Een Hart voor

Prins Alexander?!

Het debat: Een hart voor Prins Alexander?!

Op donderdagavond 1 november 2018 vond in de Raadszaal van het gebiedskantoor Prins Alexander een debat plaats over centrumvorming op de Alexanderknoop, het gebied rondom het Prins Alexanderplein en in de stationsomgeving. Dit debat was de eerste van een serie en werd georganiseerd door de Stichting Hart voor Prins Alexander, in het kader van het placemakingtraject van twee jaar dat zij heeft opgestart op het Prins Alexanderplein. Daarnaast is de tijdelijke inrichting en de programmering op het plein onderdeel van dit placemaking-traject.

Doel van de debattenreeks is professionals en gebruikers met elkaar te laten praten over een toekomstig centrum dat betekenis toevoegt in het stadsgebied Prins Alexander, dat nu gebrek heeft aan een gemeenschappelijk beleefde identiteit.

Joost Schrijnen

Onno de Wit

Thunnis van Oort

Chris Luth

De avond begon met drie presentaties, gegeven door Joost Schrijnen (districtchef Stadsontwikkeling Rotterdam Oost van 1981 tot 1988), Onno de Wit (historicus en voorzitter van de Historische Vereniging Prins Alexander) en Thunnis van Oort (cultuurhistoricus en specialist in de cinemageschiedenis). Moderator en architect Chris Luth leidde een en ander in en toe, gaf korte samenvattingen na iedere presentatie en begeleidde het gesprek.

Voor aanvang van het debat voerde moderator Chris Luth een korte peiling uit onder het publiek: 80% van de bezoekers, waaronder een deel professionals, bleek bewoner van Prins Alexander te zijn.

De presentaties

Joost Schrijnen ziet het toekomstige centrum van Prins Alexander aan de Zevenhuizerplas. Hij vindt dit een veel aantrekkelijkere plek dan het Prins Alexanderplein en met Gouda en Utrecht aan de oostkant zou het prima een centrumfunctie kunnen vervullen.

Het Prins Alexanderplein als centrum ziet hij als problematisch zolang de infrastructuur daar niet verandert. Voordat hij hierover sprak vertelde hij over zijn bijdragen, als districtchef Stadsontwikkeling Rotterdam Oost, aan de ontwikkelingen van dit deel van de stad en over de droom die er ooit was daar Alexanderstad van te maken. Hij realiseerde zich dat hij niet alles op dezelfde manier overnieuw zou doen, maar “Je doet wat de tijd je geeft”. Schrijnen beschreef Prins Alexander als een “sociaal concept in beton en steen gegoten en een landschap dat is verwoest”, een versteend concept. Indertijd was er de wens om het landschap te laten en de auto’s te laten rijden. Interessant om te zien hoe het oorspronkelijke concept langzaam is veranderd.

Over de vorming van Prinsenland is hij enthousiast, daar is groen en ruimte en veel oorspronkelijk landschap. Schrijnen beschrijft hoe elke wijk zijn eigen typologie heeft en dat het centrum vooral wordt ‘bevolkt’ door kantoren. We zijn van een maakbare samenleving terecht gekomen in een dynamische, open samenleving en dat verandert iets in hoe we met onze omgeving omgaan. Bovendien is er een andere beleving van nabijheid; de mobiliteit van mensen verandert. Het idee van éen centrum (monocentrisme) verdwijnt, waardoor we verder moeten kijken dan Rotterdam: naar Gouda en Utrecht.

Mensen willen wonen en werken in een andere verhouding dan tot nu toe het geval was, dat is een van de opgaven voor de toekomst. De stad is nu vooral gemaakt voor automobilisten, maar dat moet een stad worden voor andere mobiliteitsvormen, o.a. door de metro verder te trekken (richting Gouda en Utrecht).

Onno de Wit zoomt in op de gedachte van waaruit Prins Alexander is ontstaan:

Het tuinstad-idee: ruim wonen in het groen.

De functionele stad uit de jaren ‘30: een strikte scheiding tussen wonen, werken, recreatie, verkeer & vervoer. Een scheiding die we hier, op het niveau van de Alexanderknoop, overigens uitstekend terug kunnen zien.

