Ethisch Woordenboek

Begrippenlijst


Redactie:
Julia Boulanger
Eleazer Kolthoff

Uitgever:
Daniël Mok

© 2007 by:
Uitgeverij Abraxas, Amsterdam

Hoe gaan we, ethisch verantwoord, om met de discussie over de Bijbel en Koran?

Karen Armstrong, De Bijbel >


Compassie

 


ethiek (van het Grieks èthos of ethos = zede, gewoonte).

1. Algemeen


Ethiek is een tak van filosofie die denkt over het morele handelen van mensen. Ethiek stelt de vraag: ‘Wat is rechtvaardigheid?’ In de geschiedenis draaide ethiek ook om de vragen: ‘Hoe moet ik handelen?’ en ‘Wat is het goede?’ (het ging dan bijvoorbeeld om leefregels die men hanteerde om als deugdzaam mens te leven). De mens stelt deze vraag wanneer hij reeds een zekere afstand heeft genomen van de feitelijke morele gemeenschap waarin hij leeft en het naïeve vertrouwen daarin heeft opgezegd. De wijsgerige ethiek veronderstelt dus weliswaar een concrete morele gemeenschap, maar is tegelijkertijd een kritische bezinning daarop. In verschillende perioden van de geschiedenis zien we dan ook dat mensen verschillende opvattingen hebben over wat rechtvaardigheid of het goede is. Aanvankelijk zocht men ethische regels in een ideaal van het schone of het goede, later in een objectieve orde, zoals de goddelijke wet of de natuurwet. Aan het begin van de moderne tijd gaat men ethiek funderen in het redelijk inzicht van de mens zelf. Men vertrouwt op de menselijke rede, om tot morele oordelen te komen. Ethiek kan gaan over de relatie tussen mensen onderling, maar ook over de relatie tussen bijvoorbeeld landen.

2. Grondvragen en typen van de ethiek


Deze bezinning kent verschillende gradaties. Zij kan zich beperken tot concrete morele vragen en daarin zoeken naar provisorische oplossingen. Deze wijze van bezinning is aanwijsbaar in het essay, in de casuïstiek en in vele handboeken van wijsgerige en theologische ethiek. De oplossing van zulke vragen wordt dan toevertrouwd aan degenen die gelden als de behoeders van de gemeenschap, de wijze, de priester, de filosoof. Een meer kritische laag van ethische bezinning betreft de normen en waarden waarmee mensen leven; deze reflectie nodigt uit tot het zoeken naar een verantwoorde normatieve theorie. Vervolgens kan een dergelijke bezinning op haar beurt weer meer radicale vragen uitlokken, zoals: wat is het goede?, wat is rechtvaardigheid? Hiermee worden het kentheoretische statuut en het waarheidsgehalte van ethische uitspraken aan de orde gesteld. In het laatste geval spreekt men vaak van meta-ethiek.

In iedere meer uitgebalanceerde wijsgerige ethiek zullen de drie niveaus van vragen aanwezig zijn. Dat kan ook niet anders, omdat ethische denkers zich steeds bewust zijn van de politieke, sociale, religieuze en culturele structuur waarin zijzelf staan en van waaruit de vragen naar de normen en waarden opkomen. Die voorgegeven structuur is als het ware de premisse van de morele redenering. Dat bepaalt dan ook de zekerheid die men kan verwerven in morele kwesties. Men spreekt van morele zekerheid in onderscheid tot wetenschappelijke zekerheid c.q. metafysische zekerheid. De situatie waarin de ethische vraag ontstaat, de niveaus waarop de vraag gesteld kan worden, en het soort van zekerheid die we kunnen verwerven, bepalen de verschillende typen van ethiek.

