Zusters Benedictinessen in het Kroatië van vandaag
M. Benedicta Halilovic, OSB
Pag, Kroatië
voorzitster van de benedictijnse federatie van Kroatië
Het is werkelijk een voorrecht voor mij om hier vandaag met U samen te mogen zijn. Er is mij gevraagd U een beeld te schetsen van de Zusters Benedictinessen in Kroatië.
Daarom wil ik beginnen met een korte historiek van de Zusters Benedictinessen in deze streek en daarna zullen we het hebben over de zusters van vandaag.
Er bestonden al kloosters in de streek van het huidige Kroatië vóór de komst van de Kroaten in de 7de eeuw, zelfs vooraleer de christenen godsdienstvrijheid hadden verkregen in de 4de eeuw. Zo weten we dat in Srijem(Syrmia), zeven maagden samen gemarteld werden tijdens de heerschappij van keizer Diocletianus . In sommige documenten wordt naar hen verwezen als de Zeven Gecanonizeerde Maagden . Dit zou betekenen dat deze maagden volgens bepaalde kerkelijke richtlijnen of regels leefden, zonder echter, in de stricte zin van het woord, monialen te zijn. Het is mogelijk dat er in de buurt van het stadje Porec in Istrië een vrouwenklooster bestond in de 5de of 6de eeuw.Of de vrouwen die afgebeeld staan op de mozaïek van de 6de –eeuwse kathedraal van Porec monialen zijn kunnen we niet met zekerheid weten.Verder kunnen we ook niet zeker zijn dat de oudste vrouwelijke religieuze gemeenschapen in Istrïe Benedictinessen waren en of er Benedictijner monniken hadden geleefd in deze streken vóór hen.
Een overtuigender bewijs van het bestaan van monialen in deze streek is te vinden in de gedateerde inscriptie die gevonden werd tussen de ruïnes van de Romeinse stad Salona in de buurt van Split.Tijdens de vier eeuwen die volgden op de vernietiging van deze stad (rond 614) vinden we maar karige informatie die zou kunnen wijzen op op het bestaan van vrouwelijke cenobieten in deze streken.
Het bestaan van Benedictijner zusters gaat terug tot in de 11de eeuw. Er ging een golf van enthousiasme door Europa voor wat het religieuze leven betreft en zo werd het eerste klooster in Dalmatië gesticht.Zoals het meestal ging, volgden de Benediktijner monialen de Benediktijner monikken, ook in Dalmatië.
Sint Benedictus had zijn volgelingen in de Benedictijner kloosters verboden een onderscheid te maken tussen slaven en vrijen. Nog minder onderscheid mocht er gemaakt worden tussen leden van de lagere standen en de edelen. Feitelijk was het verschil tussen hogere en lagere standen kleiner dan het verschil tussen uw en mijn klooster.
Als er dus niet genoeg dochters van edelen voorhanden waren, werden er zonder aarzelen meisjes uit de lagere standen aangenomen. Idem dito wanneer twee kloosters moesten samensmelten omdat de gemeenschappen te klein waren; men hield dan geen rekening met het feit dat in het ene klooster toevallig allemaal edelvrouwen verbleven terwijl het andere bevolkt was met vrouwen van gewone komaf.
In de Middeleeuwen waren er veel meer kloosters voor edelvrouwen dan voor vrouwen van gewone afkomst, ondanks het feit dat er veel meer families van lagere afkomst waren dan adellijke families. De hoofdreden voor het bestaan van zo talrijke cenobitische gemeenschappen van edelvrouwen moet echter gezocht worden in het verhoudingsgewijze grote aantal ongehuwde vrouwen van adelliijke afkomst. Langs de ene kant mocht de adel alleen onder elkaar huwen, langs de andere kant werd het uithuwelijken op zich sterk beperkt om te vermijden dat het rijke patrimonium van de patriciersfamilies zou verdeeld of afgeslankt worden door grote bruidschatten. En zo konden vrouwenkloosters voorzien op een aangepaste en toch niet te dure manier in het levensonderhoud van die vrouwen, die, wegens de feodale structuur van de maatschappij, voor hun ganse leven ongehuwd moesten blijven
Deze standenmaatschappij, wier principes zo indruisten tegen de boodschap van het evangelie én tegen de Regel van Benedicus, knaagde sterk aan de kwaliteit van de aankomende jonge generatie van religieuzen en onermijnde de discipline. Daarom maakten sommige kloosters vanaf het begin van de Moderne Tijd er werk van dat ten minste één derde van de zusters van gewone komaf was.
