijkheid zegt, een omweg naar de Joodse traditie. Ik geef aandacht aan de Pardes-formule van de Joodse mystiek en aan de lectio divina. Ik maak die omweg, omdat ik hoop hierdoor het sterven van een eigen kind, beter te verstaan, zodat ik de bereidheid ontwikkel het moeilijke in mijn leven toe te laten.
Na een korte verantwoording van de keuze van deze speciale omweg,
wordt informatie gegeven over de Pardes als acroniem uit de woorden pesjat, remez ,derasj en sod en over de ladder van Guigo II, die in het geestelijk leven de volgende vier stappen onderscheidt: lectio, meditatio, oratio en contemplatio
Met name de stappen oratio en contemplatio krijgen wat meer aandacht om dat hierin met de onmacht van een mens naar voren komt.
Aan het eind van het hoofdstuk breng ik zeer beknopt, de weg naar de Tora, in relatie met mijn eigen weg in het omgaan met sterven
6.1 Verantwoording van de omweg
Mede onder invloed van Wittgenstein komt Herman De Dijn in zijn boek 'Kan kennis troosten?' tot de conclusie dat wetenschap geen antwoord kan geven op de meest fundamentele vragen die de mens stelt.( Voetnoot Herman De Dijn, Kan kennis troosten, Kapellen/Kampen 1994, 117) Hij verwerpt echter noch de wetenschap, noch een integratie van zingeving en wetenschap, maar hij zoekt naar een authentieke levenshouding en is er vast van overtuigd dat die te vinden is in de religie. Hij stelt dat met de opkomst van het wetenschappelijk, empirisch denken een bepaald soort denken, namelijk de intuïtieve kennis van het hart, verloren is gegaan, en dat tegelijk met de crisis van de rationaliteit en van het mechanistisch wereldbeeld van de natuurwetenschappen, ook bepaalde tradities weer herleven, zoals de mystiek. Mede op basis van die opvatting, wend ik mij tot de Joods-Christelijke mystieke traditie in mijn zoektocht naar een authentieke houding ten aanzien van lijden.
In de tweede plaats kies ik voor het benaderen van mystieke ervaringen, omdat evenals ten aanzien van heftig verdriet de interpretaties in de loop van de geschiedenis tegenstrijdig zijn. Het is òf een onuitsprekelijke ervaring met wezenlijke mogelijkheden, òf het is een uitingsvorm van waanzin.
6.2 Enige informatie
De Pardes-formule waarschijnlijk ontworpen door Mozes de Leon omstreeks het jaar 1290 is een acroniem gevormd uit de beginletters van de woorden: pesjat, remez, derasj, sod. Het duidt de vier volgende traditionele leeswijzen aan van de joodse mystiek: Pesjat is de letterlijke uitleg van een tekst. Remez duidt op een verborgen aanwijzing, een wenk in de tekst die wijst op een diepere betekenis. Derasj is het aangeven van de betekenis van een tekst voor het leven en functioneert als een contrast-aanduiding tegenover pesjat. Sod betekent geheim, mysterie en dat wijst op de allerdiepste betekenislaag. (Voetnoot, A. van der Heide, p.120)
Voordat ik in ga op de pardes en de lectio divina geef ik eerst aandacht aan de beroemde parabel van Zohar, omdat er een relatie gelegd kan worden tussen de weg naar de Tora volgens de Joodse traditie, de parabel van Zohar en de weg van een mens die treurt om een verlies door de dood
6.3 De parabel van Zohar
Het is belangrijk aandacht te schenken aan een schitterende parabel, (Voetnoot, Zohar II,99a/b.)waarin het benaderen van de Tora vergeleken wordt met de wederzijdse toenaderingen van een minnaar en zijn geliefde. Deze minnaar zwerft rondom het paleis van zijn geliefde om een glimp van haar op te vangen. Zij weet dat en laat door een klein deurtje haar gezicht even zien, waarna ze zich direct weer terugtrekt. Niemand heeft iets gezien behalve haar minnaar. Zijn hart gaat nog meer naar haar uit, want hij weet dat zij zich uit liefde tot hem een ogenblik toont om zijn liefde op te wekken.
Zo gaat het ook met de Tora, want zij toont zich slechts aan wie haar liefhebben. Ook zij geeft hem een wenk (Voetnoot Remez) ,om zich daarna weer terug te trekken, zodat zijn hart naar haar uit gaat. En als hij dan bij haar komt, begint ze met hem te spreken vanachter haar sluier die zij voor haar woorden heeft gehangen, zodat hij langzaam tot inzicht komt. Daarna spreekt ze met hem vanachter een dunne sluier, maar wel in parabelen. Nadat hij met haar vertrouwd is, laat zij zich zien van gelaat tot gelaat en spreekt met hem over al haar geheimen (Voetnoot sod) en over alle geheime wegen die in haar hart verborgen zijn.
(Voetnoot Zo verlang ik er naar dat ook de werkelijkheid aan mij zijn geheimen vertelt).
6.4 De ladder van Guigo II en de Pardes-formule
6.4.0 Vooraf
We brengen eerst zeer beknopt de spirituele tradities zoals ze verwoord zijn in de ladder van Guigo II, en de Pardes-formule naar voren. Soms wordt er een relatie gelegd met de levensverhalen van verdrietigen, maar dit gebeurt incidenteel, want het eventueel aanwezig zijn van diepere relaties vereist een veel uitgebreidere studie. Er worden slechts enige aanzetten gegeven die zouden kunnen leiden tot diepgaander onderzoek.
6.4.1 LECTIO EN PESJAT
In de lectio beschouwen we de tekst als niet-van-mij, als exterioriteit, die de zinnen raakt van buiten af . We worden vanuit de lezing of vanuit het horen onderricht. "De buitenkant van het gelezene maakt contact met de buitenkant van de lezer, het gehoor".(voetnoot Waaijman 36) Dit kan niet slordig of oppervlakkig gebeuren, maar vereist grote aandacht en zorgvuldigheid, want lezing is als de aandachtige en eerbiedige streling die het innerlijk doet openbloeien. Hiermee is de structuur van de lectio paradoxaal, want enerzijds is er zorgvuldig oppervlakte contact van twee buitenkanten, anderzijds is dit contact innerlijk gericht met als uiteindelijk doel de beschouwing. In die zin is de lectio in zijn paradoxale structuur het fundament van de gehele leesprocedure.
In feite is de strekking van pesjat dezelfde als die van de lectio. Het is in eerste instantie de voor de hand liggende, algemeen aanvaarde betekenis van een tekst met name de bijbel, maar later kreeg het meer de betekenis van letterlijk, terwijl in de joodse mystiek de nadruk lag op uiterlijke betekenis. Het is het uiterlijk gelaat van de Tora en niet de Tora zelf.
6.4.2 MEDITATIE EN REMEZ
Meditatie en remez zijn er op gericht om in de kern van de tekst (c.q. het leven) betekenis te vinden.
Guigo geeft de volgende omschrijving van meditatie: "De overweging is een werkzaamheid van het verstand dat er zich op toelegt onder leiding van de eigen rede de kennis van de verborgen waarheid op te sporen." Voetnoot Waaijman 62). Remez sluit hierbij aan.
Terwijl de lectio een activiteit van de zinnen is, ligt bij de meditatie de nadruk op het verstandelijke en het ambachtelijke.
Om duidelijk te maken wat meditatie inhoudt, gebruikt Guigo het beeld van het herkauwen. Door een herkauwer wordt eerst het voedsel tot zich genomen, wat vergelijkbaar is met lectio, waarna het broksgewijs terugkomt en opnieuw wordt gekauwd, waarna het weer doorgeslikt wordt. Voor de meditatie is met name het broksgewijs verwerken een belangrijk kenmerk. Een stuk tekst, een alinea, een zin wordt aan alle kanten door het verstand bekeken en bewerkt. Iedere zinswending, ieder signaal wordt opgevangen. Dat is ook de betekenis van remez, dat letterlijk wenk betekent. De lezer weegt alle elementen af, zoekend naar de diepere betekenis van een stuk tekst. Er is contact met de binnenkant van een tekst, met name omdat de tekst een wenk (remez) geeft aan de lezer zoals de geliefde een wenk geeft aan de minnaar, die zich aan de buitenkant van het paleis bevindt. (Voetnoot Zie de parabel van Zohar)
6.4.3 ORATIO EN DERASJ
We komen nu in verband met mijn onderzoek op een heel belangrijk punt, omdat er in de mens die bidt, een omslag plaats vindt. Hij kan God niet zelf bereiken, maar kan er slechts om vragen dat God naar hem toekomt. Deze omslag is te vergelijken met de luisterende houding van een mens ten aanzien van de werkelijkheid, zoals die in het vijfde hoofdstuk is uitgelegd.
Oratio en derasj gaan verder op basis van gevoelens en waarderingen in de meditatie, maar tegelijkertijd treedt er een verschuiving op, want het gaat nu om een verdergaande omvorming in de betrokkenheid van mensen ten aanzien van het onvoorwaardelijke en daarmee verbonden ten aanzien van andere zaken.
6.4.3.1 Een zeer belangrijke omslag van meditatio naar oratio
In Epistola XII schrijft Guigo dat meditatie de mens, zowel cognitief als affectief, leidt naar gebed(oratio). Het cognitieve slaat op het inhoudelijke van het gebed en het affectieve verwijst naar het verlangen, dat is opgewekt door de meditatie. Belangrijk is de omslag die plaats vindt in de oratio, dat wil zeggen dat een mens zelf de kennis niet kan bewerken, maar dat hij er slechts om kan vragen in een gebed. Het is een gave, die wel of niet wordt gegeven.
