Splitsen in zinsdelen
Om een zin te ontleden moet je deze eerst opdelen in zinsdelen. Je kan een zin in zinsdelen splitsen, door de verplaatsingsproef te doen. Je kijkt welke zinsdelen je van plaats kunt veranderen terwijl je toch een correcte zin behoudt.
VOORBEELD:
Je broer / scoorde / gisteren / drie doelpunten.
Scoorde je broer gisteren drie doelpunten?
Gisteren scoorde je broer drie doelpunten.
Drie doelpunten scoorde je broer gisteren.
Een zin bestaat uit zinsdelen, waarbij een zinsdeel uit meerdere woorden kan bestaan en op zijn beurt kan bestaan uit zinsdeelstukken. In een zinsdeel zijn slechts twee mogelijke zinsdeelstukken: de kern en ook de bepaling.
Als je een zinsdeel in zinsdeelstukken verdeelt, is er steeds één belangrijke zinsdeelstuk, nl. de kern (= het kernwoord). De kern kan nooit in een zinsdeel weggelaten worden.
VOORBEELD:
Daar / staat / een grote man.
Man is in deze zin de kern. Een en grote zijn bepalingen.
Onderwerp (O)
Het onderwerp van de zin drukt ofwel uit wie of wat iets doet of overkomt, ofwel wie of wat iets is. De rest van de zin zegt iets over het onderwerp. In de zin ‘Dat boek is dik’ bijvoorbeeld is dat boek het onderwerp: dat boek is iets, namelijk ‘dik’.
Hoe kunnen we in een zin het onderwerp vinden? Je kunt op twee verschillende manieren te werk gaan.
1. Zoek eerst de persoonsvorm. Verander daarna de persoonsvorm van enkelvoud in meervoud (of omgekeerd). Dat deel van de zin (zinsdeel) dat gelijktijdig met de persoonsvorm verandert, is het onderwerp.
VOORBEELD: De leerling schrijft in het schrift. De leerlingen schrijven in het schrift. De jongens voetballen in de straat. De jongen voetbalt in de straat.
2. Om het onderwerp te vinden, vragen we wie of wat + PV.
VOORBEELD: Moeder leest de krant. Wie leest? Moeder = OND Het vogelhuisje hangt in de boom. Wat hangt? Het vogelhuisje = OND
Persoonsvorm (PV)
De persoonsvorm is een vervoegde vorm van het werkwoord. Het is de werkwoordsvorm die hoort bij het onderwerp van de zin.
De persoonsvorm hoort bij het onderwerp van de zin, en past zich ook aan het onderwerp aan. Als het onderwerp bijvoorbeeld een enkelvoud is, zoals hij, dan is de persoonsvorm dat ook: hij loopt. Is het onderwerp een meervoud, bijvoorbeeld wij, dan is de persoonsvorm dat ook: wij lopen.
De persoonsvorm laat ook zien in welke tijd de zin staat: Daphne liep is bijvoorbeeld een verleden tijd.
Hoe kunnen we in een zin de persoonsvorm (PV) vinden? Je kunt op drie verschillende manieren te werk gaan.
1. Het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet.
VOORBEELD: Vader heeft de aardappelen geschild. Vader had de aardappelen geschild. Jan loopt op de straat. Jan liep op de straat.
2. Als je de zin vragend maakt (ja/nee-vraag), staat de persoonsvorm vooraan.
VOORBEELD: Vader heeft de aardappelen geschild. Heeft vader de aardappelen geschild? Jan loopt op de straat. Loopt Jan op de straat?
3. Het werkwoord dat verandert als je de zin van het enkelvoud in het meervoud zet (of omgekeerd).
VOORBEELD: Hij heeft de aardappelen geschild. Zij hebben de aardappelen geschild. Jan loopt op de straat. De meisjes lopen op de straat.
Werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde (WWG of NWG)
Het gezegde is het zinsdeel dat aangeeft welke handeling centraal staat in een zin. Het geeft aan wie of wat het onderwerp is of doet. Het gezegde bestaat uit minstens één werkwoord, dat soms aangevuld wordt met een (voor)naamwoord of met andere werkwoorden.
Er bestaan twee soorten gezegdes: het werkwoordelijk gezegde en het naamwoordelijk gezegde.
Werkwoordelijk gezegde
Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden die in de (hoofd)zin staan. Het geeft altijd aan dat iets of iemand iets doet:
VOORBEELD:
Jan kijkt naar buiten. (de persoonsvorm kijkt vormt in z’n eentje het werkwoordelijk gezegde)
Jan heeft naar buiten gekeken.
