Wat doen J&S met introns?

Gert Korthof, 11 feb 2011

Introns zijn stukken DNA in genen die niet specificeren voor eiwitten en die tegenwoordig steeds meer in de belangstelling van genetici en evolutiebiologen komen te staan. Ook Junker en Scherer besteden er redelijk veel aandacht aan in hun boek. Zo behandelen ze 'alternative splicing' (p.133), de 'introns-early en introns-late' hypothese (zonder de termen te noemen!) (p.134) en drie pagina's over de vraag of exon-shuffling het mechanisme is voor macro-evolutie (p.150-152).

Introns: uitgekiend ontwerp?
Het meest verbazingwekkende van J&S is dat ze zich niet verbazen over het bestaan van introns! En dat ze zelfs over 'een slim controle systeem' en 'uitgekiend ontwerp' (p.133) spreken. J&S zijn kennelijk overtuigd van het nut van introns en de daar op gebaseerde 'Alternatieve splicing'. Ze noemen 6 functie's van introns (p.133) met als eindconclusie:

"Er bestaat dan ook geen twijfel meer: Alternatieve splicing is een heel belangrijke factor voor het sturen van veel cellulaire processen." (p.133).

"Er bestaat dan ook geen twijfel meer" is misplaatste zekerheid en komt niet overeen met de wetenschappelijke literatuur. Die zekerheid is overigens in strijd met een uitspraak 2 pagina's eerder:

"Tot nu toe is niet precies bekend welke functies introns hebben" (p.131).

De begrippen 'een slim controle systeem' en 'uitgekiend ontwerp' zijn helemaal geen wetenschappelijke begrippen. Ze horen niet in een wetenschappelijke tekst. Wetenschappelijke begrippen zijn: functie, fitness, nadelige en voordelige eigenschappen, etc. Bovendien wordt het begrip 'uitgekiend ontwerp' selectief en daardoor misleidend toegepast op functies van introns waarvan we weten dat ze nuttig zijn. Negatieve aspecten van introns worden verzwegen. Zie verder paragraaf: -Design? -Efficiënt? -Pathologie van introns.

Introns en Alternative Splicing
Het is belangrijk om het nut van introns te onderscheiden van het nut van alternative splicing. Introns maken alternative splicing mogelijk, maar dat wil niet zeggen dat het complete intron nuttig is, laat staan de complete base volgorde van introns. Dit wordt aangetoond door de volgende verhelderende grafiek uit Patthy (4):



Patthy (1999) Fig 4.1 Gemiddelde substitutie snelheid in verschillend DNA


Introns blijken bijna dezelfde substitutie snelheid te hebben als pseudogenen, d.w.z. stukken DNA waarvan de base volgorde er niet toe doet omdat ze selectief neutraal zijn. In andere woorden: de base volgorde evolueert even snel als pseudogenen. De base volgorde van introns doet er nauwelijks toe. Die base volgorde gaat op den duur lijken op een random volgorde. Het enige wat telt zijn een tiental bases aan het begin en einde van het intron die er voor zorgen dat introns uitgeknipt worden (splicing). Die blijven geconserveerd. Mutaties in splicing sites zijn fataal. Het kleine aantal gefixeerde bases in splicing sites van introns vallen in het niet bij het grote aantal bases die vrijelijk muteren. Daarom lijken introns in figuur 4.1 op pseudogenen. Patthy wijst er op dat introns daarom zeer tolerant zijn voor substituties, deleties, en inserties. En dat zien we ook: introns varieren veel meer in grootte dan exons. De spreiding in grootte is veel groter.
Er zijn verschillende feiten in overeenstemming met Patthy's observatie: het feit dat grote genomen vaak grotere introns hebben dan kleinere genomen. De Fugu vis die een genoom heeft dat 8x kleiner is dan dat van de mens heeft introns die 8x kleiner zijn dan die van de mens (7). Van twee Drosophila soorten D. virilis en D. melanogaster heeft D. virilis een 36% groter genoom en tevens zijn de introns 39% groter (18). Als de base volgorde van introns functioneel was, is niet in te zien waarom genoomgrootte correlatie vertoont met introngrootte. Dit alles wordt niet duidelijk gemaakt door Junker & Scherer. In tegendeel: zie paragraaf Intelligent Design?