Oratio is een vragend zich richten op en het is vanuit een liefdevol verlangen luisteren naar
Derasj is het spreken vanachter de sluier die de beminde voor haar woorden heeft gehangen, zodat de geliefde langzaam tot inzicht komt. Daarna spreekt ze tot hem vanachter een zeer dunne sluier in parabelen en allegorieën.
Ook hier gaat het om het luisteren van de minnaar naar de geliefde.
6.4.4 Relatie met de werkelijkheid.
Het is voor mij duidelijk dat de overgang van vragen stellen naar luisteren van belang is voor het ontwikkelen van een goede verstandhouding met de werkelijkheid van het eigen levensverhaal, met name als het gaat over lijden. Ook hier is sprake van zoekend, verlangend en vragend luisteren met het hart, wat de werkelijkheid te zeggen heeft.
Ook het spreken van achter een sluier, zodat een mens langzaam tot inzicht komt, is herkenbaar in het lange rouwproces proces van ontkenning tot echt weten en echt geloven dat een kind gestorven is en nooit meer terugkomt. De werkelijkheid geeft de waarheid in gedeelten door, zodat een mens niet gek wordt van verdriet. Dat er in het treuren een langdurig ongeloof aanwezig is, is niet een gegeven op basis waarvan een mens therapie nodig heeft, maar is een 'liefdevolle' benadering door de werkelijkheid.
6.4.5 Nogmaals de omslag
Het iniatief ligt in de oratio niet bij de mens, Het is slechts met grote betrokkenheid luisteren en re-ageren op een oproep van de werkelijkheid en het is wachten op een wenk. Het is het verlies van alle zelfgenoegzame zelfbetrokkenheid en autonomie en het is een worsteling om (in taal) te uiten, wat men wil zeggen. Dit worstelen is geen psychologische of subjectieve achtergrond, maar het is datgene in een mens dat er naar streeft geuit te worden. Uit datgene wat gezegd wordt, blijkt de worsteling en tegelijk de onmacht, omdat geprobeerd wordt ter sprake te brengen wat niet onder woorden gebracht kan worden.
Wat er gezegd of geschreven wordt, is niets meer en niets minder dan de neerslag van de worsteling, die als zodanig gehoord of gelezen kan worden. Het is een willen-zeggen en een niet-kunnen
uiten, zoals met name bij mystici herhaaldelijk wordt aangetroffen.
6.4.6 CONTEMPLATIO EN SOD
Het uiteindelijke doel van de PaRDeS-leeswijze is dichter te komen bij het geheim (sod). Het gaat er om te naderen tot de diepste betekenislaag dat wil zeggen tot de geheimen van de Tora, tot de bron met de diepste zeggingskracht in een intimiteit van de ontmoeting. (Voetnoot: A. van der Heide, Pardes, 138).
Naast de intieme ontmoeting is het in verband met mijn onderzoek dat er op gericht is meer zicht te ontvangen op mijn omgang met de werkelijkheid, van belang te wijzen op een ander aspect van de contemplatio.
6.4.6.1. De antifrase
De antifrase is een stijlfiguur waarin het omgekeerde gezegd wordt, van wat men bedoelt te zeggen. . (Voetnoot; Guigo II, Epistola VIII): Guigo plaatst deze antifrase binnen de overgang van oratio naar contemplatio: Een mens kan in zijn gebed niets meer dan in tranen verlangend uitzien naar God. Hoewel de mens heftig verlangt, is tegelijk dat verlangen machteloos.
Er is de pijn van het tekort schieten, en er is bijna tegelijk de vreugde van de genade als God reageert.
De paradoxale verhouding tussen oratio en contemplatio is de grond voor de mystieke antifrase, die inhoudt, dat als er wordt losgelaten, er wordt ontvangen.
Een vergelijkbare paradox is aanwezig in gedenken
6.4.5 De paradox van het gedenken
Allereerst is er de paradox dat een verdrietig mens ondanks de pijn en het pijnlijk ervaren van afwezigheid zich toch uit liefde in gedenken en herinneren kan verbinden met de gestorvene. Er is afwezigheid en tegelijk is er aanwezigheid. Het paradoxale is dat de wonde die een verdrietig mens sprakeloos maakt van ellende tegelijk de weg is naar de geliefde, want juist in de pijn wordt een aanwezigheid in de afwezigheid ervaren.
In zijn totale verlatenheid kan een mens met verdriet, maar soms ook met blijdschap terugzien naar de voorbije tijd van aanwezigheid, want in het gedenken is er de mogelijkheid met het hart bij iemand te zijn.
In gedenken zit dus steeds een paradox, want hierin laat een mens alles los en gaat uit naar de ander zonder houvast in de donkerte van ellende, en tegelijk is het een gebeuren van stil zijn en wachten op het ontmoeten van de geliefde in het diepste innerlijk.
6. 5 Een conclusie
Nu ik aan het einde gekomen ben van mijn omweg, blijkt dat ik in een cirkel heb gelopen, want ik ben weer terug bij mijn verdriet, dat ik, - en ook dat is paradoxaal -, altijd bij me droeg. Het is afstand nemen en het is tegelijk ook nabijheid.
De omweg is belangrijk, want de manier, waarop de joods- Christelijke mystiek, de Tora en daarin de werkelijkheid benadert, is voor de ontwikkeling van mijn voorverstaan ten aanzien van het sterven van een eigen kind van groot belang. Vanuit een impliciet aanwezige onmacht heb ik immers ontzettend veel gelezen in allerlei boeken en artikelen, op zoek naar een manier van omgaan met verdriet. (Lectio). Gelijktijdig daarmee en ook er op volgend heb ik tijdens mijn studie filosofie jaren gezocht of ik met behulp van vele moeilijke teksten, zin en betekenis kon geven aan het sterven van iemand op jeugdige leeftijd. Ik verdiepte mij onder meer in de hermeneutiek die mij een methode aangaf om dieper in teksten en in gebeurtenissen door te dringen. Na de omweg naar de Pardes-formule en de ladder van Guigo realiseerde ik me, dat ik niet verder was gekomen dan meditatio. Ook besefte ik steeds meer dat het lezen en zoeken naar zin en betekenis wel belangrijk zijn, maar slechts stappen zijn in een ontwikkeling van een houding ten aanzien van de werkelijkheid en een verstandhouding daarmee.
Er ontstond een fundamentele wending in mijn omgaan met verlies en verdriet, want ik kwam van het actief zoeken en ontwikkelen terecht in het biddend vragen en het wachten op een wenk van de werkelijkheid.(Oratio) Daarna zocht ik en zoek nog steeds in een verlangen en in een liefdevolle houding, dichterbij het mysterie te komen van leven en sterven, zodat ik steeds betre weet waarom het gaat in het leven.
In een volgend hoofdstuk verdiep ik me in enkele opvattingen van Heideger vanuit de verwachting dat ze me kunnen helpen in mijn zoeken naar datgene waarom het gaat. Met name geef ik aandacht aan het gedenken als mogelijke weg terug naar datgene wat er gebeurd is.
7 Een omweg naar Heidegger
7.0 Vooraf
In mijn zoektocht naar een goede verhouding met de werkelijkheid, wil en kan ik niet om Heidegger heen, niet omdat hij mij veel te leren heeft over de weg naar God, maar wel over de weg naar het diepste innerlijk. Uiteraard moet ik me beperken en daarom breng ik slechts enkele gedachten naar voren die door mij gezien worden als inspiratiebron voor de eigen zoekpogingen om te leren omgaan met het sterven van een kind. Met name zoek ik bevestiging van de opvatting dat het er niet om gaat dat een mens vragen stelt ,maar dat hij bevraagd wordt. Ik zoek filosofische ondersteuning voor de wending van een mens, zoals die in de joodse traditie voorkomt in oratio dat wil zeggen dat het niet gat om autonomie ,maar om een ontvankelijke houding voor wat er gebeurt en gebeurd is.
Allereerst geef ik aandacht aan zijn opvatting dat het in dat denken noodzakelijk is een Schritt zurück te doen.
Vervolgens probeer ik te achterhalen wat hij bedoelt met de opvatting dat het andere denken, een danken, gedenken en herdenken is. Ik maak daarbij gebruik van de dissertatie van IJsseling( Voetnoot Samuel IJsseling, Heidegger, denken en danken, geven en zijn, Antwerpen 1964). Wellicht kan ik dan ontdekken hoe het mogelijk is dat Wolterstorff die ik al eerder noemde in zijn diepe ellende over het sterven van zijn zoon, tegelijk spreekt over dankbaarheid voor het lijden.
Tenslotte tracht ik naar aanleiding van een modern gedenken aan te geven dat er in gedenken altijd onmacht aanwezig is.
7.1 De Heideggeriaanse Schritt zurück.
7.1.1 De Schritt zurück is veranderen van instelling
Volgens Heidegger is de moderne mens, die denkt dat alles georganiseerd en geregeld kan worden op de vlucht voor een andere vorm van denken, maar ziet zelf niet dat hij vlucht. Alles wordt immers teruggebracht tot bruikbaarheid en beschikbaarheid, waardoor de mens een waarde krijgt, die uitgedrukt kan worden in geld, maar waardoor hij zijn waardigheid dreigt te verliezen.