Jan had naar buiten kunnen kijken.
Jan, die bij het raampje zat, had naar buiten kunnen kijken.
Opgelet: In de vierde zin hoort zat, dat in een bijzin staat, niet bij het gezegde van de hoofdzin.
Ook werkwoordelijke uitdrukkingen horen tot het werkwoordelijk gezegde.
Een voorbeeld van een werkwoordelijke uitdrukking is het hazepad kiezen. Dat betekent: ‘er snel vandoor gaan, vluchten’. Het gaat hier niet om een echt pad van een haas én er is ook geen sprake van letterlijk ‘kiezen’. Het geheel heeft alleen een figuurlijke betekenis. Je kunt de uitdrukking bovendien niet veranderen. Zo kun je niet spreken van een smal hazepad kiezen of allemaal onze eigen hazepaden kiezen.
Binnen werkwoordelijke uitdrukkingen benoem je geen zinsdelen. Daarom benoem je hebben het hazepad gekozen in z’n geheel als het (werkwoordelijk) gezegde van de zin ‘Ze hebben het hazepad gekozen.’ Dat is anders in een zin als ‘We kozen het smalste bergpad.’ Nu kun je ‘gewoon’ kozen als de persoonsvorm benoemen en het smalste bergpad als het lijdend voorwerp.
Er zijn ook twijfelgevallen. In bijvoorbeeld in je vuistje lachen is weliswaar sprake van een uitdrukking, maar er wordt toch wel écht gelachen. Daarom ligt het meer voor de hand in je vuistje lachen te ontleden als een bijwoordelijke bepaling (in je vuistje) met een werkwoord (lachen), en niet als werkwoordelijke uitdrukking.
Zie woordenbank voor de te kennen werkwoordelijke uitdrukkingen.
Mogelijke delen van het werkwoordelijke gezegde
Dit lijstje met afkortingen zal je op een kennistoets krijgen. Je moet de lijst dus niet vanbuiten leren, maar je moet ze wel kunnen herkennen en toepassen in een zin!
persoonsvorm: pv Ik loop hard.
te + infinitief: te + inf Ik loop te zuchten.
voltooid deelwoord: vd Ik heb gelopen.
aan het + infinitief: aan het + inf Ik ben aan het lopen.
infinitief: inf Ik wil graag lopen.
afscheidbaar deel van de persoonsvorm: adpv Ik loop de race helemaal uit.
werkwoordelijk deel van de uitdrukking: wu Ik heb een blauwtje gelopen.
niet-werkwoordelijk deel van de uitdrukking: nwu Ik heb een blauwtje gelopen.
wederkerend voornaamwoord: wnd vn Ik heb me vergist met de looproute.
Als de PV een HWW is, dan vormen de andere werkwoorden een werkwoordelijke eindgroep. In principe worden de delen van de werkwoordelijke eindgroep niet doorbroken door andere zinsdelen. Het VD staat vooraan of achteraan in de groep in formeel en schriftelijk taalgebruik.
Naamwoordelijk gezegde
Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit één of meer werkwoorden en een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord (of een voornaamwoord).
Het naamwoordelijk gezegde geeft altijd aan dat iets of iemand iets is. Zo bevat ‘De wind is koud’ een naamwoordelijk gezegde: er wordt uitgedrukt dat de wind iets ís, namelijk: koud. (Ter vergelijking: In ‘De wind komt uit het oosten’ zit een werkwoordelijk gezegde. Hierin wordt namelijk uitgedrukt dat de wind iets dóét: uit het oosten komen.)
Het hoofdwerkwoord van een naamwoordelijk gezegde heet het koppelwerkwoord. Het koppelwerkwoord ‘koppelt’ een bepaalde eigenschap, functie, toestand of hoedanigheid aan het onderwerp:
VOORBEELD:
Tomas is timmerman.
Kelly schijnt aardig te zijn.
Alles bleek fout.
Zij is voorzitter geweest.
Mijn vriend wil leraar worden.
Mijn broertje is ooit beklemd geraakt tussen de spijlen van de trap.
Het naamwoordelijk gezegde bestaat telkens uit een werkwoordelijke deel (WWD) (het koppel- en eventueel hulpwerkwoord) en een naamwoordelijke deel (NWD) (een bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord, met eventuele bepalingen).