Over het algemeen kozen de monniken ervoor hun koosters op het platteland te bouwen, tewijl de monialen gewoonlijk in contact bleven met een stad.Tijdens de Middeleeuwen was het bijna ondenkbaar dat monialen ver van een stad konden leven; dit zowel wegens de manier waarop een vrouwelijke communiteit was georganizeerd als om veiligheidsredenen, want het leven op het platteland bracht veel risico’s met zich mee. Het kon echter wel voorkomen dart Benediktijner zusters op het platte land moesten verblijven, weliswaar voor een korte periode of als vluchtelingen tijdens een oorlog.
Maar monialen hadden blijkbaar meer doorzettingsvermogen dan monniken.
Wanneer dus de Napoleontische oorlogen in deze streken uitbraken, verbleven er een honderdtal monialen in zeventien kloosters.Veel van deze kloosters, en ook die van andere religieuze gemeenschappen, die aan de kust gelegen waren werden opgeheven onder Oostenrijks en Frans bewind. De richtlijn hierbij luidde dat elke stad één klooster kon behouden om te voorzien in de opvoeding van de meisjes.
Overeenkomstig deze regel werden negen Benedictinessen kloosters gespaard, waarvan er nu nog acht actief en bewoond zijn. Vanaf het noorden naar beneden toe zijn dat: H. Maria (Sv. Marija) in Krk, H. Petrus (Sv. Petar) in Cres, H. Andreas (Sv. Andrija) in Rab, H. Margriet (Sv.Margaraita) in Pag, H. Maria (Sv. Marija) in Zadar, H. Lucia Sv. Lucija) i Sibenik, H. Nikolaas (Sv.Nikola) in Trogir en H. Johannes de Doper (Sv. Krstitelj) in Hvar.De monialen van het negende klooster (H. Rocco – Sv. Roko in Rijeka) emigreerden naar Italië na de Tweede Wereldoorlog.De twee oudste nog bestaande kloosters zijn Zadar en Trogir, allebei gesticht in de 11de eeuw; de meest recente zijn die van Sibenik en Hvar, die allebei uit de 17de eeuw stammen…
De dag van vandaag zijn er een tachtigtal monialen in Kroatië.
Benediktijner zusters hebben gedurende eeuwen een beduidende rol gespeeld in de Kroatische Kerk en maatschappij.De eerste kloosters werden door Kroatische heersers en koningen gesticht zoals de H. Maria(Sv. Marija) in Zadar en de H. Nikolaas in Trogir, wier geschiedenis teruggaat, zoals gezegd, tot in de 11de eeuw.Onze aanwezigheid binnen Kerk en maatschappij is altijd discreet geweest maar stevig. Onze kloosters waren altijd plaatsen voor scholing in gebed en werk,waar men zorg had voor het nationaal en cultureel erfgoed.Deze kloosters hadden een grote impact op het openbaar leven ter plaatse; zij promoveerden economie, kunst en verscheidene aspecten van de opvoeding en het huishoudelijk leven. Zo zijn de eerste meisjesscholen in dit land verbonden met Benedictinessen kloosters.In de afzondering van hun kloosters zijn Benedictinessen erin geslaagd om waardevol cultureel en kunst erfgoed te beschermen en tebewaren. De muzeum collecties van de Benedictinessen van Zadar en Trogir zijn hiervan een levend bewijs; ook andere kloosters hebben waardevolle collecties die echter niet toegankelijk zijn voor het publiek.
