TIP 1: Ga expliciet aan de slag met de verschillende talen in de klas
bespreek met de kinderen welke talen er gesproken worden en wanneer. De kinderen geven elke taal een kleur en tonen via het paspoort welke talen ze gebruiken en in welke situatie. Nadien worden de diverse paspoorten besproken.
Laat verschillende woorden horen in het Nederlands, steek hierbij één anderstalig woord in de rij. De kinderen mogen klappen, springen, op de bel duwen als ze het woord gehoord hebben.
Dierengeluiden klinken soms anders in andere talen, laat de kinderen raden welk dier het is. Sommige kinderen kennen misschien nog een andere variant van het geluid.