Alternative Splicing
Alternative Splicing (AS) is zeker belangrijk voor de mens, zoogdieren en gewervelden in het algemeen (21). Meer dan 90% van de menselijke genen vertoont Alternative Splicing (20). Alternative Splicing kan de paradox verklaren dat we 100.000 verschillende eiwitten aantreffen in de mens, en maar 24.000 genen die voor eiwit coderen. Dat betekent gemiddeld net iets meer dan 4 eiwitten per gen. Echter, een gen heeft gemiddeld 8 introns en 9 exons. Dat is méér dan nodig is om die 4 eiwitten te produceren. De mens heeft dus een teveel introns. J & S moeten die extra introns verklaren. Zolang ze dat niet hebben gedaan, zijn overbodige introns het bewijs van niet-intelligent ontwerp.
Ten tweede is Alternative Splicing niet automatisch functioneel. Er kan ruis in het systeem zitten. Het kunnen neutrale varianten zijn. Zolang J & S niet hebben aangetoond dat alle splicing functioneel is en dat functionele splicing niet door evolutie verklaard kan worden, is ook dat geen bewijs van intelligent ontwerp.

Exon-shuffling
Een tweede zaak die opvalt bij J&S is dat ze niet minder dan 3 pagina's besteden om exon-shuffling als mechanisme voor macro-evolutie in twijfel te trekken en het tenslotte verwerpen:

"Verklaart exon-shuffling macro-evolutie? Dat kan om meer dan een reden betwijfeld worden" (p.152)

Wat is het probleem voor J&S? Waarom zou de Ontwerper exon-shuffling niet gebruikt kunnen hebben? Waarom zouden modulaire eiwitten niet net zo goed een 'slim ontwerp' kunnen zijn?
Maar laten we eens kijken naar een handboek over moleculaire evolutie, zoals dat van Grauer and Li (3). Het bestaan van mozaïek eiwitten bewijst dat exon shuffling heeft plaatsgevonden in de loop van de evolutie. Ze onderscheiden 3 soorten exon shuffling en concluderen:
 
"All types of shuffling have occurred in the evolutionary process of creating new genes" (p.283).

Zij geven als voorbeeld plasminogen activator. Daarna bespreken ze ook beperkingen (phase limitations on exon shuffling). J&S geven géén overzicht van multidomein modulaire eiwitten. Terwijl 75% van de eukaryotische eiwitten multidomein eiwitten zijn. De lezer moet het doen met twee voorbeelden. Wel geven ze 3 mechanismen voor exon shuffling (p.149). 
Over de omvang van modulaire eiwitten is het raadzaam een expert op het gebied van eiwit evolutie te raadplegen. In het hoofdstuk over modulaire eiwitten (H.8) geeft László Patthy (4) een overzicht van alle mozaïek eiwitten die door exon shuffling ontstaan zijn (p.169) en ter vergelijking een lijst van eiwitten die uit één module bestaan  en als bouwstenen fungeren voor modulaire eiwitten (p.171).


Table 8.1: multidomain modular proteins assembled by exon shuffling. Patthy (1999) p.169.

Table 8.2: Protomodules: proteins consisting of a single module.
Patthy (1999)
p. 171.

Wat betreft de relatie macro-evolutie en exon shuffling schrijft Patthy:

"It is interesting in this respect that the explosion of exon shuffling seems to coincide with a spectacular burst of evolutionary creativity: the 'Big Bang' of metazoan radiation" (p.178)

Patthy doelt op het ontstaan van nieuwe body plans gedurende de zogenaamde 'Cambrian explosion'. Dat is dus de relatie tussen exon shuffling en macro-evolutie. Een recente studie concludeert dat exon shuffling een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de hoeveelheid eiwitten die een dier (vertebraat) kan produceren (20).

Introns-early - introns-late

De derde zaak die opvalt: de woorden 'introns-early en introns-late' worden niet als zodanig genoemd (2). In plaats daarvan wordt een rommelige, eenzijdige en zeer incomplete (2) behandeling van het voorkomen introns in organisms gegeven (p.134). De paragraaf eindigt met een mystificerende opmerking die twijfel moet zaaien over de tree of life (p.134). Het drukt hun eigen twijfel uit. Een mogelijke verklaring is dat J&S common descent niet aanvaarden en in plaats van dit te zeggen twijfel zaaien over mechanismes van het verschijnen en verdwijnen van introns.