Om te ontsnappen aan het beheersmatig denken, dat volgens Heidegger voortkomt uit de filosofie - want zonder de filosofie van de Grieken met name Aristoteles en zonder Bacon en Descartes zou er volgens hem geen westerse wetenschap zijn - wil Heidegger een 'Schritt zurück' maken : :"Der Schritt zurück meint nicht einem vereizelten Denkschritt, sondern die Art der Bewegung des Denkens, und ein Lange Weg....Der Schritt zurück verlangt ein Dauer und Ausdauer, deren Masse wir nicht kennen.....Der schritt zurück bedarf eine Vorbereitung, die jetzt und hier gewagt werden muss...."Voetnoot Identität und Differenz Pfullingen 2e druk 1957 p.46) . Het is niet één stap terug, maar het is het veranderen van een instelling, die niet in één keer gelukt. Het is een lange weg en het vereist langdurige volharding en uithoudinsvermogen. Het is het uiteindelijk opgeven van het vermogen zelf te kunnen uitleggen en het ontwikkelen van een bepaalde houding.
7.1.2 De Schritt zurück is belangrijk
De Schritt zurück is belangrijk want het gaat net als in de Pardes, om het indachtig zijn voor het verborgene en ontvankelijk te zijn voor het geheim onder meer om het geheim dat volgens hem verloren is gegaan, waardoor de mens geen Heim meer heeft, want een mens is slechts zu Hause im Geheimnis. (Voetnoot A.Peperzak, Kan de Verlichting ons verlichten? In :Tijdschrift voor Filosofie 24 (1962), p.243-277). In een louter technische wereld waar alle problemen opgelost zijn en alles beheerst wordt, leeft de mens slechts aan de oppervlakte zonder geworteld te zijn in de aarde.
Hij leeft zonder een thuis, zonder vrede en geluk, zonder lijden.
Hij moet een Schritt zurück maken om weer thuis te geraken. Leven is het zoeken in de diepte naar de bron, het is een opnieuw denken en in die zin is het een her-denken en geen wetenschappe- lijk denken om alles te verklaren. Het is zoeken naar de lege plekken en naar datgene wat zich niet laat zeggen. Het is teruggaan naar de oer-zaak en het meest oorspronkelijke gebeuren. Dat vinden we niet door een teruggang naar het verleden, maar we kunnen het vinden door aandacht voor wat ons tegemoet komt, voor wat op ons toekomt, wat ons aangaat en wat ons iets te zeggen heeft en in die zin kan het bevrijdend zijn, want alles wat we zijn is een gave, is een erfenis. (Voetnoot Sein und Zeit, Tübingen 8e druk p. 384).
Daarom is ons leven nooit een absoluut begin, want existeren is altijd ook een overnemen van wat overgeleverd wordt en wat gebeurd is. Dat verleden staat echter niet achter ons, maar vóór ons, want het komt steeds op ons toe, alsof het vraagt er niet achteloos aan voorbij te gaan, want juist dan wordt het verleden een last, omdat we het niet met respect en eerbied toelaten in ons toekomende leven.
7.2 De Schritt zurück naar wat er gebeurd is
7.2.1 De Schritt zurück naar de diepte van lijden is een opgave
Het sterven van een kind roept een verschrikkelijk lijden op en in eerste instantie wil een mens in zijn ontreddering alleen maar dat het lijden minder wordt, want de pijn van het verlies en de angst voor het niet weten, wat er nog te wachten staat en wat er nog komt in een leven zonder het geliefde kind, is eigenlijk ondraaglijk en onmenselijk zwaar. Als dan geponeerd wordt, dat een mens naar het gebeuren toe dient te gaan dat lijden oproept, en daarin het lijden moet toelaten, dan zal het duidelijk zijn dat die opgave bijna onmenselijk is en wellicht ook niet zonder hulp van een ander gerealiseerd kan worden.
7.2.2 De Schritt zurück vereist moed
Het vereist heel veel moed de existentiële grondervaring van het sterven van een eigen kind te willen ondergaan en het is tegelijk niet een eigen prestatie maar een antwoord op het aangesproken worden door wat Heidegger "zijn" noemt. Het is niet het zetten van enkele stappen, maar het vereist moed, geduld en volharding de lange weg, die gepaard gaat met vallen en opstaan te wagen. In feite is het een voortdurend onderweg zijn en wel op vele wegen tegelijk en vaak op paden waar elke richtingwijzer ontbreekt, zodat we steeds de weg moeten vragen, terwijl we zelf niet weten waarheen we op weg zijn. Het is een spiraal naar beneden die veroorzaakt wordt door het niet meer zijn van een kind, maar ook tegelijk het niet meer beschikken over de dingen en het niet meer beheersen van het leven. In deze werveling gaat de vanzelfsprekendheid verloren en doorheen deze draaiing waarbij het zwart voor de ogen wordt- kan een mens datgene vinden wat niet in woorden is uit te drukken en wat Heidegger "zijn" noemt.
7.2.3 De diepte is ook gave
Ondanks dat het moeilijk is, gaat het er om dichter bij het gebeuren te komen, maar dat is lijden, want het gebeuren is verschrikkelijk, of liever gezegd het zich open stellen voor het gebeuren, zodat het een wenk geeft dat we dichterbij mogen komen is diep en diep lijden. Dat dichterbij komen is lijden en dat kan ook niet anders, maar dat is geen gebod, maar komt voort uit een verlangen. Hoe meer het gebeuren wordt toegelaten, des te meer het gebeuren zich opent, des te groter het lijden, maar ook hoe meer een mens hoort, waar het in het leven om gaat. Daarom is het gebeuren tremens, maar het is ook fascinans vanuit de liefde, in die zin dat een mens er nooit los van kan komen en er altijd mee bezig is.
7.3 Een omslag is mogelijk
Het leven heeft na het sterven van een kind de mogelijkheid om het Heideggeriaans te zeggen van een Kehre of om het te zeggen in de sfeer van Augustinus van een bekering, dat wil niet zeggen naar een tijd zonder techniek of beheersmatig denken, maar dat wil wel zeggen een herdenken van het gestorven kind, maar ook van het leven en van het denken zelf om te komen tot de kern van het leven en te ontdekken waarom het gaat. Het is niet een totaal opnieuw beginnen, niet een andere rationele kennis, want dat is onmogelijk, maar het is het zoeken naar het ongedachte in het vroegere denken, het is en blijft vragen naar het geheim.
Voor een verdrietig mens is de leegte niet het laatste woord, maar geeft het de mogelijkheid tot een omslag, tot een bekering, tot een andere manier van denken en van leven. De existentiële ervaring plaatst de mens oog in oog met het niets, schudt de mens wakker en biedt hem de kans de ogen te openen voor het oer-gebeuren zodat hij in een andere relatie met de werkelijkheid kan geraken, zodat hij in zekere zin dankbaar kan zijn voor lijden.
Omdat ik het belangrijk vindt dat lijden door Heidegger voorgesteld wordt als een gave, geef ik aandacht aan het denken als gedenken en danken. Ik maak daarbij gebruik van de dissertatie van IJsseling. (Voetnoot, IJsseling Idem 56)
7.4 Danken voor leed?
7.4.0 Vooraf
Bij herhaling heeft Heidegger naar voren gebracht dat denken danken is, maar de vraag is, aldus IJsseling, of dit niet eenzijdig is, want in het leven zijn er ook momenten van verzet en opstandigheid, van een niet kunnen en niet willen accepteren van wat er gebeurd is. Er is niet alleen heil, maar ook ontzettend veel onheil. Hoe is het mogelijk denken, danken te noemen en dan met name denken aan het sterven van een geliefde.
7.4.1 De betekenis van het woord danken
In bovenstaande redenering gaan we uit van een bepaalde betekenis van danken, maar Heidegger benadrukt dat danken niet alleen aanvaarden inhoudt, maar dat het ook en veel meer de betekenis heeft van iets in zijn waarde laten, zodat het is.
IJsseling wijst erop dat het woord af-danken niet toevallig wordt gebruikt in onze taal. ( Voetnoot Ijsseling Idem p.96) We duiden daarmee aan dat we iets of iemand geen plaats meer geven in ons leven of liever gezegd dat diegene of dat voorwerp uit ons leven verdwijnt.
In die zin is het noodzakelijk te danken, dat wil zeggen, het sterven niet te negeren of te ontkennen, maar de gestorvene blijvend te gedenken en daarmee te danken en niet af te danken zodat de overledene als overledene is. We zouden misschien kunnen zeggen hem of haar altijd in ons hart te bewaren.
Heidegger zal nooit bedoeld hebben dat we vreugde dienen te beleven aan het sterven van een kind, maar hij bedoelt wel dat we op een bepaalde manier denken, zodat de overledene is in zijn eigen wezen en ook dat het verdriet is.
(Voetnoot Door de betekenis die men in het algemeen aan dankbaar geeft, is het vaak kwetsend voor nabestaanden on ten aanzien van het lijden door het sterven van een kind te spreken van dankbaarheid).
7.4.2 De betekenis ven gedenken van een overledene
Ten diepste heeft gedenken drie betekenissen.
In de eerste plaats gaat het er om dat een mens door te gedenken het eigen verdriet vermindert
In de tweede plaats is de functie ven gedenken dat de treurende mens uit liefde de gestorvene in stand houdt in de herinnering
IJsseling wijst nadrukkelijk op deze tweede reden omdat die zelden genoemd wordt door therapeuten. Hij zegt het volgende:
"Iemand niet langer gedenken, is het grootste onheil wat men een mens kan aandoen. Iemand vergeten en iemands naam uitwissen betekent dat hij niet langer telt en niet langer bestaat."(Voetnoot IJsseling p.108)
In de derde plaats - en dat is het meest belangrijke - geeft gedenken als Schritt zurück, een mogelijkheid door het verdriet heen te ontdekken, waarom het gaat. In die zin is het een gave en niet een opgave.
Herdenken zoals Heidegger het bedoelt is een terugkeer naar de bron.