VOORBEELD
We duiden het werkwoordelijk deel in het cursief, en het naamwoordelijk deel onderstrepen we.
Tomas is timmerman.
Kelly schijnt aardig te zijn.
Alles bleek fout.
Zij is voorzitter geweest.
Mijn vriend wil leraar worden.
Mijn broertje is ooit beklemd geraakt tussen de spijlen van de trap.
Begrippen die gekend moeten zijn om de theorie te begrijpen
zelfstandig werkwoord
koppelwerkwoord
hulpwerkwoord
hoofdwerkwoord
Lijdend voorwerp (LV)
Het lijdend voorwerp is degene die of datgene wat de werking van het werkwoord direct ondergaat. In bijvoorbeeld ‘Ik koop een fiets’ ‘ondergaat’ een fiets direct de werking van het werkwoord kopen. Het is daarmee het lijdend voorwerp.
Meewerkend voorwerp (MV)
Een meewerkend voorwerp is degene die iets ontvangt of verneemt of van wie iets wordt afgenomen. In de zin ‘De zon geeft ons energie’ is ons het meewerkend voorwerp.
Hoe kunnen we in een zin het meewerkend voorwerp (MV) vinden?
Het meewerkend voorwerp geeft een antwoord op de vraag: Aan/voor wat/wie+pv+onderwerp?
VOORBEELD
Ik heb een cadeautje voor je.
Voor wie heb ik een cadeautje? Voor je.
Dus: “voor je” is een meewerkend voorwerp.
Zou Celine mij een kans geven?
Aan wie zou Celine een kans geven? Aan mij
Dus: “mij” is een meewerkend voorwerp.
Opgelet: zoals je in het tweede voorbeeld merkt worden “aan” en “voor” soms verzwegen.
Bijwoordelijke bepaling (BWB)
Een bijwoordelijke bepaling is een zinsdeel dat meer informatie geeft over een ander zinsdeel (meestal het gezegde). Een zin kan meerdere bijwoordelijke bepalingen bevatten.
Hoe kunnen we in een zin een bijwoordelijke bepaling (BWB) vinden?
Bepalingen geven een antwoord op de vragen: Wanneer? Hoe? Waar? Waarmee? Waarom?
VOORBEELD
Iedere vrijdagavond ga ik voetbal spelen.
Wanneer ga ik voetbal spelen? Iedere vrijdagavond
Dus: “iedere vrijdagavond” is een bijwoordelijke bepaling.
In de dierentuin zijn twee giraffen geboren.
Waar zijn twee giraffen geboren? In de dierentuin
Dus: “in de dierentuin” is een bijwoordelijke bepaling.
Bijwoordelijke bepaling van beperking: een beperking op (een deel van) de zin.
Alleen jij begrijpt mij.
Je bent voor een nieuweling al goed ingevoerd!
Met uitzondering van Emily vond iedereen de film geweldig.
Bijwoordelijke bepaling van bevestiging: een bevestiging van (een deel van) de zin.
Hij viert zijn verjaardag inderdaad op een zaterdag.
Vandaag ben ik vrij, maar morgen ben ik wel aanwezig.
Bijwoordelijke bepaling van doel: geeft antwoord op de vraag ‘Met welk doel?’
Ter verhoging van de feestvreugde is een band ingehuurd.
Hij heeft wekenlang hard gestudeerd om een voldoende te halen.
Bijwoordelijke bepaling van frequentie: geeft antwoord op de vraag ‘Hoe vaak?’
Telkens wist Karim de bal terug te slaan.
Ik ga meestal op zaterdag naar de sportschool.
Je bent deze maand drie keer te laat gekomen.
Bijwoordelijke bepaling van gevolg: geeft antwoord op de vraag ‘Wat is/was het gevolg?’
Irma herhaalde tot vervelens toe haar standpunt.
Tot grote blijdschap van de leerlingen was er ’s middags geen les.
Het publiek was tot tranen toe geroerd.
Bijwoordelijke bepaling van graad: geeft antwoord op de vraag ‘In welke mate?’
Dit is nogal verrassend.
De docent was erg tevreden over de resultaten van haar leerlingen.
Het waait vandaag flink.
Bijwoordelijke bepaling van hoedanigheid/wijze: geeft antwoord op de vraag ‘Hoe? Op welke manier?’
Liefdevol dekte Jasper zijn dochter toe.
Je moet netter werken; je maakt er een zootje van.
Ik help je met liefde om er iets goeds van te maken.
