Een willekeurige wacht bestaat uit de volgende werkzaamheden:
a) een acht-, zestien- of vierentwintig-urige luisterwacht
b) het nemen van de verkeerslijsten van Scheveningen Radio/PCH
c) het nemen van verkeerslijsten van stations in het land van bestemming, landen waar passagiers vandaan komen
en/of van landen waar het hoofdkantoor is gevestigd i.v.m. eventuele orders (denk aan tankers)
d) het nemen van weerberichten van verschillende kuststations
e) het nemen van persberichten van Radio-Holland/ANP via PCH
f) het nemen van Engelse persberichten van Portishead Radio als er buitenlandse passagiers aan boord zijn
g) het uitwerken van genomen persberichten op formulier RH56a
h) dagelijks de positie van het schip doorgeven aan PCH voor Defensie en de krant
i) dagelijks een tijdsein nemen voor de chronometer(s), welke bij de hoogtemeting van hemellichamen met de
sextant word(t)en gebruikt
j) dagelijks een radiopeiling nemen (indien onder de kust wordt gevaren)
k) het verzenden en/of ontvangen van telegrammen van kapitein, bemanning of passagiers
l) idem wat betreft telefoongesprekken (indien telefonie aan boord aanwezig is)
m) het bijhouden van het radiodagboek, waarin alles wat er zich tijdens de wacht afspeelt, moet worden vermeld
n) het bijhouden van de administratie
o) bij het van wacht gaan testen van het A.A.T. op de goede werking en dit apparaat daarna aanzetten
Eisen voor radio-installaties
Radio-installaties moeten aan bepaalde eisen voldoen, welke internationaal zijn vastgelegd in het Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op zee (V.V.) en nationaal in de Nederlandse Schepenwet (S.W.) en het bijbehorende Schepenbesluit (S.B.).
Bovendien zijn van toepassing: de bepalingen van de Telegraaf- en Telefoonwet van 1904 (T.T.-wet), alsmede die van het Radioreglement (R.R.), behorende bij het Internationale Telecommunicatie-verdrag.
Overeenkomstig artikel 3 van de Telegraaf- en Telefoonwet van 1904 is voor de aanleg en gebruik van een scheepsradio-installatie een Machtiging vereist, die door de directeur-generaal der PTT wordt verleend. Dit geldt zowel voor verplichte (volgens het Schepenbesluit) als voor niet-verplichte radio-installaties (bv. aan boord van jachten). Pas nadat een Machtiging is verleend, mag een radio-installatie aan boord worden geplaatst.
Volgens de machtigingsvoorwaarden mag het station echter niet worden gebruikt alvorens het is goedgekeurd. De installatie moet aan een aantal technische eisen voldoen, welke zijn vastgelegd in het Schepenbesluit, het Radioreglement en in de specificaties voor radio-installaties van de PTT. De goedkeuring tot gebruik wordt eerst verleend, indien na een keuring aan boord is gebleken, dat de inrichting en bediening aan alle gestelde eisen voldoen.
Ten bewijze hiervan wordt door de Inspecteur Kust- en Scheepsradio een Bewijs van Goedkeuring (BvG) verstrekt. Het Bewijs van Goedkeuring en een uittreksel van de machtiging dienen nabij de radio-installatie duidelijk zichtbaar te worden opgehangen.
Naast de Machtiging en het Bewijs van Goedkeuring moeten schepen van 1600 BRT en groter bovendien in het bezit zijn van een geldig Radioveiligheidscertificaat. Dit document wordt afgegeven, namens de Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart, door de Scheepvaartinspectie en is 12 maanden geldig met de mogelijkheid tot verlenging door bevoegde autoriteiten. Zonder een geldig RVC mag een schip niet uitvaren. Genoemd document wordt eerst verstrekt, nadat door een ambtenaar van de afdeling Kust- en Scheepsradio is vastgesteld, dat de installatie voldoet aan alle eisen inzake opstelling en inrichting van scheepsradiostations, zoals die in de Nederlandse Schepenwet en Schepenbesluit zijn beschreven.
Het met de bediening van de installatie belaste personeel is verplicht het geheim te bewaren en te doen bewaren van alle berichten, die door middel van de installatie worden verzonden of ontvangen en die niet voor publicatie zijn bestemd. Maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat personen die niet bij de radiodienst zijn betrokken, kennis kunnen nemen van de berichtenwisseling. Indien berichten worden ontvangen, die niet voor het eigen schip zijn bestemd, mogen deze niet worden vastgelegd. Dergelijke berichten mogen niet anderen worden meegedeeld of voor enig doel worden gebruikt.