7.4.3 Herdenken is teruggaan naar de bron.
Het denken en danken, zoals Heidegger het bedoelt, is denken aan de bron, want in dat denken gaat men terug naar de oorsprong, naar het begin, naar de oer-zaak. Dit denken is zich omwenden en her-denken. Het is leven vanuit het verleden naar de toekomst. Een denkend mens waagt de Schritt zurück, want het verleden is voor hem niet voorbij, maar is het op hem toekomende, waar hij stil bij durft te blijven staan, omdat hij het herdenkt.
Hij herdenkt omdat een gebeuren te denken geeft, en ook altijd wéér te denken geeft in een oorspronkelijke ontmoeting met dat gebeuren in het steeds weer opnieuw voltrekken ervan door er over te schrijven, te lezen en te denken, of er in stilte over te m_meren of te voelen.
7.4.4 Denken is ontvangen
Het gaat dus in het leven om iets dat we mogen ontvangen, terwijl we er ook achteloos aan voorbij kunnen gaan. Het is een vragen en wachten, maar wel een waakzaam aandachtig wachten.( Voetnoot Vgl de parabel van Zohar) en het is het kunnen wachten soms een leven lang. Tegelijk is dat wachten geen passief of berustend toekijken en afwachten, want zonder het wachtende en verwonderende, het luisterende en het ontvangende en het aandachtig meevoltrekken van het geven, wordt er niet gegeven. Het gevaar van het nihilisme dreigt dan, want dan gebeurt er niets.
Om aan te geven dat er in gedenken altijd onmacht en overgave aanwezig is, wend ik me tot het gedenken in onze tijd, waarna ik in het volgende hoofdstuk dieper in ga op die onmacht
7.5 Gedenken is belangrijk
We leven in een wereld waarin het lijden van mensen torenhoog aanwezig is en in die wereld staan ontelbare monumenten met namen. Sommige mensen weten nog van een enkeling, wie er achter een naam verscholen is, maar ook die mensen zullen sterven en dan is er nog slechts een naam.
Vijftigduizend namen staan op een monument in Washington, namen van mensen die sneuvelden in de Tweede Wereldoorlog. In vele landen zijn er dergelijke monumenten en ook op alle begraafplaatsen staan ontelbare namen ingebeiteld van mensen die oud of jong stierven. Nabestaanden komen naar die begraafplaatsen en zoeken, lezen en herlezen, vaak met tranen in de ogen op de monumenten en op de graven, de namen van dierbaren. Het blijkt steeds dat namen belangrijk zijn, want namen staan voor mensen.
Dit is aangrijpend, maar enige tijd geleden heb ik gelezen over iets wat me nog diepe aangreep, namelijk de spiegelzaal in Jeruzalem die ontworpen is ter herdenking van anderhalf miljoen vermoorde joodse kinderen in de Tweede Wereldoorlog. De spiegelzaal is een geschenk van ouders van wie hun zoon vermoord werd in Auswitz. Hij is een van de anderhalf miljoen. Het is onmogelijk dat getal te overzien, maar we moeten ook niet zeggen dat er anderhalf miljoen kinderen werden vermoord, maar dat er anderhalf miljoen keer een kind werd vermoord.
In de spiegelzaal branden vijf of zes kaarsen en deze vlammen worden door lange rijen spiegels anderhalf miljoen keer weerkaatst. Overal waar een bezoeker kijkt, naar links, naar rechts, naar boven, naar beneden in alle richtingen ziet hij duizenden lichtjes. Eén lichtje voor één naam, een vlam voor elk kind dat niet mocht leven, alleen omdat het joods was.
Met op de achtergrond muziek leest een stem de namen van de kinderen en de naam van de stad of het dorp waarin het kind opgroeide. Na ruim een jaar zijn alle namen voorgelezen en dan begint de stem weer opnieuw.
Als ik me al dat leed realiseer, kan ik de gedachte niet onderdrukken dat het leven absurd is en dat de wereld een absurde plaats is om in te leven, ook omdat onze westerse manier van leven in zijn ontkenning van het lijden, schril afsteekt tegen de huidige ontelbare situaties van leed, waarvan we kunnen weten door de moderne media, maar waaraan we achteloos voorbijgaan.
Het kan toch niet anders dan te concluderen dat het leven op deze aarde absurd is, of misschien nog bitterder, dat onze manier van leven dat is, ook omdat wij als westerse mensen ons van het onmenselijke verdriet van anderen nauwelijks iets aantrekken en maar doorrennen en ronddraaien in de carrousel van ons bestaan.
Ik denk ook aan Abel Herzberg die in zijn novelle Drie Rode Rozen schrijft dat de Jood Salomon Zeitschek niet in de eerste plaats verdriet had om wat er gebeurd was, maar veel meer om de mensheid, waartoe hij ondanks alles toch behoorde.
Hoe kunnen we leven in een dergelijke wereld. Ik weet het niet en dat is heel onbevredigend en het zal niet gemakkelijk zijn toch hoopvol verder te leven in een tijd waarin we geloven dat God dood is en waarin we er nu zelf voor staan.
Misschien dat we in het gedenken en in het bewaren van namen toch leren vertrouwen, dat we daardoor ontdekken, waarom het gaat in het leven en wellicht krijgen we daarbij hulp van al die namen, omdat in herinnering en gedenken altijd liefde aanwezig is voor de gestorvenen en ook voor het leven.
HOOFDSTUK 8. HET NIET-KUNNEN
8.0 Vooraf
8.0.1 Een terugblik
In de vorige hoofdstukken heb ik, ten aanzien van het omgaan met het sterven van een eigen kind, gesteld, dat het niet alleen gaat om het verminderen van leed door bijvoorbeeld psychotherapie, of het geven van troost door bijvoorbeeld Stoïcijnen, maar dat het er ook om gaat uit liefde voor de gestorvene deze te gedenken, zodat degene die dood is, in zekere zin blijft bestaan, want er is dan een aanwezigheid in een lijfelijke afwezigheid.
Vervolgens heb ik me afgevraagd of het bovenstaande, hoewel het van groot belang is, het allerbelangrijkste is. Ik ging op zoek naar een derde betekenis.
In mijn zoeken naar deze derde betekenis richtte ik mij op het leven van directe nabestaanden en constateerde, dat het sterven van een kind het verdere leven van degenen die achterblijven, zeer sterk beïnvloedt en er op een bepaalde manier werkzaam in is, zodat het sterk verandert.
Ik zocht de derde betekenis in die beïnvloeding en in de veranderingen die ontstonden, en kwam tot de meest belangrijke conclusie in mijn onderzoek: Het is mogelijk dat een mens door het sterven van een eigen kind ontdekt waarom het gaat in een mensenleven.
Vervolgens heb ik aandacht besteed aan de vraag hoe een mens in lijden zou kunnen ontdekken waarom het gaat.
Na enkele mislukte pogingen, kwam ik uiteindelijk tot de conclusie dat een mens datgene waarom het gaat, niet zelf kan ontdekken of verwerven, maar het onder bepaalde voorwaarden kan ontvangen van de werkelijkheid. Om daar wat meer duidelijkheid over te verkrijgen heb ik een omweg gemaakt naar de Joods-Christelijke traditie en naar Heidegger. Het werd steeds duidelijker dat een mens in een luisterende eerbiedige en liefdevolle houding terug dient te gaan naar datgene wat er gebeurd is, om te kunnen horen waarom het gaat.
8.0.2 Opzet van dit hoofdstuk
In dit laatste hoofdstuk wil ik trachten meer duidelijkheid te verkrijgen over de inhoud van datgene waarom het gaat.
Na aandacht besteed te hebben aan mijn geëngageerd benadering van de vraagstelling in mijn onderzoek , maak ik drie bewegingen waarin ik duidelijk probeer te maken dat een mens altijd onmachtig is.
In de eerste beweging geef ik aandacht aan de twee onzichtbaarheden van Merleau Ponty: de onzichtbaarheid door de beperkende situatiegebondenheid van een mens, en de onzichtbaarheid die inhoudt, dat er altijd iets onzichtbaar is.
Vervolgens verdiep ik me in transcendentie als iets wat altijd ontsnapt aan de controle van een mens.
In de derde beweging benader ik de opvatting dat een mens gedecentreerd is, niet door een bepaalde gebeurtenis of een situatie, maar altijd.
De conclusie is dat een mens niet alleen onmachtig is door een bepaalde gebeurtenis, maar dat hij altijd onmachtig is. Dat er dus altijd een niet-kunnnen is. In een mens is er dus iets wat fundamenteel tot het menselijke behoort en wat tegelijk altijd ontsnapt( Voetnoot Lyotard spreekt in die zin over het onmenselijke -Boek noemen ). Om dat allerdiepste in een mens gaat het me en ik vraag me af, of een mens toegang kan verkrijgen tot dat diepste innerlijk.
Vervolgens zoek ik naar een relatie tussen lijden en de weg naar het centrum van een mens, naar het allerdiepste niet-kunnen, dat door mij genoemd wordt: Het andere in mij en trok de zeer belangrijke conclusie dat lijden een toegangspoort kan zijn voor dat allerdiepste in een mens.
Tenslotte probeer ik te verduidelijken dat deze onmacht, als het aanvaarden van een allerdiepste niet- kunnnen niet behoeft te leiden tot niets kunnen, maar dat het openingen kan inhouden tot een nieuwe creativiteit.
8.1 Afstand, nabijheid en onzichtbaarheid
8.1.0 Vooraf
In dit gedeelte geef ik allereerst aandacht aan enkele moeilijkheden ten aanzien van een geëngageerde vraagstelling. Ter verduidelijking hiervan wend ik me tot Merleau Ponty Voetnoot Boek van Merleau Ponty (Zie Bakker) Daaraan gekoppeld geef ik aandacht aan twee gevaren van een (geëngageerde) vraagstelling, zoals die door P. Van Tongeren naar voren zijn gebracht. Vervolgens geef ik aan dat er naast een situationele beperking - die bestaat omdat een mens 'in de wereld' is - er altijd een niet-kunnen is, omdat een mens sterfelijk is. .