Vooral in de klassieke oudheid en de Middeleeuwen, maar ook in de tegenwoordige tijd, houden veel denkers zich bezig met de eigen aard van de morele of retorische logica. Zij zoeken naar de criteria voor de verschillende vormen van overredingskunst en van zekerheid in morele uitspraken. Maar het onderzoek naar de waarde van de morele logica zal het niet kunnen stellen zonder een meer omvattende ethische theorie die in staat is rekenschap af te leggen van het eigenlijk zedelijke in onderscheid tot aanverwante gebieden zoals het religieuze, het politieke en het esthetische. Bovendien biedt het antwoord op de vraag wat het specifiek zedelijke is, een schakering van mogelijkheden. Concentreert men zich op de vraag naar menselijke doeleinden, dan ontstaat het type van een teleologische ethiek (v. Gr. telos = doel); wordt meer aandacht gegeven aan het plichtskarakter van het ethische gebod, dan is er sprake van een deontologische ethiek (v. Gr. deon = dat wat behoort). Zulke typeringen en onderscheidingen hangen niet af van de voorkeur van de denker die een bepaalde ethiek ontwerpt. Het is de concrete morele constellatie zelf die noodt tot bepaalde antwoorden. De ethische denker wordt zelf bepaald door de theoretische en praktische modellen waarmee hij zijn problemen hanteert, en hoewel hij er kritisch tegenover staat, zal hij zijn eigen perspectief steeds ontwikkelen vanuit zijn situatie, zonder dat dit perspectief daarmee samenvalt. Zo zal een denker die leeft in een tijd waarin de samenlevingsvragen een grote rol spelen, bedacht zijn op het politieke en sociale perspectief van de ethiek, terwijl in een periode waarin aan het politieke en sociale geen ethische relevantie wordt toegekend, het ethische denken op het spoor wordt gezet van een meer individualistische ethiek. Wanneer vooropgesteld wordt dat de wijsgerige ethische bezinning begint waar het naïeve vertrouwen in de aanvaarde normen en waarden verloren raakt, betekent dit in feite dat de concrete historische zedelijke gemeenschap niet meer in staat is om een menswaardig bestaan, waarin het waarachtig goede kan worden nagestreefd, te bieden en de uitbouw van menselijke mogelijkheden zelfs verhindert.

Dat leidt tot een centraal probleem en een gemeenschappelijk thema in alle ethiek, nl. het probleem van macht en bevrijding. De geschiedenis van de ethiek toont dat duidelijk aan. De ethiek stelt bijv. vanuit het problematisch karakter van de macht van de feitelijke politiek en retoriek de vraag naar de ware politiek en naar de woordkunst die tot het ware inzicht voert. Aldus is gebeurd in de Griekse ethiek. Ofwel zij stelt zich op tegen de onderdrukkende macht die soms de religie eigen is. Zij kan zelfs de vraag stellen naar de macht van de moraal zelf in zoverre ook deze de menselijkheid kan bedreigen en menselijke mogelijkheden onderdrukken. In het laatste geval zal de ethiek het karakter hebben van een wantrouwen tegen, en een ontmaskering van de ethiek (Nietzsche, Freud, Marx).

3. Historisch overzicht


Een zekere historische reconstructie van de ethiek is mogelijk aan de hand van het bovengenoemde thema van macht en bevrijding. In het oude Griekenland is de deugdzame mens het ideaal van de ethiek (Grieks: ethica). De deugd is een politieke kwaliteit: dapperheid in de oorlog en moed in het leidinggeven aan de gemeenschap. De deugd is dus meer dan gehoorzame opvolging van een morele code, zij streeft ernaar de speelruimte van de menselijke mogelijkheden te vergroten.

De wijsgerige bezinning van Plato begint als de Griekse samenleving van de polis reeds in verval is. Bij hem wordt dan ook duidelijk dat het ware goed voor de mens wordt bedreigd door de schijn van politieke argumenten, zoals die worden geleverd door de sofisten met hun overredingskunst. De hoogste zedelijkheid wordt bereikt in het schouwen van de eeuwige waarheid, die dan een rechtvaardige samenleving moet normeren. Aristoteles volgt in zekere zin Plato, maar hij is zich toch veel meer bewust van de historische relativiteit van de zedelijkheid en van de worteling ervan in de zedelijke gemeenschap. Vandaar dat hij het zedelijke ideaal van het schone en goede leven weer binnen de politieke en sociale orde trekt. Voor hem is de hoogste levenswijze de politieke, dwz. een leven dat actief is en zich ontwikkelt in de politiek. Daarin bereikt de mens zijn geluk (Gr. eudaimonia).

Het totale verval van de polis en de opkomst van de grote politiek (Alexander de Grote en het Romeinse imperium) doen een nieuw type van ethiek ontstaan. De ethiek wordt geheel losgemaakt van de politieke ordening en richt zich op de algemeen menselijke natuur en de eeuwige ordening van de wereld, die door de rede kan worden gekend. Door deze redelijkheid wordt de mens bevrijd van zijn passies en van de macht van de schijn en de retoriek. Het hoogste zedelijk ideaal is in deze stoïcijnse ethiek dat van de apathie, het vrij-zijn van aandoeningen.