Door het communisme werd de positie van de Benedictinessen binnen de Kerk en maatschappij verzwakt door een gebrek aan dynamiek en een overtuigde levenswijze tijdens de laatste zestig of zeventig jaar.Het communistisch regime slaagde er ook in om onze gemeenschappen af te zonderen, hun functie en werking te minimalizeren en zo hun hoofdbezigheid te reduceren tot een moeizaam gevecht om te overleven.
Tijdens deze periode werden ook contacten en samenwerking met mensen van buiten het klooster gereduceerd tot een minimum.
Dit was ook de tijd van Vaticanum II. Maar omdat in die periode eenheid tussen de kloosters ontbrak en de informatie niet doorstroomde, ontbrak het engagement om ons monastiek leven aan te passen aan de nieuwe omstandigheden. Daarom is de situatie van onze gemeenschappen altijd een beetje apart geweest: langs de ene kant hebben we altijd onafhankelijkheid en autonomie gekend, langs de andere kant leefden we geïsoleerd van elkaar en waren we te klein om om enige invloed uit te oefenen binnen de Kerk of in de maatschappij. Heden ten dage bestaan onze gemeenschapen vooral uit oudere zusters, weinig in aantal en met weinig nieuwe roepingen. Dit vormt een probleem voor de meeste van onze communiteiten en is onze grootste uitdaging het gebrek aan roepingen. Er bestaat ook een grote generatiekloof. Het is moeilijk om jonge mensen aan te trekken als de jongste in de gemeenschap 45 of 50 jar oud is.En op zijn beurt maakt dit feit het dan weer moeilijk voor onze gemeenschappen om een zekere invloed uit te oefenen binnen de Kerk of op onze maatschappij.
Desondanks zijn we er ons van bewust dat, ondanks onze kleinschaligheid binnen Kerk en gemeenschap, het nu de tijd is om handelend op te treden en dat het nu aan ons is om onze status en structuren vast te leggen voor heden en toekomst, waar we te maken zullen hebben met kleinere gemeenschappen.
Daarom ook zal het voor deze kleinere communauteiten nodig zijn om op mekaar in te spelen. Ze zullen elkaar nodig hebben om de dialoog verder te zetten en de talenten van alle leden met elkaar te delen. Zich isoleren zou fataal kunnen worden. Dit betekent dus dat we de isolatie doorbreken naar een begrijpen toe van de andere die van ons verschilt en de bereidheid om ons begrip te verbreden in het licht van wat we van die andere kunnen leren.
Terugkijkend op de lange geschiedenis van de Benedictinessen in onze natie, is het duidelijk dat onze kloosters altijd voeling met en begrip voor de noden van ons volk hebben gehad. Hier wil ik toch wijzen op de fijngevoeligheid van onze communauteiten tijdens de recente bevrijdingsoorlog, toen er gedurende jaren vluchtelingen en ontheemden van alle denominaties en religies gekleed en gevoed werden en men hen onderdak en medicijnen vestrekte. Op deze wijze hebben wij getracht om een hand te reiken aan alle mensen in nood op dat moment. Sommigen van onze gemeenschappen gaven kleuteronderwijs in hun kloosters, leidden jonge mensen op in hun scholen en hielden weeshuizen open in die periodes van oorlog en honger, waar velen herhaaldelijk verstoken waren van het dagelijks brood. Samen met andere weldadigheidsinstellingen en humanitaire organisaties binnen en buiten de Kerk hebben de zusters een groot deel van hun tijd, inspanningen en middelen ingezet om de behoeftigen te helpen. Gedurende een bepaalde periode van de laatste onafhankelijkheidsoorlog, waren onze verblijven gekend als schuilplaatsen tijdens de reis, een tijdelijke thuis voor velen, een dak boven het hoofd voor wiens huis vernield, uitgebrand of verwoest was, een plek voor hen die nergens een plaats vonden om te eten, een apotheek voor de behoeftigen en terzelfdertijd een verkwikkende plek voor de ziel, een plaats van hoop tegen beter weten in! Liefde vindt altijd wel weg om menselijke misverstanden, strijd en verdeeldheid te overwinnen!