8.1.1 De vraagstelling van deze scriptie is situatiegebonden
Vanuit een feitelijke situatie en vanuit een geleefde ervaring ontwikkelde ik in mijn onderzoek een vraagstelling, want ik vond het noodzakelijk om deze zelf te ontwikkelen. Ik verdiepte me in vragen die in de feitelijkheid geworteld zijn en dan met name de werkelijkheid als deze moeilijk en zwaar is, als een mens niet weet waar hij het moet zoeken, omdat hem iets overvalt, wat hem totaal uit zijn evenwicht brengt, en hem brengt tot radeloosheid, zodat hij de woorden niet kan vinden om te uiten wat hem ten diepste raakt.
Ik schrijf vanuit een achtergrond - en voor mij is het duidelijk dat het niet gaat om een willekeurige achtergrond, of die van een ander, of zelfs van een grote filosoof, - waardoor ik vanuit een bepaald standpunt naar problemen kijk. Vanuit dat standpunt lees en herlees ik (filosofische) teksten, op zoek naar steun en ik doe dat met durf, omdat ik gegrepen ben door een bepaalde vraagstelling, waarvoor ik in het leven geplaatst ben. Het is een vraagstelling, waarmee ik geëngageerd ben, waarbij ik zelf in het geding ben. Dat maakt het juist heel moeilijk om er over te schrijven onder meer in verband met de te houden afstand, die blijkbaar vereist is in een wetenschappelijke scriptie.
8.1.2 Merleau Ponty en de afstand
8.1.2.1 De kosmotheoros
Merleau Ponty schrijft in Le visible et l'invisible over de kosmotheoros, de zuivere toeschouwer die de kosmos ziet, dat wil zeggen, zichzelf beschouwt als er radicaal buiten staand. Zijn standpunt is te vergelijken met the point of view of nowhere van de analytische filosofie. Volgens Merleau Ponty is dit neutrale standpunt onmogelijk, want een mens is ìn de wereld.
Hij benadrukt dat er altijd een blinde vlek is. Dat heeft te maken met het gegeven dat een mens nooit een neutrale toeschouwer is maar altijd een standpunt inneemt. Een mens kan nooit alles tegelijk zien. Als hij naar de achterkant van een object kijkt, moet hij van standpunt veranderen om de voorkant te kunnen zien. Op die plaats en dat moment kan hij een object nooit aan alle kanten zien. Dit noemt Merleau Ponty de eerste vorm van onzichtbaarheid dat wil zeggen dat er iets onzichtbaar is dat door verandering van standpunt zichtbaar wordt.
8.1.2.2 De eerste onzichtbaarheid als in de wereld zijn
De eerste onzichtbaarheid is er dus, omdat een mens in de wereld is, want "In de wereld zijn", is in de problemen zijn, er zich tussen bevinden en er aandachtig en zorgvuldig mee omgaan. Met problemen omgaan is niet iets buiten een mens, ook niet iets in het hoofd, maar veel meer in het hart, zodat er betrokkenheid aanwezig is.
"In de wereld zijn", wil dus zeggen dat een mens doordat hij een standpunt inneemt altijd slechts een gedeelte ziet en soms iets specifieks. Als anderen dat gedeelte niet zien, is het moeilijk te communiceren, vooral als het eigen leven dat specifieke als focus heeft. Wat iemand onverwisselbaar maakt, is dat er iets in deze persoon is, waardoor hij niet samenvalt met een ander en dat wordt extra duidelijk door een gebeuren als het sterven van een eigen kind. Er is dan een leegte in die mens die niet opgevuld kan worden en het is een leegte die alleen in zijn leven aanwezig is, als die bepaalde leegte. Omdat hij leeft vanuit die singuliere leegte is communicatie met anderen (bijna) onmogelijk.
8.1.2.3 Geen fusie
Merleau Ponty valt, zoals al eerder vermeld, het specifieke wetenschappelijke standpunt aan van de wetenschapper die zich als afstandelijk subject plaatst tegenover het object, en registreert wat hij waarneemt, maar hij benadrukt ook regelmatig dat een mens wel ín de wereld en ook ván de wereld is, maar dat hij de wereld niet is. Hij verzet zich namelijk behalve tegen een te grote afstandelijkheid ook tegen fusie of coïncidentie, of samenvallen met de wereld. Een te kleine afstand is volgens Merleau Ponty dus ook niet goed, maar hij gaat er wel van uit dat de benodigde afstand zeer klein moet zijn.
Hij stelt dat er een membraan, een zeer dunne doorzichtige doordringbare scheidingswand bestaat tussen mij en de wereld, want ik hoor bij iets en dat iets hoort bij mij, maar ik ben het nèt niet. Als er echter geen coïncidentie bestaat, ben ik niet ìn de wereld.
8.1.3 De opvatting van P.J.M. van Tongeren
8.1.3.1 Het gevaar van de te grote afstand
Volgens Van Tongeren wordt een (geëngageerde) vraagstelling bedreigd door een dubbel gevaar.( Voetnoot, P.J.M. van Tongeren Politiek en moraal vanuit Aristotelisch perspectief.) Aan de ene kant is er het gevaar van desengagement: " Wie zich zozeer losmaakt van de problematische condities, dat hij ze als het ware 'sub specie aeternitatis' (onder het opzicht van de eeuwigheid) kan beschrijven, is daarmee nog lang niet in staat iets te zeggen dat voldoende verstaanbaar en toepasbaar is, om aan zijn inzichten ook praktische betekenis te geven". (Voetnoot Idem p.50). Ik ben het eens met Van Tongeren, want ik heb bij de benadering van mijn vraagstelling grote moeite met een afstandelijke blik, want een mens bevindt zich altijd in een situatie.
8.1.3.2 Het gevaar van de te kleine afstand
Naast het gevaar van de te grote, is er ook het gevaar van de te kleine afstand. Volgens Van Tongeren is er "de dreiging, dat onze eigen horizon het zicht op radicale antwoorden wegneemt. De vraag kan in zulke mate zelf door het probleem geconditioneerd zijn, dat de afstand ontbreekt die nodig is om de probleemsituatie adequaat te beschrijven. Zo is bijvoorbeeld degene die radeloos is, dikwijls niet in staat om zijn radeloosheid te formuleren in een vraag die een werkelijke oplossing mogelijk maakt." (Voetnoot Van Tongeren 50)
8.1.4 Commentaar op de opvatting van Van Tongeren
8.1.4.1 Formuleren van radeloosheid?
Hoewel ik het met enerzijds met Van Tongeren eens ben dat een zekere afstand tot een probleem noodzakelijk is om het adequaat te beschrijven en dat iemand die radeloos is niet in staat is zijn radeloosheid te formuleren in een vraag die een werkelijke oplossing mogelijk maakt. Hoewel ik bovendien net als hij een grote omweg maak naar allerlei richtingen op zoek naar steun voor mijn problematiek, twijfel ik anderzijds ook aan de opvatting van Van Tongeren, omdat ik van mening ben dat hij niet naar voren brengt, waar het om gaat, als iemand radeloos is (door het sterven van een kind). In feite stelt hij dat een radeloos iemand, door een te grote dichtbijheid, of een te kleine afstand zijn probleem niet goed kan formuleren en uiteraard ben ik het daarmee eens, maar bij de conclusie dat daardoor geen werkelijke oplossing mogelijk is, zet ik grote vraagtekens: Misschien gaat het er niet om de radeloosheid goed te formuleren en is het ook niet het belangrijkste dat een radeloos iemand zijn probleem zó formuleert, dat het opgelost kan worden. Misschien gaat het noch om die adequate beschrijving, noch om de juiste oplossing en misschien ligt er ook geen relatie tussen het precies formuleren en het oplossen.
8.1.4.2 Het belang van radeloosheid
In mijn onderzoek zoek ik naar het belang van radeloosheid en naar het belang van het niet kunnen uiten en er niet bij kunnen en het niet kunnen formuleren.
Ik schrijf over het gegeven dat er in het leven zeer fundamentele gebeurtenissen zijn die aan onze controle ontsnappen, zodat we ze nooit goed kunnen formuleren, omdat er aan onze formuleringen altijd iets ontsnapt. Ik zoek naar het belang van onvolmaaktheid, disharmonie en discontinuteit. Het gaat me juist om de ongrijpbare en ongestructureerde en onformuleerbare ervaringen in het leven. Ik pleit voor een herwaardering van breuken en barsten, van onmacht en niet-kunnen, van kwetsbaarheid en lijden.
Ik vraag mij af, of grenzen, beperkingen en onmacht leiden tot wanhoop, cynisme, ontkenning verdringing en eenzaamheid, of zelfs tot het krampachtig zoeken naar genot waarin men eenzaam blijft, of dat ze door hun aanwezigheid kunnen leiden tot een dieper bestaan en daardoor perspectief kunnen geven aan een moeilijk leven. (Voetnoot G. M. van Asperen, Eindigheid als perspectief, in Wijsgerig perspectief 28 (1987/88 (3) p.85 e.v.)
Na de uitleg van de eerste onzichtbaarheid, geef ik nu aandacht aan de voor mijn onderzoek zeer belangrijke tweede onzichtbaarheid.
8.1.5 De tweede onzichtbaarheid
Merleau Ponty stelt dat er na de eerste belangrijke onzichtbaarheid nog een tweede veel fundamentelere onzichtbaarheid is, die inhoudt dat er altijd iets onzichtbaar is. Ook al neemt een mens allerlei standpunten in, er blijft altijd iets verborgen. Er is altijd een niet zien, en er is altijd een niet horen en er is altijd een niet kunnen.