Aangezien de kapitein verantwoordelijk is voor alles, wat de dienst aan boord van het onder zijn gezag staande schip betreft en dus ook voor de bediening van de radio-installatie, mag hij kennis nemen van de verzonden en ontvangen radioberichten.
Uiteraard geldt de geheimhouding niet ten aanzien van berichten, welke voor een zo groot mogelijke verspreiding “aan allen” worden uitgezonden, zoals weerberichten, stormwaarschuwingsberichten en berichten aan zeevarenden.
Een kandidaat die geslaagd is voor het examen ter verkrijging van een certificaat van bekwaamheid als radiotelegrafist, wordt de eed of de belofte van geheimhouding afgenomen.
Een R/O is de enige opvarende die twee uur op, twee uur af loopt. De stuurlieden en machinisten lopen vier uur op, acht uur af en wel als volgt:
0000 – 0400 Hondewacht door de 2e STM en 3e WTK
0400 – 0800 Dagwacht door de 1e STM en 2e WTK
0800 – 1200 Voormiddagwacht door de 3e STM en 4e WTK
1200 – 1600 Achtermiddagwacht weer door de 2e STM en 3e WTK
1600 – 2000 Platvoetwacht weer door de 1e STM en 2e WTK
2000 – 2400 Eerstewacht weer door de 3e STM en 4e WTK
Om de namen van de wachten te onthouden is er een typisch zeemans ezelsbruggetje: Het Dingetje Van Adam Past Eva.
De 4e stuurman loopt mee met de eerste stuurman en eventuele leerlingen (leraren genaamd) met de tweede stuurman. Assistenten-WTK lopen met de 2e en 3e WTK mee. Tussen de WTKs zwerft er zo nu en dan een elektriciën rond (kortweg elek genoemd), maar die loopt weer dagdienst (0800-1200, 1300-1700). Is er geen elek aan boord, dan wordt het elektrische werk meestal verzorgd door een 3e WTK met als hoofdmoot het aan de praat houden/krijgen van de winches aan dek, waarmee de laadbomen bediend worden.
De algehele baas van de WTKs en de elek is de Hoofdwerktuigkundige, die geen wacht loopt. De algehele baas van de stuurlieden is de gezagvoerder, die natuurlijk tevens de algehele leiding over en verantwoording voor het schip heeft. Baas van de matrozen is de bootsman, die weer de 1e STM als baas heeft (na de integratie de HWTK, later meer hierover in deel II).
Het machinekamerpersoneel, zoals olielui, poetsers enz., valt onder de 2e WTK. Op tankers zit tussen hen en de 2e WTK nog de voorman. Het verzorgende deel aan boord wordt uitgevoerd door de civiele dienst onder leiding van de (chef)-hofmeester (na de integratie de 1e STM, later meer hierover in deel II). Deze (chef)-hofmeester zwaait de scepter over het keukenpersoneel, de bediendes en een eventuele wasbaas.
De bediendes onderhouden de hutten van de passagiers en de officieren. Eén bevoorrechte bediende is de kapiteinsbediende, die soms ook de bediende van de radio-officier is, aangezien deze twee vaak als enigen op één dek zitten.
Op (grotere) passagiersschepen bevindt zich boven de (chef-)hofmeester nog de purser, een soort administrateur, verantwoordelijk voor de financiële gang van zaken en het welzijn van de passagiers.
Het bestellen van bier gebeurde door een druk op een knop in de hut, waarop even later een bediende met een biertje en een bonnenboekje verscheen. Het bonnetje werd dan getekend en het bedrag vond men dan aan het eind van de reis terug bij de drankrekening. Vier bier en één borrel werd besteld d.m.v. vier korte en één lange druk op de knop. In de pantry beneden lichtte dan het nummer van de hut op en door het aantal tuutjes te tellen werd de juiste bestelling in de juiste hut afgeleverd.
Deze room-service was echter geen lang leven beschoren door het inkrimpen van personeel en reorganisatie van werkzaamheden. Men moest dientengevolge zijn versnaperingen zelf in de pantry gaan halen (als er tenminste geen bar aan boord was, want dan zat iedereen natuurlijk op de kruk). Was er ook geen bar aan boord of was de bar gesloten, dan had men dozen bier en frisdrank in de hut staan, eventueel een deel in de koelkast van een nabijgelegen pantry.