Bijwoordelijke bepaling van maat: geeft antwoord op vragen als ‘Hoeveel?’, ‘Hoe zwaar?’, ‘Hoe lang?’
Ik weeg 65 kilo.
Het voetbalveld meet 100 bij 65 meter.
Wij hebben gisteren acht kilometer gewandeld.
Het zeewater is nu zeventien graden.
15 euro kosten deze boeken samen.
Bijwoordelijke bepaling van middel: geeft antwoord op de vraag ‘Wat wordt/is er gebruikt? Waarmee?’
Hiermee kan ik geen brood snijden, hoor!
Laten we met het pontje oversteken.
Bijwoordelijke bepaling van modaliteit: geeft iemands mening weer over de inhoud van de zin.
Gelukkig kwam de bus er al aan.
Ik wacht al een uur op je.
Wie weet lukt het nog.
Mijns inziens kan iedereen tevreden zijn.
Bijwoordelijke bepaling van omstandigheid: geeft antwoord op de vraag ‘Wat is/was er (tegelijkertijd) het geval?’
Met een grijns van oor tot oor nam Bram de prijs in ontvangst.
Onder luid applaus sloot hij het concert af.
Ze pakte het cadeau met een verraste blik aan.
Bijwoordelijke bepaling van ontkenning.
Julia is niet aanwezig.
Niet alles kan altijd voorkomen worden.
Bijwoordelijke bepaling van oorzaak: geeft antwoord op de vraag ‘Wat is/was de oorzaak?’
Door de staking werd het overal een chaos.
Ze liet van schrik het dure bord uit haar handen vallen.
Bijwoordelijke bepaling van plaats: geeft antwoord op de vraag ‘Waar?’
Onze tv staat in de keuken.
Op spoor 7 staat de trein klaar.
Najib is opgegroeid in Krommenie.
Bijwoordelijke bepaling van reden: geeft antwoord op de vraag ‘Wie of wat is/was de reden om dit te doen?’
Ter wille van de veiligheid moet iedereen anderhalve meter afstand houden.
Hij ging naar huis om de hond uit te laten.
Met het oog op de toekomst is een reorganisatie onontkoombaar.
Bijwoordelijke bepaling van richting: geeft antwoord op vragen als ‘Waarheen?’, ‘Waardoorheen?’, ‘Waarnaartoe?’
Ik ging linksaf.
Ik ga op de fiets naar het station.
De boswachter reed het bos in.
Bijwoordelijke bepaling van tijd: geeft het tijdstip of de tijdsduur aan van wat in het gezegde wordt uitgedrukt.
Ik zal het nooit meer doen.
Morgen wordt alles anders.
Irene komt volgende week terug van vakantie.
Wacht je even?
Bijwoordelijke bepaling van toegeving: geeft antwoord op vragen als ‘Ondanks wat?’, ‘In weerwil waarvan?’
Hoewel ik van niets wist, kreeg ik toch de schuld.
Ondanks alle tegenslagen hebben we toch een fijne vakantie gehad.
Bijwoordelijke bepaling van voorwaarde: geeft antwoord op de vraag ‘In welk geval?’
Bij onweer blijf ik liever binnen.
Je kunt desnoods wel met mij meerijden.
Bel in geval van nood dit nummer.
Maak nu de Bookwidget 'Herhaling zinsdelen' op Smartschool > oefeningen > Zinsleer BZL
Voorzetselvoorwerp (VZV)
In een zin als ‘De minister onthield zich van commentaar’ is van commentaar een voorzetselvoorwerp. Het voorwerp begint met een voorzetsel (van) dat als het ware ‘opgeroepen’ wordt door het hoofdwerkwoord in de zin: zich onthouden. Werkwoord en voorzetsel vormen een vaste combinatie: zich onthouden van.
Bij een voorzetselvoorwerp doet de letterlijke betekenis van het voorzetsel er niet toe. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het voorzetsel ‘betekenisloos’ is - het is alleen het verbindende woord tussen werkwoord en voorwerp.
Het voorzetselvoorwerp lijkt wat zijn functie betreft op het lijdend voorwerp en de bijwoordelijke bepaling: het drukt uit waar de werking van het gezegde betrekking op heeft. Het voorzetselvoorwerp kan zowel bij naamwoordelijke als bij werkwoordelijke gezegdes voorkomen. Meer voorbeelden:
Ik wacht al uren op de bus. (wachten op)
Hij is getrouwd met zijn grote liefde. (trouwen met)
Zij kan goed overweg met haar schoonmoeder. (overweg kunnen met)
Ben je boos over die opmerking? (boos zijn over)
Het verschil tussen het voorzetselvoorwerp en het lijdend voorwerp zit vooral in de vorm: het lijdend voorwerp begint niet met een voorzetsel. Vergelijk bijvoorbeeld ‘Jan kijkt televisie’ en ‘Jan kijkt naar de televisie.’ In de eerste zin is televisie het lijdend voorwerp, in de tweede is naar de televisie een voorzetselvoorwerp.