De functie van introns. Intelligent Design?
Als introns een slim design zijn, waarom heeft de mens dan meer dan 600 intronloze genen? Logisch gezien moet je dat dom ontwerp noemen. Waarom hebben zoveel organismen minder introns dan de mens? Waarom hebben bacterieën geen introns? (behalve self-splicing introns).
Fundamentele vragen als: hebben alle introns een functie? De mens heeft er plm 160.000! Hebben die allemaal een functie? Zo niet, waarom zijn ze er dan? Waarom zijn introns zo groot? Bij de mens zijn introns gemiddeld 4800 baseparen groot, terwijl exons maar 160 baseparen groot zijn (8). Introns zijn dus 30x zo groot als exons. Een gen bestaat dus voor slechts 3% uit exons en 97% uit introns (8, 9). Is dat werkelijk nodig? Alléén splicing signalen zouden voldoende moeten zijn. Waarom zoveel introns per gen? Gemiddeld 8 per gen bij de mens. Dat is gemiddeld! Het menselijke Titin gen heeft 362 introns (p. 265 HMG). Zijn die echt allemaal nodig? Het gen Type VII-collagen heeft 117 introns (p.265 HMG). Zijn die echt allemaal nodig? Eén of twee zou voldoende moeten zijn. Waarom hebben de Japanse pufferfish Fugu rubripes (heeft genen met kleine introns) en bacterieën een compact genoom en de mens niet? Gestroomlijnde genomen en miniaturisering van genomen suggereren intelligent ontwerp! Net zoals de steeds kleiner wordende computerchips. Miniaturisering is de kunst van het weglaten van overbodige dingen zonder dat functie's verloren gaan. Als overlappende genen 'intelligent ontwerp' genoemd wordt, waarom heeft de mens geen compact genoom?
Het Drosophila melanogaster gen Dscam kan 38.016 verschillende mRNA isoforms (6) produceren door alternative splicing. Dat is nog eens efficiëntie! Als het menselijk genoom werkelijk intelligent ontworpen was, zouden 3 genen voldoende zijn geweest om de naar schatting 100.000 eiwitten die de mens heeft te produceren!

Zijn introns noodzakelijk?
Om te bepalen wat de functie van introns in de bakkersgist Saccharomyces cerevisiae is, hebben onderzoekers introns verwijderd en gekeken naar het effect op fitness. Slechts 283 van de 6000 genen van de gist hebben introns. Het bleek dat 1/3 van de introns niet essentieel zijn voor de groei. Slechts 3 introns veroorzaakten bij verwijdering een ernstige groeivertraging. De meerderheid van introns kon verwijderd worden met slechts geringe effecten op de groei onder laboratorium omstandigheden (19).

Logisch design?
Als introns en exons op een logische manier ontworpen zouden zijn, dan zou bij het bepalen van de positie van introns in een gen rekening gehouden zijn met codons van een exon, dus met de 3 DNA-bases die samen een aminozuur coderen (een triplet). Tegen de verwachting in is dit niet het geval. De meeste exons zijn niet veelvouden van 3 (HMG, p. 421). Dit wordt ook wel genoemd: exons zijn niet frameneutral. Dit gaat goed als een volgend exon daar rekening meehoudt. Maar het belemmert alternative splicing: je kunt niet zo maar exons combineren of exons overslaan. Je kunt alleen maar exons combineren die bij elkaar passen qua codons.

Efficiënt design?
Introns zijn een veel grotere belasting voor het genoom dan niet-coderend 'junk DNA' in de rest van het genoom. Terwijl niet-coderend junk-DNA (95% van het genoom) alleen maar gecopieerd hoeft te worden bij celdeling, vormen introns een extra belasting omdat ze behalve replicatie ook de eiwitsynthese belasten. Hoe efficiënt is het om steeds introns uit RNA te knippen als je een eiwit wilt maken? De transcriptie van het 2,4 Mb (miljoen bases) tellende dystrophine gene duurt 16 uur! (p.266 HMG). Het grootste intron bij de mens is 1,1 Mb (intron 5 in KCNIP4) (p.267 HMG). Krondrashov (11) heeft aangetoond dat de introns in genen die intensief gebruikt worden korter zijn om de kosten van transcriptie (productie van mRNA) en splicing te minimaliseren. Het is opvallend dat de introns in de kip significant korter zijn dan de introns in overeenkomstige genen van de mens, wat betekent dat er talrijke deleties moeten hebben plaatsgevonden (10), (14). Dit past in het verschijnsel dat vogels in het algemeen een kleiner genoom hebben dan andere viervoeters. De verklaring is de hoge energetische eisen van het vliegen (efficiëntie). In niet-vliegende vogels zijn de introns groter dan in de vliegende vogels (10). In de kip zijn het vooral genen met hoge expressie niveaus die korte introns hebben (14). Dit betekent dat in ieder geval de volledige basevolgorde van die introns niet functioneel kan zijn.

