In het Brugse stadsbeeld vind je heel wat kleine, witgekalkte godshuisjes. Over het algemeen gaat het om een groep van kleine, sober ingerichte huisjes rond een binnenpleintje. Verspreid over de stad zijn er 46 godshuiscomplexen.
Godshuizen werden vanaf de 14e eeuw opgericht door rijke burgers of door ambachtsgilden. De oudste nu nog bestaande dateren van 1330, 1335 en 1355. Ze gaven onderdak aan arme bejaarden of weduwen zonder inkomen.
Ze werden opgericht door ambachten (de wevers, de smeden, de bakkers, de schoenmakers, de schippers, enz) of door privé personen.
Wie gratis of bijna gratis mocht wonen nam de plicht op zich voor zijn weldoeners (de bouwers van het huis) te bidden. In bijna elk godshuis was er een eenvoudige bidkapel voorzien. Het stichten van een godshuis betekende uiteraard ook prestige voor de voorname burgers die het zich konden permitteren, en dit straalde generaties lang op hun nakomelingen en familie af.
Brugge was natuurlijk niet de enige stad die 'godshuizen' kende. Gelijkaardige stichtingen trof men aan in alle steden van de Zuidelijke Nederlanden. In de Noordelijke provincies noemde men ze 'hofjes', in Engeland 'almshouses', in Frankrijk 'Maisons-Dieu'. Om veelvuldige redenen zijn ze op de meeste plaatsen verdwenen of bijna verdwenen. In Brugge hielden ze uitzonderlijk stand en zijn ze nog steeds een aanzienlijk en beeldbepalend element in de binnenstad.
Het zijn sobere, witgekalkte huisjes, met meestal één verdieping.
Soms zijn ze naast elkaar gebouwd, langs een straat of van de straat afgeschermd door een muur met een toegangspoort, maar meestal zijn ze rond een binnentuin gebouwd.
De tuin was meestal gemeenschappelijk, maar werd soms ook opgedeeld in lapjes grond, waar elke bewoner wat groenten kon kweken. Oorspronkelijk bestonden de woningen ('stenen kamers' genoemd) uit een enkele kamer die dienstdeed als keuken, woonkamer en slaapkamer. Een steile trap leidde naar de zolder die stapelruimte bood. Op de koer stond het (al dan niet gemeenschappelijk) sanitair.
Verspreid over de stad zijn er 46 godshuiscomplexen bewaard gebleven, 43 daarvan worden nog steeds door bejaarden, gehandicapten en mensen met een beperkt inkomen bewoond. Ze zijn eigendom van het OCMW.