Deze tweede onzichtbaarheid is er, omdat een mens als eindig wezen in de wereld is.
Hoeveel standpunten een mens ook inneemt er is altijd iets onzichtbaars en iets wat ontsnapt en er is altijd leegte en dat komt omdat een mens leeft als een sterfelijk wezen in de wereld. Een mens heeft ideeën nodig, maar het grote misverstand is dat het zuivere ideeën moeten zijn. Dat we net zo lang moeten zoeken tot ze zuiver zijn. Het gaat er echter om toe te laten dat er altijd iets ontsnapt en altijd al ontsnapt i
8.2 Transcendentie als datgene wat aan de controle ontsnapt
8.2.0 Vooraf
In dit gedeelte verdiep ik me verder in de opvatting dat er altijd iets ontsnapt en dat er altijd iets is wat we niet onder controle hebben. Ik noem dat transcendentie of 'het andere in mij, of het onmenselijke zoals lyotard dat omschrijft Voetnoot Het onmenselijke). Ook in dit gedeelte gaat het er om dat er niet alleen een situatiegebonden beperktheid is, maar dat er altijd een tekort is.
8.2.1 De vraag
In de huidige westerse maatschappij houdt men nauwelijks rekening met het gegeven dat er iets zou kunnen zijn wat aan de controle ontsnapt en wat overstijgt , want er worden steeds meer pogingen ondernomen, de transcendentie onder de immanentie te brengen en daarmee controleerbaar te maken.
Het is een belangrijke vraag of we in staat zijn weerstand te bieden aan het beheersmatige en ons af te vragen of we ons diepste innerlijk, onze eigenheid nog kunnen redden of dat we meedoen met de illusie dat alles beheersbaar is en voortrennen in een wereld die aan diepte verliest. Misschien zou lijden tot die redding een bijdrage kunnen leveren
8.2.2 Het onmenselijke ligt niet buiten een mens
In deze beheersmatige wereld wordt regelmatig op een of andere manier het diepere in de mens aangetast, maar de oorzaak daarvan wordt door velen buiten de mens zelf geplaatst en toegeschreven aan de wetenschap, de techniek, het christendom, de metafysica enzovoort. De vraag kan gesteld worden of de oorzaak van die aantasting ten diepste in de mens zelf ligt.
Lyotard spreekt in verband met die vraag over onmenselijkheid en hij bedoelt daarmee niet een ontkenning van het menselijke, zoals dat onder meer gezegd wordt bij een onmenselijk verdriet om het sterven van een kind, maar onmenselijk is bij Lyotard iets positiefs. Het is datgene wat zich in de mens bevindt, ja zelfs tot de essentie van het menselijke behoort, en tegelijk ontsnapt aan de greep van de mens.
Bij Lyotard en ook bij Merleau Ponty gaat het er niet om dat een mens treurt, omdat hij iets verloren heeft door een bepaalde gebeurtenis, maar het wezenlijke is dat ieder mens iets in zich heeft, wat hij altijd al verloren heeft. (Voetnoot Dit onmenselijke bij Lyotard heeft dezelfde structuur als het onzichtbare bij Merleau Ponty)
8.2.3 Het andere in mij
Een andere ingang voor Merleau Ponty's het onzichtbare en Lyotards het onmenselijke is 'het andere in mij'. Daarmee wordt bedoeld dat een mens nooit helemaal bij zich zelf kan zijn en dat er altijd onmacht is. Een barst in een leven is niet te wijten aan een gebeurtenis, zoals het sterven van een kind, of aan een externe causale factor, maar het eigene is altijd al gebarsten en er is altijd al een scheur in de werkelijkheid en er is altijd al een niet kunnen.
'Het andere' is niet buiten mij, maar in mij. Niet zoals water zich in een fles bevindt in ruimtelijke zin, maar in een pre-ruimtelijke zin. Het andere is in de mens zonder tot die mens te behoren en toch is het er in. Er is iets ìn een mens en tegelijk is het buiten. We kunnen het niet vatten, want het is meer intiem dan het intiemste in ons. Augustinus spreekt van intimior intimo meo en Lacan noemt het extiem.
Een belangrijke al eerder gestelde vraag is opnieuw of we via lijden dichter bij dat onmenselijke kunnen komen.
8.2.4 De droom van de controle
Volgens de denkbeelden van de Verlichting en van het beheersmatig denken is er een onmondigheid die een mens kan kwijt raken, maar volgens het idee van het onmenselijke behoort die onmondigheid intrinsiek tot een mens en kan hij er nooit van verlost worden, noch kan hij zichzelf er van verlossen. De droom van de Verlichting en het beheersmatig denken is de droom van de controle, maar er is altijd een probleem dat aan die greep ontsnapt. Ten diepste kunnen we stellen dat een mens niet tekort schiet op een moment, maar dat een mens altijd tekort schiet. In die zin is lijden niet een toevallig kenmerk van leven door een toevallige gebeurtenis, maar is leven altijd altijd lijden, hoewel we dat ons zelden realiseren en concreet lijden veel pijn doet.
8.3 DECENTRERING
8.3.0 Vooraf
Nadat ik in de eerste twee delen van dit hoofdstuk aandacht geschonken heb aan het niet-kunnen als het onzichtbare en het onmenselijke, als het andere in mij, maak ik in dit deel het niet-kunnen duidelijker door aan te stippen dat een mens gedecentreerd is. Het belangrijkste in dit hoofdstuk is de gedachte dat lijden een centrifugale richting kan hebben, dat wil zeggen dat de mogelijkheid bestaat dat lijden een mens dichter bij zijn centrum brengt. Vervolgens stel ik dat het
besef van gedecentreerdheid een vage schuld met zich mee brengt en dat een mens een sterke drang in zich heeft die met een ander te delen.
Tenslotte leg ik een relatie tussen sterfelijkheid en gedecentreerdheid. Ik ga daarvoor naar Heidegger en op een later moment naar de psychotherapeut M.A. van Kalmthout.
8.3.1 Enkele aspecten van decentrering
8.3.1.0 Vooraf
Een mens is slechts, wat hij is, door een bepaalde achtergrond, door een soort afhankelijkheid van iets, waarvan hij niet los kan komen. Hij zal daardoor zijn eigen houding nooit helemaal kunnen verklaren en soms is dat heel pijnlijk, met name als hij geconfronteerd wordt met afwijkende opvattingen van mensen die dichtbij hem zijn. Het is voor hem heel moeilijk met die anderen om te gaan, want hij heeft een standpunt, maar hij kan het nooit helemaal begronden of beargumenteren. In feite wordt hij nooit helemaal begrepen. Dit gemis in een persoon noem ik in dit hoofdstuk decentrering van het subject.
8.3.1.1 Decentrering is onmenselijk
Decentrering van het subject wil niet zeggen dat het subject dood is, maar dat het in zijn diepste wezen altijd afhankelijk is (Voetnoot Lacan), wat wil zeggen dat de soevereiniteit en de autonomie van een mens wordt bevraagd. Het subject is afhankelijk van een centrum, maar het zware daaraan is dat een mens er nooit helemaal bij kan en er ook nooit van wegkomt en niet weet wat er zich in dat centrum bevindt. Het subject beweegt zich steeds rondom het centrum verwikkeld in centrifugale en centripetale bewegingen.
Lyotard noemt dit centrum om die redenen onmenselijk en daarom is decentrering onmenselijk. Het onmenselijke is dat een mens er geen toegang toe heeft en dat hij er ook niet van kan loskomen. Als voorbeeld noem ik weer de naam, want alle grote tragiek heeft te maken met de naam en zeker de naam van zijn kind als het gestorven is. Een mens kan van alles doen voor zijn naaam en die van zijn kind ook al is het gestorven. Een mens heeft de verplichting te geven om zijn naam, maar ten diepste weet hij niet wat dat betekent. Hij weet niet of het goed is wat hij doet en wat hij gedaan heeft.
8.4 Lijden als toegangspoort tot 'het andere in mij'.
8.4.0 Vooraf
In het volgende gedeelte van dit hoofdstuk zoek ik naar een relatie tussen lijden en 'het andere in mij.' Ik stel de vraag of een mens dóór en voorbij het lijden kan komen tot het besef van een niet kunnen, dat als uitgangspunt zou kunnen dienen voor zijn verdere leven.
8.4.1 Gedecentreerdheid en sterfelijkheid
8.4.1.1 Eigenlijk leven als sein zum Tode
Een belangrijke gedachte ten aanzien van de gedecentreerdheid is, dat deze fundamenteel verbonden is met wat sterfelijkheid zou kunnen betekenen. Heidegger schrijft in Sein und Zeit over eigenlijkheid en oneigenlijkheid, over wat een mens eigen en wat hem oneigen is. Hij legt uit dat het verschil tussen die twee gemaakt moet worden in een soort weg naar de eindigheid, via de ervaring van het 'sein zum Tode'. Het op een eigenlijke manier beleven van onze sterfelijkheid zegt ons iets over wie wij zijn en wat eigen is aan ons.
Sein und Zeit is een geweldige poging om vanuit het Sein zum Tode
het Dasein te confronteren met wat het is, dat wil zeggen met zijn echte ontologische structuur. Die confrontatie is noodzakelijk, want het Dasein vergeet meestal zijn echte ontologische structuur en leeft daardoor in de oneigenlijkheid.
Volgens Heidegger wordt het Dasein door het sein zum Tode teruggeworpen op wat het werkelijk is, namelijk op zijn individualiteit, zijn singulariteit en zijn onverwisselbaarheid. Dit kan niemand hem afnemen en dat wordt duidelijk in de dood, want niemand kan sterven in plaats van een ander.