Betrouwbaar design?
Wat J & S ook mogen zeggen over de functie van introns, alternative splicing, etc., er blijft altijd één groot probleem: als die functies ontworpen zijn door een Ontwerper, waarom is splicing variabel in een populatie? De oorzaak van de variabilitiet in splicing zijn mutaties. Omdat er zoveel eitwitten betrokken zijn bij splicing is het te verwachten dat ook daar mutaties optreden. Met als gevolg individuele verschillen tussen personen in de efficiëntie van splicing. Het is dus niet alles-of-niets, maar splicing met variabele efficiëntie. Een voorbeeld is de variabiliteit in de ernst van atypsiche cystic fibrosis (5). Genetische variabiliteit in splicing heeft ook effect op de effectiviteit en toxiciteit van geneesmiddelen (5). Mutaties zijn een altijd terugkerend probleem als je in Ontwerp gelooft. Mutaties vernietigen Ontwerp.

Gedegenereerd design
Volgens de bioloog en geneticus J.C. Sanford (22) wijzen alle wetenschappelijke feiten op een gedegenereerd menselijk genoom. Hoe kunnen J&S dan beweren dat het menselijke genoom 'uitgekiend ontwerp' is? De hele stelling dat het menselijk genoom efficient, perfect, betrouwbaar en functioneel is, is niet te rijmen met een gedegenereerd genoom.

Pathologie van introns
Maar iedere medaille heeft een keerzijde. Een evenwichtige behandeling van introns zou zowel voor- als nadelen moeten noemen. J&S noemen géén negatieve, pathologische effecten van introns en alternative splicing, terwijl het risico duidelijk is. Eén puntmutatie in een exon levert hoogstens een ander aminozuur in het eiwit, terwijl een puntmutatie in een splicing site (intron/exon) fataal is voor het eiwit. Het eiwit wordt òf helemaal niet òf er wordt een afwijkend eiwit geproduceerd. Maar het kan nog erger: een mutatie die het spliceosoom beschadigt of uitschakelt is dodelijk omdat het spliceosoom introns moet verwijderen en dus effect heeft op alle introns.
Méér dan 60% van de mutaties die ziektes bij de mens veroorzaken betreffen splicing en niet de eiwit coderende gedeeltes (5). Volgens Krawczak et al zijn tenminste 15% van de puntmutaties die ziektes bij de mens veroorzaken splicings fouten (15). De populatiegeneticus Michael Lynch (17) concludeert dat bij 15% van de ziekteveroorzakende mutaties bij de mens splicingsfouten betrokken zijn en dat tenminste 8% van de sterfte bij de mens door splicingsfouten veroorzaakt wordt. Lynch spreekt in dit verband over 'the mutational costs of introns'. De kosten van het hebben van introns ten opzichte van intron-vrije genen voor een gemiddeld menselijk gen bestaan uit een verhoging van de mutatiesnelheid naar defecte genen met een factor 10-6 per generatie (17). Ook is er een relatie tussen afwijkende splicing en kanker (5).

Mutaties die het spliceosoom (RNA-eiwit complex dat splicing uitvoert) zelf wijzigen worden zelden gevonden omdat het organisme niet levensvatbaar is. Recentelijk (16) is bij een patient met de ziekte Microcephalic Osteodysplastic Primordial Dwarfism type I (MOPD I), ook bekend als het Taybi-Linder syndrome (TALS), (OMIM), een mutatie in de kern van het spliceosome gevonden. Zoals de naam al zegt is dit een dwerggroei die gepaard gaat met ernstige groeivertraging in de baarmoeder en na de geboorte, meerdere organen vertonen afwijkingen, en de patient sterft binnen 3 jaar. De verklaring voor de relatieve levensvatbaarheid is dat het hier een Minor Spliceosoom variant (type U12)  betreft die 'maar' 700 - 800 genen spliced. De rest van de menselijke genen worden door het Major spliceosoom gespliced.

Het risico van het bezitten van introns beperkt zich niet tot introns zelfs, maar strekt zich uit tot exons. Mutaties in het einde van een exon (de exon-intron grens) kunnen de definitie van de exon-intron grens vernietigen, met als gevolg dat het intron niet meer verwijderd wordt en er een verlengd en niet-functioneel eiwit ontstaat (12). Het opvallende is dat het hier gaat om synonieme mutaties in het exon, dus mutaties die hetzelfde aminozuur specificeren. Een recente publicatie concludeert dat zeker 50% van ziekte mutaties in exons invloed kan hebben op splicing (13).