Voor elk weekeinde op zee “verdiende” een opvarende 1-½ verlofdag. Lag het schip echter om vijf voor twaalf zaterdagmorgen vast, dan kreeg men de halve verlofdag van de zaterdag niet. Ging het schip vóór 24.00 zondagavond los van de kade, dan verdiende men toch nog de hele verlofdag. Deze regeling zou later aanmerkelijk verbeterd worden en wel zodanig, dat elk weekeinde aan boord – ongeacht op zee of in een haven – recht gaf op 2 verlofdagen.
Niet alleen de verlofregeling maar ook de verdiensten van de zeelui werden midden jaren zestig aan de aan de wal geldende normen aangepast, mogelijk in de slipstream van de “Toxopeus-ronde”, genoemd naar de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken Toxopeus, die de lonen van de ambtenaren enigszins aanpaste aan die in het bedrijfsleven, omdat veel topambtenaren de hogere salarissen daar verkozen boven het lagere ambtenaren-salaris. De lonen van de zeelui werden tussen de 10 en 15 procent verhoogd en ook andere – secundaire – arbeidsvoorwaarden werden meer “humaan”.
Zo snel mogelijk na vertrek en verder elke maand wordt er sloepenrol gehouden. In sommige gangen hangen lijsten met de namen van de opvarenden en de hen toegewezen sloep, alsmede de eventuele taak die men in de sloep heeft. Er is iemand die de houten bootbedekking afneemt en niet in het water gooit i.v.m. eventueel overboord springen; iemand die de prop in de sloepsbodem draait (die zit er normaal niet in i.v.m. weglopen van regenwater), de winches van de davits moeten worden klaargemaakt en bediend en de marconist zorgt ervoor, dat de draagbare sloepzender in de sloep komt. Elke sloep heeft een stuurman als commandant; matrozen worden zo eerlijk mogelijk over de sloepen verdeeld. Naast de sloepenrol wordt op tankers ook regelmatig een brandoefening gehouden. Als marconist wordt je dan geacht in het radiostation te blijven om, als het menens is, een nood- of spoedbericht uit te zenden.
Een noodbericht wordt, zoals bekend, voorafgegaan door driemaal het sein …---…, ten onrechte betiteld als Save Our Souls of SOS. Een spoedbericht, dus van iets minder ernstige aard, wordt voorafgegaan door 3 series XXX. Een veiligheidsbericht, zoals stormwaarschuwingen door een kuststation of een gevaar voor de navigatie uitgezonden door een schip of kuststation, wordt voorafgegaan door drie series TTT.
Vanzelfsprekend heeft elk schip zijn eigen roepletters; aan Nederlandse koopvaardij- en visserijschepen is PCAA-PIZZ toegewezen. PIZX, PIZY en PIZZ zijn toegewezen aan de Hoofdinspectie Kust- en Scheepsradio ten behoeve van proefvaarten van schepen die na de overdracht onder buitenlandse vlag komen te varen. Nederlandse schepen hebben hun eigen roepnaam tijdens de proefvaart.
PAAA-PBUZ is voor de Koninklijke Marine en haar diensten, zoals de loodsdiensten met o.a. de Marcab/PAHF, Betelgeuze/PAHH, Rigel/PAHM, Deneb/PAHO, Sirius/PAHS en Zeemeeuw/PAHY.
PBVA-PBZZ is voor andere rijksdiensten, zoals PTT (kabellegger), RLD (de ocean station vessels Cirrus/PBVC en Cumulus/PBVD, later PBVQ), het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserijvoorziening met het visserij-onderzoekvaartuig Antonie van Leeuwenhoek VO I/PBVF.
Ook aan groepen van schepen zijn roepletters toegewezen, zoals:
PCAA – Verzamelroepnaam voor alle Nederlandse schepen
PCAB – Verzamelroepnaam voor alle schepen van de Koninklijke Marine
PCAC – Verzamelroepnaam voor alle Nederlandse koopvaardijschepen
PCOR – Verzamelroepnaam voor alle Shelltanker schepen
PDRH – Verzamelroepnaam voor alle scheepsradiostations geëxploiteerd door Radio-Holland
PDSM – Verzamelroepnaam voor alle K.N.S.M. schepen
PDSN – Verzamelroepnaam voor alle S.M.N. schepen
PHAL – Verzamelroepnaam voor alle H.A.L. schepen
PISL – Verzamelroepnam voor alle schepen van L. Smit & Co. Internationale sleepdienst.