8.4.1.2 Besef van eigen sterfelijkheid impliceert een niet-kunnen
Ik wil benadrukken dat het beseffen van het sterfelijk zijn, te maken heeft met de ervaring dat er iets is wat een mens ontglipt, iets waarover hij geen macht heeft. Er is dus een niet-kunnen.
Ook het op een eigenlijke manier beleven van het sterven van een eigen kind en daarmee verbonden, van de eigen sterfelijkheid heeft te maken met de ervaring van onmacht en van niet-kunnen
Door Heidegger wordt echter in Sein und Zeit de dood niet als een niet-kunnen gedacht, maar als een kunnen, als de laatste en diepste mogelijkheid, als de mogelijkheid van de onmogelijkheid. Visker stelt echter dat de dood de onmogelijkheid is van de mogelijkheid, want de ervaring van Sein zum Tode is de ervaring van iets niet-kunnen, van iets dat ontglipt.
Dat niet-kunnen is niet louter een negativiteit van kunnen, maar ik beschouw het als een positief fenomeen. Niet-kunnen is niet een afwezigheid van kunnen, maar het is iets waar ik geen toegang toe heb, en waar ik afhankelijk van ben.( Voetnoot Deze opvatting bracht Visker naar voren in zijn collegereeks gegeven aan de K.U. te Nijmegen, getiteld "De dood en de ander")
8.4.2. Lijden als toegangspoort tot het 'andere in mij'.
8.4.2.0 Vooraf
De decentrering van een mens kan zich op allerlei manieren concreet uiten, maar met name in het lijden om het sterven van een geliefde, blijkt de onmacht duidelijk.
In het lijden ervaart een mens een niet kunnen en een onmacht die zich uitstrekt over allerlei aspecten. De lijdende mens is onmachtig ten aanzien van de dood van zijn kind, is onmachtig in het nemen van afscheid, want hij kan geen afscheidswoorden vinden, is onmachtig in het uiten van zijn verdriet en voelt een grote onmacht ten aanzien van de toekomst. Hij is onmachtig, want hij heeft geen toegang tot de dood van zijn kind en hij kan er ook niet van loskomen.
8.4.2.1 Toegang is mogelijk.
Door de vele onmacht situaties is het lijden een centripetale mogelijkheid naar het onmenselijke in hem, dat inhoudt dat hij beseft dat hij altijd onmachtig is.
Lijden is een mogelijke toegangspoort naar het diepste innerlijk van een mens, waarin hij als sterfelijk wezen zijn onmacht en zijn niet kunnen accepteert. In die weg naar de diepte die herhaaldelijk moet worden afgelegd in een vaak wanhopig zoeken naar de weg, kan de gestorvene zelf een hulp zijn, om dat de weg naar en door het lijden ook een weg is in een liefdevol gedenken. Door de diepe relatie met de gestorvene te tonen in een gedenken, ontsnapt een verdrietig mens niet alleen aan het egoïsme van verdriet, ontvangt hij niet alleen troost, eert hij niet alleen de gestorvene maar beweegt hij zich in het gedenken steeds verder naar zijn diepste innerlijk, waar hij zijn onmacht en zijn niet kunnen ervaart, doordat de werkelijkheid zich steeds meer voor hem opent.
Lijden heeft echter ook een centrifugale mogelijkheid, want een mens wil dat verschrikkelijke lijden niet langer voelen en gaat daarom zo snel mogelijk terug naar de maatschappij, waarin hij zijn autonomie kan tonen.
8.5 Niet kunnen als basis
Onmondigheid onmenselijkheid, onzichtbaarheid, niet-kunnen en onmacht houden niet het failliet van de mens in. Het vereist echter wel een grote creativiteit om er mee om te gaan. We zien mogelijkheden op verschillende gebieden
8.5.1 Niet-kunnen als basis voor filosofie
8.5.1.1 Het gaat om het uithouden van een tekort
Ten aanzien van filosofie kan gesteld worden dat we in de filosofie misschien niet moeten beginnen met mogelijkheidsvoorwaarden om daarna, daarvan af te leiden wat een mens wel kan en niet kan, maar misschien moeten we het omgekeerde doen en beginnen met het niet-kunnen en het gedecentreerd zijn.
Het gaat wellicht om het onvermogen iets, waaraan we geen betekenis kunnen geven en wat we niet kunnen verklaren, uit te houden tegenover de wetenschappelijke attitude die er op gericht is, dat niets ons ontsnapt.
8.5.1.2 Een tekort is fundamneteel
Herman De Dijn stelt dat "verstaan het omgekeerd is van een perfecte transparantie en dat het een wezenlijke onafsluitbaarheid vertoont." (p.90)" Deze opvatting van verstaan impliceert dat "het nooit perfect transparant zijn ...het nooit af te sluiten zijn van het verstaan, geen betreurenswaardige tekorten zijn, maar integendeel noodzakelijke voorwaarden voor het verstaan...." (Idem 91)
Het proces van verstaan is te vergelijken met conversatie, waarin het ook niet gaat om totale transparantie, want dan is het gesprek afgelopen. Het is een nooit-af-te-sluiten proces van uitwisselingen en reacties. Het gaat er in het verstaan om dat men weet dat het andere en de ander altijd ontsnapt dat er altijd asymmetrie en altijd radicale begrensdheid bestaat. Dit zijn geen gebreken of uitzonderingen, maar het zijn wezenlijke verschijnselen van het verstaan. Het gaat om de expliciete erkenning en, aanvaarding van een onvermijdelijke grens. Asymmetrie is geen tekort, maar is vanuit de aanvaarding een uitgangspunt, voor het accepteren van het altijd mislukken van een volledig verstaan.
Wellicht is niet kunnen oorspronkelijker dan kunnen en is onmacht fundamenteler dan macht.
8.5.2 Niet-kunnen als basis voor een therapie
8.5.2.0 Vooraf
Het lijden om het sterven van een kind is voor mij een duidelijke concretisering van de decentrering, want een verdrietig mens is afhankelijk van iets, maar hij weet niet wat dat iets precies van hem vraagt en hij is niet in staat er los van te komen.( Voetnoot Zie Hoe overleven we de vrijheid en Kan kennis troosten). De benadering van het rouwproces in een fasenmodel veronachtzaamt deze decentrering en de onmondigheid, met name van de rouwende mens, maar in feite ook van de therapeut. Moge de eenzijdige benadering voor de onderzoeker geen probleem zijn - want in zijn ivoren toren schaadt hij niemand, of hoogstens zichzelf - maar voor de praktizerend therapeut kan dit leiden tot een situatie die de cliënt van de regen in de drup brengt en hem zelfs verhindert in zijn zoektocht naar het mysterieuze innerlijk. Het is voor mij duidelijk dat voor diepgaande persoonsveranderingen modellen, methoden en technieken averechts werken. Ze zullen niet veel anders doen dan de werkelijkheid trachten te beheersen of liever gezegd toe te dekken.
Een fundamenteel andere therapie dan die volgens het fasenmodel is mogelijk. Zoals ik in het voorafgaande stelde dat het niet- kunnen een basis is voor het kunnen, zo komt Van Kalmthout als hoogleraar in de psychologie met als specialisatie psychotherapie, tot dezelfde conclusie. Belangrijk is dat hij aan die onmacht sterfelijkheid verbindt.
8.5.2.1 De opvatting van Van Kalmthout (Voetnoot zie boek)
Van Kalmthout stelt dat het een bekende klinische ervaring is, dat vele cliënten met angststoornissen uiteindelijk bang zijn voor het verliezen van hun autonomie en hun ego.
De westerse psychotherapie is mede op basis van dergelijke onderzoeken gericht op het versterken van het ego en van de autonomie en het herstellen van een gedesorganiseerd of verzwakt 'ik'.
Van Kalmthout heeft echter weinig vertrouwen in een dergelijke therapie. Hij zegt het aldus: "Het is mijn ervaring en die van vele anderen dat er in de psychotherapie (en ook daarbuiten) weinig fundamentele verandering plaats vindt....... Wat wel gebeurt is dat cliënten meer zicht krijgen op hun problemen, anders leren praten en doen( bv. assertiever worden), zich leren ontspannen en/of controleren etc. Dit alles is zeker niet onbelangrijk, maar de diepliggende problematiek blijft onveranderd, ook na vele jaren. Het lijkt er vaak op dat er een zekere aanpassing heeft plaats gevonden, een "ermee leven", maar zeker geen "fundamentele" of"persoonlijkheidsverandering". De biologische en psychologische conditionering is dermate sterk (vooral door een traumatisch verleden dat er veelal aan ten grondslag ligt) dat de psychotherapie, zowel in de ervaring als in het wetenschappelijk onderzoek, een uiterst zwak en in doelstelling beperkt middel blijkt."(Voetnoot, Idem 142)
Van Kalmthout vraagt zich af, of er een oplossing te vinden is door het zelf en de autonomie op te geven.
Hij stelt nogmaals dat uit voorbeelden van psychopathologieën blijkt dat in veel gevallen het "ego" in het geding is. Een mens voelt zich bedreigd in zijn diepste zelf, heeft een negatief zelfbeeld en gebrek aan autonomie. In veel therapieën ook die gebaseerd is op het fasenmodel gaat het er om het ego weer op te krikken en de autonomie te herstellen. Er is echter meer aan de hand, want achter het zich bedreigd voelen in zijn ego en in zijn autonomie ligt de doodsangst, omdat dan het zelf definitief tot een einde komt.