Zich inzetten voor een medemens in nood is een bevel van God. Diegenen die dit bevel opvolgen worden gave voor de behoeftigen, voor de armen, voor het Leven zelf.
Zo dragen op een bepaalde manier onze gemeenschappen de lasten van de mensen rondom ons. Veel mensen komen naar ons toe, stellen hun vertrouwen in ons, en delen met ons hun moeilijkste, maar ook hun mooiste momenten. Wij bidden speciaal voor hen in moeilijke persoonlijke omstandigheden. Wij trachten iedereen die naar ons toe komt te verwelkomen, gelovigen of ongelovigen, om liturgie, maaltijden, therapie van het woord te delen en verder al wat we van monastiek leven en waarden kunnen aanbieden, aan te reiken. Daarom getuigen we van ons geloof op verschillende wijzen – we trachten in te spelen op de behoeften van de mensen door middel van het eenvoudig en ernstig leven dat wij leiden, door onze deelname aan het leven rondom ons in solidariteit en door de mensen te steunen die daarom vragen. Dit gebeurt in elk klooster op een andere manier, maar vooral door opleidingen zoals muziekonderricht, kantklossen etc.
Onze kloostergemeenschappen werden nooit opgeleid om een gastenhuis uit te baten en om Godszoekers te begeleiden of om mensen te ontvangen die hun geloof willen verdiepen binnen onze communauteiten. Voor ons is dit een zware en complexe opgave en is het niet gemakkelijk om iets dergelijks te organizeren en onze gemeenschappen op die leest te schoeien.Ten eerste ontbreekt het ons aan kennis én aan praktijk en ten tweede zijn onze gemeenschappen te klein om ook nog een gastenhuis uit te baten. We hebben professionele hulp nodig om een gastenhuis op poten te zetten, om onze mogelijke toekomstige gasten te begeleiden en om de mensen aan te sporen om tijd met God door te brengen in onze kloosters. Het is ook van cruciaal belang om onze liturgie goed te organizeren en het mogelijk te maken voor onze gasten om samen met ons te bidden. Daarbij vraagt het ook oefening en constante inspanning om een levendig getijdengebed in stand te houden.
Indien we dit alles klaar konden krijgen, zou elke gemeenschap meer openheid naar buiten toe kunnen realizeren, contacten zouden makkelijker kunnen gelegd worden en nieuwe roepingen maken dan meer kans. Daarenboven is het een uitdaging om ons spiritueel leven te kunnen delen met hen die naar onze kerk en ons gastenhuis komen.
Wat de mensen momenteel het meest nodig hebben is God, vrede en spiritualiteit. De zwaar consumerende mensen van vandaag hebben een grote spirituele honger en dorst naar God. Deze honger herkennen en erop inspelen krijgt bij ons topprioriteit.
Hoe kunnen onze communauteiten met deze toekomstige uitdaging omgaan? We hebben zeker een visie op de toekomst nodig om God’s volk te dienen, om getuige te zijn van het monastieke leven in onze eigen tijd. De uitdaging van een onbekende toekomst is de uitdaging van vandaag. Wij worden niet meer geroepen om te doen wat we 50 jaar geleden deden. De noden zijn niet meer dezelfde en het is niet gemakkelijk om de dingen anders te doen dan op de manier die we gewoon zijn. Het verlangen naar spiritualiteit, gebed en werk en eenvoud is even groot in onze dagen als het was voor de zusters 50 jaar geleden.Daarom zouden onze kloosters niet alleen een plaats moeten zijn waar slotzusters wonen, maar ook een trefpunt waar mensen kracht kunnen op doen voor het leven van alledag op hun geloofsweg in navolging van Jesus. Dat zou onze basisactiviteit moeten worden, terwijl we nog steeds onze culturele waarden en schatten bwaken en bewaren en behoeftigen helpen.