Een andere aanwijzing dat splicing fout kan gaan en schadelijk is, is het bestaan van een mechanisme in de cel genaamd Nonsense-Mediated Decay (NMD) dat als taak heeft foutief gesplitste mRNA (aberrantly spliced mRNAs) te vernietigen. Dat zou niet nodig zijn als foutieve splicing niet schadelijk zou zijn.

Hier volgen een paar pathologische afwijkingen in de mens veroorzaakt door fouten in de splicing van introns:
  • Beta Thalassemia : mutaties in intron 1, intron2 zijn verantwoordelijk voor de pathologie (table 18.6 p.590 HMG)
  • MITF gene: mutatie disrupts correcte splicing
  • CFTR: Cystic Fibrosis Transmembrane conductance Regulator : mutatie in intron 19 activeert een cryptic splice site. (p.591 HMG)
  • CFTR gene: mutatie in intron 8 verandert de efficientie van splicing  (p.422-423 HMG)
  • Spinal muscular atrophy (Spinale musculaire atrofieën) wordt veroorzaakt door een puntmutatie waardoor een foutief geknipt gen ontstaat (p.422 HMG)
  • DMD: Duchenne Muscular Dystrophy (onbehandelbare progressieve spierziekte): deletie's binnen in het megagrote dystrophine gen beginnen en eindigen in introns waardoor hele exons verdwijnen (p.421 HMG)
  • LMBR1 Some limb abnormalities in humans are caused by mutations in introns of the LMBR1 gene on chromosome 7 (p.508 HMG)
  • Ataxie van Friedreich: wordt veroorzaakt door een tekort aan het eiwit frataxine, met als genetische oorzaak 70 tot meer dan 1.000 GAA triplets herhalingen in het eerste intron van het frataxine-gen (bron)
  • TTP: Thrombotic Thrombocytopenic Purpura. A splice site mutation of ADAMTS-13 gene can cause TTP (bron).
  • Laron syndrome: dwerggroei bij de mens wordt veroorzaakt door een splicing mutatie in intron 2 van het Groei hormoon receptor gen (bron).
  • Frasier syndrome: the human genetic disease Frasier syndrome affects patients heterozygous for a mutation that interferes with formation of the longer exon 9 isoform of the Wt1 gene (bron).
  • Prader-Willi Syndrome (PWS) is the first known example of a genetic disease in which pathogenesis might be due to mutation of a gene encoding a splicing regulatory factor. Results in aberrantly regulated splicing of 5-HC2CR. (bron)
Voor een lijstje van erfelijke ziektes veroorzaakt door splicing fouten zie het nuttige boek van John Avise (8). Verder is het bijzonder instructief om wat te grasduinen in de OMIM database (Online Mendelian Inheritance in Man). Het blijkt dat introns vaak betrokken zijn bij erfelijke ziektes bij de mens:

intron:                 2367 hits
splicing:               1880 hits
aberrant splicing:    152 hits
alternative splicing: 913 hits

Conclusie
Het is een pluspunt dat J&S aandacht besteden aan introns. Maar die aandacht is eenzijdig gericht op het nut van introns (alternative splicing) en op problemen met evolutionaire mechanismes (exon shuffling) en gaat totaal voorbij aan de nadelen van introns (pathologie van introns) en negeert het bewijsmateriaal voor het nut van exon-shuffling in de evolutie. De verklaring voor deze eenzijdigheid ligt voor de hand: J&S willen vooral 'slim ontwerp' (= intelligent design) zien. En 'slim ontwerp' kan niet het resultaat zijn van evolutionaire processen. Vandaar hun kritiek op exon-shuffling als mechanisme om modulaire eiwitten te produceren. Het 'slim ontwerp' van J&S wordt niet alleen ontzettend selectief toegepast, maar hoort sowieso niet in de wetenschap thuis. Een wetenschappelijk verantwoorde behandeling van de introns-early/introns-late discussie ontbreekt. Dit wordt vermoedelijk veroorzaakt door hun preoccupatie met macro-evolutie en hun stilzwijgende ontkenning dat al het leven een gemeenschappelijke afstamming heeft (common descent).