Van Kalmthout komt tot de conclusie dat het accepteren van de eigen eindigheid en daaraan gekoppeld het accepteren van het wegvallen van autonomie en het einde van het egocentrisch streven, wellicht de meest algemene vorm zou moeten zijn van therapie. Hij zegt het zo en ik ben het helemaal met hem eens : " De fundamentele verandering lijkt niet te liggen in het versterken van het "ik", maar in het "verdwijnen ervan". (voetnoot,Idem 143). Hiermee wordt geen depersonalisatie of een totaal afhankelijke toestand bedoeld, maar het is niets anders dan dat een mens zich een fundamenteel niet-kunnen realiseert.
Het is paradoxaal maar een mens die dat bereikt, is op basis daarvan creatiever en krachtiger dan ooit. Het is een toelaten van het afbreken van de autonomie, maar het is zeker geen toestand van passiviteit, depressie, of hulpeloosheid. (Voetnoot idem 144)
Er lijkt vanuit het accepteren van een onmacht een kracht te werken die groter en sterker is dan het ik van de krampachtig zoekende mens naar macht, want het toelaten van onmacht is niet het einde van het subject, maar geeft in zijn breking een prisma van kleuren en mogelijkheden.
8.5.3 Niet kunnen als basis voor literatuur
8.5.3.0 Vooraf
Onmacht is vaak aanwezig in literatuur, maar het paradoxale is dat er dichters zijn die daar vanuit prachtige poëzie kunnen maken. (Voetnoot Dichter in het grensgebied 19).
Onderstaande gedichten bevatten beiden een paradox, en verhalen een tekortschietende poging tot dichten. Juist de verwoording van de onmacht en het tekort, resulteren in prachtige gedichten. (Voetnoot Dichter in het grensgebied 19)
8.5.3.1 Nijhoff
Bij Nijhoff zien we dat hij in veel van zijn gedichten de nadruk legt op een venster of op een raam, maar opvallend is dat de hoofdpersoon niet voor het raam zit, maar er in. Het gaat hem niet om uitzicht, maar om inzicht (Voetnoot, Idem 66). Een persoon die in een venster zit, bevindt zich op het snijvlak van twee werelden, net niet binnen en net niet buiten. Deze metafoor kan men zien als een moment waarop de ene situatie overgaat in een andere.
In het werk van Nijhoff ziet men dan ook een grote gerichtheid op plotselinge veranderingsmomenten : " Dichten is van de ene toestand naar de andere overgaan en om dat moment van overgang, deze drempelervaring gaat het." (Voetnoot idem, 68)
Uit het gegeven dat Nijhoff zich in het veranderingsproces niet richt op de toekomst, maar de gedichten als het ware afbreekt als hij het verleden heeft verteld, komt duidelijk onmacht naar voren.
Nijhoff geeft de onmacht prachtig weer in het volgende sonnet.
Op deze plek heeft een gedicht gestaan.
't Beviel mij niet. Toen ik het op wou knappen,
toen bleef er, toen mijn pen begon te schrappen,
per slot van rekening geen woord van staan.
Het gaf een beeld van 't schrijverlijk bestaan,
zijn zelfverwijt en andere eigenschappen.
Het was vooral triest door de trieste grappen.
Neen, het was goed noch slecht, er was niets aan.
Het was geïnspireerd op een Jan Steen:
Elia - misschien zal u dit verbazen -
Elia met de raven om zich heen.
Mijn vogels werden stenen door de glazen,
en mijn Elia werd vel over been.
Hier rust zijn as. Requiescat in pace.
In de afwijzing van het vroegere gedicht wordt het gedicht zichtbaar en krijgt de onmacht een nieuwe gestalte. Zonder die onmacht zou dit nieuwe sonnet nooit zijn ontstaan.
Vanuit de onmacht en het niet-kunnen ontstaat wat hij uiteindelijk in taal ontwikkelt.
8.5.3.2 Roland Holst
Onmacht vinden we ook terug in het prachtige gedicht van A.Roland Holst, waarin de gestorvene een bron is voor de dichter (Voetnoot Het gestorven kind van A. Roland Holst, De Wilde Kim 13)
Het gestorven kind
De moeder zingt:
Ik sliep vannacht mezelve vrij
uit wolk van dit verdriet-
tot ik, voorbij, den tijd ontwaakt,
keek in een leeg gebied,
en hoorde tussen maan en sneeuw
zijn stem, maar zag hem niet.
Hij zong; ik voelde dat hij stond
voor mij, en zag mij aan-
het werd mij daar zo licht, ik kon
zijn zingen niet verstaan;
Ik wist alleen nog dat mijn kind
zong tussen sneeuw en maan.
Hij zong zo ijl, hij zong zo blij,
dat ik niet treuren mag
om hem, die zingen kan en nooit
de donkre dagen zag-
O, als wat ik hem gaf, maar niet
versmaad begraven lag...
Wat ik hem gaf...neen, neen, wat hij
mij zond -o wonderlijk-
een licht blad van een roos, die bloeit
nog buiten mijn bereik:
een teken van zijn liefde, die
mij wacht in een ver rijk.
Bij wijze van commentaar op bovenstaande gedicht citeer ik de Duitse dichter R. M. Rilke die eenzelfde paradox naar voren brengt. Rilke schrijft: "Als iets van ons weggenomen wordt, waarmee we een intense en wonderbaarlijke band hebben, dan wordt een groot deel van ons zelf weggenomen. Het goddelijke in ons echter wil, dat we ons zelf terug vinden, rijker door al wat verloren ging en sterker door alle oneindige pijn". (Voetnoot, Vindplaats zoeken)
8.5.4 Niet kunnen als basis voor het leven
8.5.4.0 Vooraf
Hoewel ik mijn zoektocht voortzet, wil ik ten aanzien van de vraag of lijden perspectief kan bieden aan een leven niet te optimistisch zijn, want vaak is lijden zo groot, dat we slechts kunnen constateren, dat er in het leven niets gebeurt, dat er geen nieuwe zin meer is, dat de uitgesproken gedachte de laatste is, dat het verhaal stokt dat het ritme verdwijnt en het levenslied niet meer klinkt.
Optimisme is niet op zijn plaats over het omgaan met onmacht en verdriet, want de onmacht kan zich ook in bittere machteloosheid, lusteloosheid en levensonmacht uiten. ( Voetnoot. Ontkenning van de dood)
Een lijdend mens balanceert op het slappe koord van de werkelijkheid, voortdurend beseffend dat er geen weg terug is, niet wetend hoe hij vooruit moet komen en bewust van het gevaar te vallen in een nieuw verdriet.
Wanneer de weg terug is afgesneden en wanneer de weg vooruit een doolhof is, wat moet een mens dan doen. Misschien gaat het er alleen maar om het leven uit te houden en toe te laten dat het lijden er is.
Misschien kan de gedachte helpen dat het er in eerste instantie niet om gaat de weg naar buiten te zoeken, maar veel meer de weg naar binnen, naar het eigen innerlijk. Een mens kan wellicht niet naar buiten, als hij niet eerst heel diep binnenwaarts gaat.
8.5.4.1 Het innerlijk wordt herontdekt
De "redding" van de lijdende mens, ligt niet in een versterken van de autonomie of het vergroten van zijn mogelijkheden, maar ligt in het herontdekken van zijn inwendig leven, waarin hij afdaalt, of opstijgt tot zijn eigen oorsprong. Diep in zijn innerlijk kan de mens het diepste van alle werkelijkheid ervaren. Dit ervaren kan uitgroeien tot een existentiële houding, die heel de mens doordringt en zich in heel zijn leven integreert. Het is geen houding van weten of verklaren, maar het is veel meer een diep vertrouwen vanwaaruit een mens steeds beter leert te luisteren naar de boodschap van zijn diepste innerlijk. Iedere poging tot rationele rechtvaardiging is bij voorbaat vruchteloos, omdat een rechtvaardiging alleen maar plaats kan vinden op basis van diezelfde transcendentie die het verstand overstijgt.
(Voetnoot Louis Dupré en Edith Cardoen, Terugkeer naar innerlijkheid, Antwerpen, Amsterdam z.j. 13. In dit boek wordt ook uitgebreid aandacht besteed aan de vele moeilijkheden waarmee een mens geconfronteerd wordt op zijn weg naar het innerlijk)
8.5.4.2 Lijden lijden en leven leven
Het kan er niet om gaan in de innerlijke beleving te blijven en daarom is een waarschuwing van de mysticus Eckhart op z'n plaats:
"Wanneer een mens ooit in een meditatieve verzonkenheid in een toestand geraakt die zo heerlijk is dat men er wel altijd in wil blijven, ruk je er dan uit los, zo snel als je kunt en grijp het eerste het beste aan, om wat te doen, want het zijn smeltende gevoelens anders niet". Het is ook van belang te wijzen op de beroemde preek van Eckhart over Maria en Martha. In de gehele christelijke traditie is er een grote verering voor Maria die aan de voeten van Jezus zit en kijkt men enigszins neer op Martha die bedient. Eckhart kiest echter voor Martha vanuit de overweging dat zij in haar ontwikkeling verder is dan Maria, want Martha komt tot haar dienende taak na haar innerlijke bezinning, terwijl Maria zich nog in die levensfase bevindt. Het gaat er niet om weg te zinken in een toestand van diep lijden, maar het is fundamenteel aan het lijden de impuls te ontlenen, in een lang en moeilijk proces een ander mens te worden, zodat een mens lijden kan lijden en leven kan leven. Vanuit de donkere nacht van een oneindig diep lijden, kan de tegenwoordigheid van 'zijn' opbloeien als een licht dat verlichting geeft voor de verdere tocht, zodat een mens zijn lijden kan lijden en zijn leven kan leven.