De Friese Adelaar
 

Specifiek voor de Friese heraldiek zijn wapens met een halve zwarte adelaar op goud, ook wel de Friese Adelaar genoemd. De adelaar zit vast aan de deellijn van het wapenschild met aan de rechter zijde het stam- of geslachtswapen. Dat de Friese adelaar is afgeleid van de dubbel koppige Keizerlijke Rijksadelaar van het Heilig Roomse Rijk is iedereen het wel met elkaar eens. De Rijksadelaar als stadswapen komen we alleen in Bolsward tegen, terwijl we de Friese adelaar in de stadswapens van Sneek en Workum vinden. Alleen steden die ondergeschikt waren aan en onder bescherming stonden van de Duitse Keizer mochten de Rijksadelaar in hun wapen voeren. Bolsward had zich in de 15e eeuw aangesloten bij het Hanzenverbond, welke onder bescherming van de keizer stonden. We zien hetzelfde ook in de wapens van Groningen, Nijmegen, Tiel, Arnhem en Deventer gebeuren. Maar over de betekenis van de Friese adelaar zijn de meningen verdeeld, er zijn drie theorieën. In elk speelt de Friese Vrijheid (1250-1498) een hoofdrol.

De eerste, en meest aanvaarde, theorie is gebaseerd op een onderzoek van Reimers(1914). Hij kwam tot de conclusie dat de Friese adelaar is afgeleid van de Keizerlijke Adelaar. Dit rijkswapen mocht in een wapen gevoerd worden als deze persoon een Keizerlijk ambt bekleedde. Omdat in Friesland tussen de Vlie en Eems de (publieke) rechten gebonden waren aan het erfgoed, konden de hoofdeling welke dit erfgoed als eigen erfde in bezit had, het rijksambt van rechter uitvoeren en hiermee een adelaar in hun wapen voeren. Feiker(1916) voerde aan dat onder de familiewapens van de Oost Friese adel dit beeld niet consequent werd toegepast. Hij laat zien dat een aantal zeker het rechter ambt hebben vervuld, maar geen Friese adelaar voerden. Terwijl er ook een aantal familiewapens met Friese adelaar zijn waarvan de familie nooit een rechter ambt hebben vervuld. De verklaring is dat het niet alleen gaat om het bekleden van het ambt zelf, maar meer om het recht dat het erfgoed gaf om deze uit te voeren.

Voor de tweede verklaring wordt er gewezen op de Karel privileges. Als onderdeel hiervan zou Karel de Grote de Friezen het recht hebben verleend om een halve rijksadelaar te dragen in hun wapens[1]. Dit als teken voor hen door de keizer ontvangen vrijheid. Deze privileges, maar ook de Magnus verering, vormden een belangrijke onderdeel in een bewuste politiek tegen de macht van de landsheren, en de legitimiteit van de Friese Vrijheid. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat deze Vrijheidslegenden vals zijn (Janse 1997), maar tijdens de Friese Vrijheid zelf werden zij gebruikt als zijnde echt. Zoals uit bronnen blijkt bevond zich in Sneek een document, welke in verband werd gebracht met deze Karel Privileges, deze gaven Sneek in de 15e eeuw een vooraanstaande positie met status en aanzien.

De derde verklaring zou zijn dat de Friese hoofdeling met het gebruiken van de Friese adelaar aangeven dat zij in de vroege 15e eeuw geen andere heer erkende dan de Duitse Keizer. Als we kijken naar de Friese adelaars in het Fries adelboek[2], dan valt op dat de families die in de 15e eeuw een Friese adelaar in hun wapen droegen vooral tot de Schieringse partij behoorden. Deze erkende de Duitse keizer als hun enige heer en droegen de Friese vrijheidslegenden hoog in hun vaandel, met als wapenteken een Friese adelaar. Dit kan ook nog een extra verklaring zijn voor de constatering van Feiker, omdat we in Oost Friesland vooral Vetkopers, de tegenstanders,  vonden. Maar in de loop van de 17e werd de Friese adelaar ook door boerenfamilies en advocaten gebruikt, om tenslotte in de 18e eeuw zo algemeen te worden dat deze zijn oorspronkelijke functie had verloren.



[1] Douwama 1830, 49.

[2] Haan 1846