In de Middeleeuwen wordt de ethiek opgenomen in een filosofie en theologie waarin God, de schepper van alle dingen, tevens het einddoel is van de mens. De mens bereikt zijn hoogste geluk in de beschouwing of genieting van God. Hoewel de middeleeuwse ethiek zich niet sterk heeft ontwikkeld in discussie met de politiek, is theorievorming op dit gebied wel enigermate aanwezig, nl. in de idee van de natuurwet waaraan alle positieve wetgeving onderworpen moet zijn.

De moderne tijd, ingeluid met de filosofie van Descartes, wordt gekenmerkt door de wending naar het subject. Voor de ethiek betekent dit dat geen beroep meer kan worden gedaan op een objectieve, gegeven metafysische orde, maar slechts op het redelijk inzicht van de mens zelf. Woorden als zelf-zijn, authenticiteit en vrijheid gaan gaandeweg een grotere rol spelen. De redelijkheid wordt als ideaal in stand gehouden, maar het wordt moeilijk om in te zien waarin deze is gefundeerd. Als model van redelijkheid geldt aanvankelijk de meetkunde. Spinoza ontwerpt een ethiek ‘in meetkundige trant uiteengezet’, waardoor de mens zich kan bevrijden van het knechtschap of de macht van de aandoeningen. Maar tegelijk ontwikkelt zich, m.n. in de Engelse wijsbegeerte, een ethiek die zich wil baseren op de ervaring; daarvoor wordt een beroep gedaan op het onmiddellijke morele gevoel (moral sense). De meest consequente ethiek die de moderne tijd heeft opgeleverd is die van Immanuel Kant. Deze fundeert de ethiek ondubbelzinnig in de autonomie en de vrijheid van de mens. De vrijheid is grond en inhoud van de zedelijkheid. Weliswaar bestaat de zedelijkheid in de gebondenheid aan de zedenwet, maar in deze gebondenheid gehoorzaamt de mens alleen aan zichzelf als een vrij en redelijk wezen. Ook in een ander opzicht betekent het denken van Kant een vernieuwing. Hij formuleert niet zonder meer een inhoudelijk zedelijk ideaal, maar ziet de ethiek als kritische en uitzuiverende instantie ten opzichte van alle feitelijke zedelijkheid. Het ethische denken na Immanuel Kant wordt hierdoor sterk beïnvloed, hetzij doordat de positie van Kant in verschillende richtingen wordt verdergedacht (zoals in het Duitse idealisme, m.n. dat van Fichte, en in het neokantianisme), hetzij doordat men zich tegen Kant verzet (zoals in de zgn. waardenethiek van Scheler en Hartmann).

4. Hedendaagse situatie


Martin Buber


De hedendaagse ethiek wordt voor een groot deel beheerst door de analytische filosofie. De taalanalyse die door deze tak van filosofie gahanteerd wordt, wordt toegepast op ethische uitspraken. Vooral het probleem dat uit constateringen, die betrekking hebben op feiten, geen zedelijke imperatieven kunnen worden afgeleid, speelt in de discussie een rol. De voornaamste theorieën met betrekking tot de fundering van de ethiek zijn het intuïtionisme, het naturalisme, het emotivisme en de gevoelsmoraal. Belangrijk blijft in de ethiek ook het existentialisme (zie existentiefilosofie), hoewel dat de laatste tijd wat op de achtergrond is geraakt (Sartre, Jaspers). Hier ligt de nadruk op de keuze van het vrije, maar eindige subject. Grote invloed is ook uitgegaan van de ethische bezinning die werd ontwikkeld vanuit de Frankfurter Schule (Habermas, Apel). Zij wil ethiek als normatieve theorie funderen in een argumentatiegemeenschap die door een dialoog, die vrij is van alle machtsrelaties, tot overeenstemming kan komen ten aanzien van de ethische normen van alle discussiepartners.

Ten slotte wordt een aparte richting gevormd door denkers die de ethiek funderen op de eerbied voor de ander als ander. Deze ethiek, waartoe de mogelijkheid reeds is vervat in de ethiek van Kant, werd fundamenteler onderzocht door de joodse filosoof Martin Buber en heeft heden ten dage een heel specifieke vorm in de filosofie van Emmanuel Levinas. De laatste twee denkers en ook de eerder genoemde existentialisten bepleiten een absolute voorrang van de ethiek boven de politiek.

Bron:Winkler Prins