Het verschil tussen het voorzetselvoorwerp en de bijwoordelijke bepaling zit vooral in de band met het werkwoord: het voorzetselvoorwerp heeft een nauwe band met het werkwoord en de bijwoordelijke bepaling juist een lossere band. Vergelijk deze zinnen:
Hij staat stil bij het stoplicht. (bijwoordelijke bepaling van plaats; bij het stoplicht staat enigszins op zichzelf en bij is in principe te vervangen door bijvoorbeeld achter en naast)
Op 4 mei staan we stil bij alle oorlogsslachtoffers. (voorzetselvoorwerp; bij alle oorlogsslachtoffers hoort duidelijk bij het werkwoord)
We hadden veel plezier in het pretpark. (in het pretpark is een bijwoordelijke bepaling; de zin is bijvoorbeeld ook juist met buiten het pretpark)
We hebben veel plezier in ons werk. (in ons werk is een voorzetselvoorwerp; je kunt nu geen ander voorzetsel kiezen; plezier hebben in is nu een vaste combinatie)
Het voorzetselvoorwerp is geen verplicht onderdeel van de zin. Zo is ‘Ik wacht al uren’ een goede zin, net als ‘Ik wacht al uren op de bus’.
Hoe kunnen we in een zin een voorzetselvoorwerp (VZV) vinden?
Het voorzetselvoorwerp bevat altijd een vast voorzetsel dat het voorwerp met het gezegde (WWG of NWG) verbindt. Het voorzetsel is niet letterlijk te nemen.
VOORBEELD
Ik hou van jou.
“houden van”
Dus: “van jou” is een voorzetselvoorwerp
Ze staan al uren te wachten op de bus.
“wachten op”
Dus: “op de bus” is een voorzetselvoorwerp
Opgelet: niet alle zinsdelen die met een voorzetsel beginnen zijn VZV! Als het voorzetsel letterlijk te nemen is, hebben we met een BWB te maken.
Handelend voorwerp (HV)
Om het handelend voorwerp te kunnen herkennen moet je eerst het onderscheid tussen actieve en passieve zinnen kunnen maken.
In een actieve zin voert het onderwerp de handeling van het gezegde uit.
a. Hij versiert enthousiast de kerstboom. (Het onderwerp 'hij' voert de actie 'versieren' uit).
In een passieve zin voert het onderwerp de handeling niet uit maar ondergaat het de handeling.
b. De kerstboom wordt enthousiast versierd door hem. (het onderwerp 'de kerstboom' ondergaat de actie van het 'versieren').
Het onderwerp van de actieve zin (a), wordt in de passieve zin (b) het handelend voorwerp. Het handelend voorwerp kan enkel voorkomen in een passieve zin, nooit in een actieve zin. Het handelend voorwerp begint steeds met het voorzetsel 'door'.
Hoe kunnen we een passieve zin herkennen?
het onderwerp ondergaat de handeling en voert ze dus niet uit;
het werkwoord 'worden' (of soms 'zijn') is het hulpwerkwoord;
er staat soms een handelend voorwerp in.
Actieve zinnen herken je:
doordat het onderwerp de actie ook uitvoert.
Over het algemeen kan je beter zo actief mogelijk schrijven. Toch kunnen er goede redenen zijn om voor een passieve zin te kiezen:
Je wilt de handeling zelf benadrukken.
De persoon die de handeling heeft uitgevoerd is niet bekend, of er zijn redenen om die niet te vermelden. In dat geval is er dus geen HV.
De passieve zin klinkt beter, of zorgt voor variatie.
Een samengestelde zin is een zin waarin meerdere PV's voorkomen. Soms zijn de zinnen die rond die PV gebouwd zijn, gelijkwaardig aan elkaar. We spreken dan van nevenschikking. In andere gevallen zien we dat één van de zinsdelen in de hoofdzin ook een PV bevat. Die PV is dan ondergeschikt aan de PV van de hoofdzin. Dat noemen we dus onderschikking.