Naar onze toekomst kijken wordt dus en echte uitdaging. We kunnen, noch zullen dezelfde communauteiten zijn die we jaren geleden waren. De uitdaging bestaat erin het verleden los te laten en op een nieuwe wijze, gesteund op geschiedenis, ervaring en hoop de sprong in de toekomst te wagen. Met andere woorden, we moeten een nieuwe visie ontwikkelen, ons engageren voor deze visie en ons engageren voor elkaar. Vermits wij een gemeenschap van bekering zijn, behoort het tot onze verantwoordelijkheid om, niet alleen mensen van vrede te zijn, maar mensen die bereid zijn om verder te gaan dan oppevlakkige veranderingen naar de bekering van het hart. Onze uitdagingen zijn min of meer dezelfde, als die, waar de Benedictinessen van de zesde eeuw voor stonden.De H. Benedictus heeft niet geprobeerd om Rome te hervormen, maar hij is begonnen met nieuwe gemeenschappen te vormen binnen de oude structuren. Hij werd geconfronteerd met dezelfde problemen die wij kennen en die hij uitschreef in zijn regel voor beginners i.v.m. materiële goederen en persoonlijke relaties.
Alles wat we doen, maakt deel uit van onze zoektocht naar God. Daarom wordt van elk lid van de gemeenschap verwacht dat zij bijdraagt tot het gemeenschappelijk goed. En deze bijdrage is dan het resltaat van de erkenning en ontwikkeling van ieders talent. Onze gemeenschappen moeten zich bezinnen over de beschikbare talenten; hoe ze te gebruiken in nieuwe werkvormen.De toekomst is ook aan die gemeenschappen waar de zusters mensen kiunnen begeleiden als raadgevers en gidsen bij de grote levensvragen en zo aantonen dat de Benedictijnse waarden ook van betekenis kunnen zijn voor onze hoog-technologische maatschappij. We moeten aantonen dat we geen toeschouwers of omstaanders zijn.
Dit zijn een paar van de grote uitdagingen die voor ons liggen in de naaste toekomst.Het is onze wedezijdse verantwoordelijkheid om deze uitdagingen met elkaar te delen en ons ervoor in te zetten alsook voor een visie op de toekomst.
Door onze kloosters administratief met elkaar te verbinden( zoals b.v. in een congregatie) zou het makkelijker en efficiënter zijn om tegemoet te komen aan de huidige noden en ook om het historisch moment dat ons geboden wordt volgens in te vullen volgens ons christelijk geweten.
Deze federatie van onderlinge verbondenheid zal open moeten staan voor diversieit en wederzijdse steun en nieuwe visies moeten toelaten in wederzijds begrip en respect, solidariteit en samenwerking
Mijn conclusie luidt dan ook: er is hoop voor de Benedictinessen in Kroatië. Ik geloof dat het monastieke leven een middel kan zijn om het geheim van stabiliteit, vrede en liefde te ontsluieren.
Dan hebben wij ook een verantwoordelijkheid om de maatschappij te helen dankzij onze liturgie, ons gebedsleven en onze gastvrijheid, dankzij ons Ora et Labora.
Dit is de uitdaging van het nieuwe millenium voor ons in Kroatië.
Het is een feit dat onze wereld behoefte heeft aan zachte, helende handen.
Wij verlangen ernaar om getuigen te zijn van dit helend handelen en tekens van hoop te zijn in onze tijd zo dat « God in alle dingen mag verheerlijkt worden! »
Zr. Benedicta Halilovic, OSB
Pag, Kroatië
September, 2009
Vertaling: Jacky Laenen (Htb)