De wijkgedachte, het idee dat je een gebied kan ontwerpen op basis van vier niveaus: achtereenvolgens het huis, de straat, de wijk en de stad. Vooral in Het Lage Land en Ommoord is dit goed terug te zien.

Maar Prins Alexander is nog veel meer dan de doorwerking van abstracte stedenbouwkundige ideeën. Wie hier rondkijkt, ziet ook de overgang van wijken gericht op het vormen van gemeenschappen – religieuze vaak ook – naar exclusieve aandacht voor individuele woonwensen. In de Alexanderpolder zien we ook de omslag – medio jaren zestig – van hoogbouw naar laag- en gestapelde bouw. We zien we daarnaast de maatschappelijke verandering van het ideaal van de tuinstad – veel ruimte en veel groen – naar de groeikern en uiteindelijk naar de stedelijke en compacte Vinexwijk. En ten slotte zien we hier het maatschappelijke idee van de maakbaarheid, het door rationele vormgeving en technisch ingrijpen radicaal veranderen van het landschap, naar het meegaan met het landschap: het herintroduceren van water in wijken als Prinsenland en Nesselande; het rekening houden met bestaande kavels en lintbebouwing; het gebruikmaken van de natuurlijke condities in plaats van het er tegenin gaan.

Al met al kunnen we van Prins Alexander zeggen: een prachtige visuele staalkaart van 70 jaar stedenbouwkundige en maatschappelijke inzichten, met elk van de zeven wijken een eigen karakter. Waar Arnhem het Nederlands Openluchtmuseum op huisniveau heeft, heeft Rotterdam het stedenbouwkundig openluchtmuseum.

Prins Alexander ontbeert stedelijke allure en bevindt zich wat dat betreft in het rijtje van nieuwe steden zoals Spijkenisse, Almere, Lelystad en Zoetermeer. Steden die het imago hebben van betonnen doolhoven, slaapsteden die puur zijn gebouwd als overloop voor hun grotere broer, in dit geval Rotterdam. Steden die geleidelijk zijn gebouwd, zeker aanvankelijk zonder eindontwerp voor het totaal, en ook zonder duidelijk stadsconcept. Wat niet wil zeggen dat dat niet is geprobeerd. De ambitie, was ‘Alexanderstad’ zoals verwoord in de Structuurschets Rotterdam Oost 1980, uit 1957. Een nevenstad relatief los van Rotterdam op het grondgebied van zowel Rotterdam als Capelle a/d IJssel. Met een grootstedelijk en regionaal centrum met maximaal 200.000 inwoners. Probleem was dat Rotterdam vond dat deze stad – Alexanderstad – tot de Rotterdamse regio behoorde, terwijl Capelle de nieuwe stad zag als een nieuwe autonome eenheid: IJsseldam. Daar is men dus niet uitgekomen, en dat is de reden dat we dit rare centrumgebied hebben, grenzend aan Oosterflank.

We hebben dus geen stad met een eigen centrum, maar wel een polderstad, een combinatie van dorps, landelijke en stedelijk. Een sub-urbane stedelijkheid. Wat is een ‘polderstad’, en wat maakt een polderstad anders dan een historisch gegroeide stad? Wat heeft dat voor consequenties? Is het minder of anders, en moeten we nog steeds heel goed nadenken over wat dat ‘anders’ dan is? De Wit: “Het imiteren van een historische stadskern heeft geen zin, want dat hebben we al.” De Wit doet een oproep om meer te denken in termen van beleving en emotie en minder in stenen en inrichting.

Thunnis van Oort toont een door de jaren heen wisselend beeld van het aantal bioscopen in Rotterdam. In de jaren ’20 en ’30 van de twintigste eeuw kwam het cinemaleven op gang, vervolgens wordt tijdens de oorlog wordt het aantal bioscopen sterk gedecimeerd. Na de oorlog zie je het aantal bioscopen heel langzaam weer groeien. Vanaf de jaren’80 verdwijnen de bioscopen eerst in de buitengebieden, om vervolgens ook in het centrum uitgedund te worden.