Noten
  1. S. J. de Souza (2003) 'The emergence of a synthetic theory of intron evolution', Genetica.
  2. De titel van de paragraaf is: "Complexe exon-intron-genstructuur van de gemeenschappelijke voorouder van alle dieren en de mens?". De lezer komt niet te weten dat planten ook introns hebben; planten worden niet genoemd. NB: de mens wordt apart genoemd alsof de mens geen dier is.
  3. Dan Graur, WH.H. Li (2000) 'Fundamentals of Molecular Evolution' (sec. ed.). 
  4. László Patthy (1999) 'Protein Evolution', Blackwell Science, p.178 en p.57. Een soortgelijke figuur wordt gegeven in Douglas Futuyma (2005) Evolution p. 240 en Douglas Futuyma (1998) Evolutionary Biology, p. 325.
  5. Guey-Shin Wang, Thomas A. Cooper (2007) Splicing in disease: disruption of the splicing code and the decoding machinery, Nature Review Genetics, October 2007 (overzichtsartikel). Zie ook: Alternative splicing and disease (wikipedia)
  6. Timothy W. Nilsen & Brenton R. Graveley (2010) Expansion of the eukaryotic proteome by alternative splicing, Nature 463 28 January 2010
  7. Vinogradov A. E. (1999) Intron-genome size relationship on a large evolutionary scale J. Mol. Evol 49:376-384
  8. John Avise (2010) 'Inside The Human Genome. A Case For Non-Intelligent Design', Oxford University Press. (zie hoofdstuk 3 over introns)
  9. Factor VIII gen bestaat voor 5% uit exons; het menselijk mDia1 gen bestaat voor 6% uit exons (gegevens: Stephen Matheson Introns. Let's think about this, people. Part II.) Een goede opsomming van argumenten waarom de base volgorde van genen niet functioneel is geeft hij hier.
  10. Austin L Hughes, Helen Piontkivska (2005) DNA repeat arrays in chicken and human genomes and the adaptive evolution of avian genome size, BMC Evolutionary Biology 5:12.
  11. Castillo-Davis CI, Mekhedov SL, Hartl DL, Koonin EV, Kondrashov FA. (2002) Selection for short introns in highly expressed genes, Nature Genetics 31(4):415-8. Epub 2002 Jul 22.
  12. J. V. Chamary and Laurence D. Hurst (2009) The price of silent mutations, Scientific American, June 2009, pp34-41. De base volgorde die de grens definieert heet: exonic splicing enhancers (ESE).
  13. Benjamin J. Blencowe (2006) Alternative Splicing: New Insights from Global Analyses, Cell, Volume 126, Issue 1, 37-47, 14 July 2006
  14. You S Rao et al (2010) Selection for the compactness of highly expressed genes in Gallus gallus, Biology Direct 2010, 5:35
  15. Luca Cartegni et al (2002) Listening to silence and understanding nonsense: exonic mutations that affect splicing, Nature Reviews Genetics 3, 285-298 (April 2002)
  16. Heli K. J. Pessa and Mikko J. Frilander (2011) 'Minor Splicing, Disrupted', Science 8 April 2011
  17. Michael Lynch (2010) 'Rate, molecular spectrum, and consequences of human mutation', PNAS 19;107(3): 961-8.
  18. Dan Graur, Wen-Hsiung Li (2000) Fundamentals of Molecular Evolution, p.388.
  19. Julie Parenteau et al (2008) Deletion of Many Yeast Introns Reveals a Minority of Genes that Require Splicing for Function, MBoC.
  20. Hadas Keren, Galit Lev-Maor & Gil Ast (2010) Alternative splicing and evolution: diversification, exon definition and function, Nature Review Genetics, 11, 345-355 (May 2010).
  21. Jonathan M. Mudge et al (2011) The Origins, Evolution, and Functional Potential of Alternative Splicing in Vertebrates, Mol Biol Evol (2011) 28 (10): 2949-2959.
  22. J.C. Sanford (2005) Genetic Entropy & The Mystery of the Genome, Ivan Press, paperback.
HMG: Tom Strachan, Andrew Read (2011) 'Human Molecular Genetics' 4th edition, Garland Science.

Zie ook de blogs:
Introns voor beginuitknippenners
Het intron-mysterie voor gevorderden (1)
Het intron-mysterie voor gevorderden (2) Evolutie van introns
Oude en nieuwe inzichten in de functie van introns

Deze pagina is 21 september 2011 aangevuld/gewijzigd.

Comments