De bosmuis is een zoogdier. Het is een knaagdier.
De bosmuis heeft grote ogen en oren, een puntige snuit en een staart. De bosmuis heeft een geel- tot donkerbruine rug en een witte tot grijze buik. De staart is lang en tweekleurig: donker van boven en licht van onder. Hij heeft korte voorpoten met vier tenen en lange achterpoten met vijf tenen. Hij heeft een korte snuit. Ze wegen ongeveer 30 gram. De bosmuis kan achttien maanden oud worden, maar wordt gemiddeld maar 3 maanden oud. In gevangenschap kan hij meer dan vier jaar worden.
In het voorjaar leven er minder dieren samen dan in de nazomer. Ook de hoeveelheid voedsel speelt hierbij een rol.
Na een draagtijd van ongeveer 23 tot 26 dagen, worden 3 tot 8 jongen geboren. De jongen worden blind en naakt geboren en wegen 1 of 2 gram. Later krijgen ze een grijze vacht. Enkel het vrouwtje zorgt voor de jongen.
De bosmuis heeft een gevarieerd dieet. Hij eet zowel plantaardig als dierlijk voedsel en klimt hiervoor makkelijk in bomen. De bosmuis eet voornamelijk zaden van grassen, bessen, noten, wortels, paddenstoelen... Het dierlijk voedsel bestaat vooral uit spinnen, slakken, kevers en rupsen en poppen van dag- en nachtvlinders.
Natuurlijke vijanden van de bosmuis zijn de wezel, hermelijn, das, marter, vos, kat, steenuil, bosuil, velduil, kerkuil, en torenvalk.
Een bosmuis eet zijn voedsel vaak op een eetplekje op. Vaak is dit onder struiken of bomen en soms gebruikt hij een oud vogelnest als plekje om rustig te kunnen eten.
De bosmuis graaft met zijn tanden en voorpoten een gangenstelsel onder de grond. Deze gangen hebben meestal 2 uitgangen, De gangen worden gebruikt om de dag door te brengen en jongen te werpen en leiden naar voorraadkamers waar het voedsel wordt opgeslagen. Het nest zelf wordt gemaakt van bladeren, mossen en grassen en ligt ondergronds of bovengronds. Soms wordt hiervoor een nestkast, vogelnest of boomholte gebruikt.