Prins Alexander heeft nooit een bioscoop gehad, wel een actief verenigingsleven, waar filmvertoningen werden georganiseerd. Zaaltjes van christelijke verenigingen en zelfs kerkgebouwen dienden in de jaren ’60 nog al eens als bioscoopzaal. Opvallend vanwege de moeizame verhouding van de protestantse kerk tot film. Er was in Prins Alexander wel sprake van filmcultuur, maar niet van een commerciële filmcultuur.

Het gesprek

Het gesprek tussen de ruim vijftig aanwezige bewoners en professionals kwam al gauw goed op gang. Voorafgaand vraagt Chris Luth ‘aanleidingen’ te noemen die er zijn voor een identiteit van Prins Alexander: welke gemene delers zijn er te vinden die kunnen bijdragen aan een identiteit die beleefd kan worden?

Allereerst werd genoemd dat dit hèt moment is om bij elkaar te komen, mede in het licht van het ontstaan van de Alliantie van overheden met bewoners en ondernemers, rond de ontwikkeling van het Stationsgebied Rotterdam Alexander Met de ambitie om tot een substantiële kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte te komen. Ook de noodzaak tot voortzetting van het in 2018 ingezette Programma Oost wordt genoemd en de aandacht hiervoor bij het college (de stad).

Er wordt gezegd dat het organiseren van ontmoetingsplekken van belang is. Deze zijn er nu alleen op wijkniveau, maar er is inmiddels meer dan vroeger behoefte aan ontmoetingsplekken op ‘Alexanderniveau’; “Samen met Capelle zijn we een stad even groot als Breda of Nijmegen.” Het gaat dan wel om een stad die voor buitenstaanders onaantrekkelijk is, want waar immers worden bruiloften en koningsdagen gevierd? Opgemerkt wordt dat de voorzieningen waarover werd gesproken er allemaal al waren, maar inmiddels zijn wegbezuinigd, niet alleen op buurtniveau, maar ook op wijkniveau. Het zou allemaal wel wat ‘smeuïger’ mogen.

Er wordt gesproken over de bevolkingssamenstelling van Prins Alexander waar sprake is van vergrijzing. Veel oudere bewoners willen voor voorzieningen niet meer naar het centrum van Rotterdam, waarin ze zich niet meer herkennen. Er is meer behoefte ontstaan aan een ‘lokaal centrum’. Bovendien zijn er veel nieuwe bevolkingsgroepen die zich ook thuis moeten kunnen voelen in het gebied. Evenals jongeren tussen 12 en 18 jaar, voor wie niets te doen is in Prins Alexander. Er zou een voorziening moeten zijn die voor vele groepen toegankelijk is en waar een breed cultureel aanbod is. Zoiets als LantarenVenster bijvoorbeeld, een culturele voorziening (filmhuis en jazzpodium) die open, toegankelijk en aantrekkelijk is.

Het idee van een centrum aan de Zevenhuizerplas in Nesselande komt ter sprake, het gebied is vergelijkbaar met Almere: strand, winkels, terrassen, een samenhangend iets. Geografisch gezien is het Prins Alexanderplein het centrum, maar je zult iets moeten met een plein, het een ruimtelijke identiteit geven met intimiteit en een ontmoetingsfunctie. Om het gebied als centrum te kunnen activeren zou je kleine industrie moeten hebben, dichtbij huis.

Volgens Schrijnen heeft de plek niet de kwaliteit die het prettig maakt en krijg je dat niet voor elkaar met een bioscoop alleen. Er is meer nodig. Er moet een visie komen. En we moeten kijken naar de mogelijke regionale betekenis, als de metro zou worden doorgetrokken richting Gouda. Ook moeten er meer functies komen, zoals wonen en kleinschalige, lokale industrie.

Daar wordt tegenin gebracht dat alles al aanwezig is om het hier aantrekkelijk te laten zijn; een nieuw station bijvoorbeeld, en winkels. Er is wel meer horeca nodig, en ook ruimte om te kunnen wonen in het centrum van Prins Alexander. De oriëntatie op Rotterdam is logischer dan die op Gouda en Utrecht, we zijn onderdeel van Rotterdam tenslotte. Er zouden al allerlei voorzieningen komen, daar waren plannen voor, met de

Het gesprek wordt afgesloten wordt met de vrolijke opmerking dat de naamgever van de polder geëerd zou moeten worden met een standbeeld op het centrale plein.