Deze site is nog in ontwikkeling. Kom later eens terug. Kijk ondertussen op mijn facebookpagina: www.facebook.com/europeesportugees
Ser gebruik je wanneer het 'permanent' is. Ik zou dit nuanceren tot 'iets wat niet snel verandert'. Zoals:
eigennaam, burgerlijke stand, nationaliteit, beroep, geografie, tijdsduur, bezit, herkomst, grondstof en adjectieven. (niet veranderlijk karakter)
Voorbeelden
nome (eigennamen)
- Eu sou a Joana.
(Ik ben Joana.)
estado civil (burgerlijke staat)
- Sou casada.
(Ik ben getrouwd.)
nacionalidades (nationalieteiten)
- Ela é portuguesa.
(Zij is Portugese.)
profissões (beroepen)
- O meu irmão é engenheiro.
(Mijn broer is ingenieur.)
situação geografica (geografische situatie)
- Maputo é em Moçambique. É a capital de Moçambique.
(Maputo ligt (is) in Mozambique. Het is de hoofdstad van Mozambique.)
tempo cronológico (tijdsmetingen)
- Que horas são? É uma hora.
(Hoe laat is het? Het is één uur.)
Ser + de + nome
(zijn + de + zelfstandig naamwoord)
posse (eigendom, bezit)
- O dicionário é do professor.
(Het woordenboek is van de leraar.)
origem (herkomst)
- Este vinho é de Portugal.
(Deze wijn komt (is) van Portugal.)
matéria (materiaal, grondstof)
- Este mesa é de vidro.
(Deze tafel is van glas.)
adjetivo (bijvoeglijk naamwoord met een niet (snel) veranderlijk karakter)
* Een algemeen kenmerk van het subject dat niet ervaren moet worden om dat kenmerk te bevestigen of te ontkennen. -> Het is een feit, het is zo!
- A água do mar é salgada.
(Zeewater is zout.)
- O limão é azedo.
(Citroen is zuur.)
* Een eigenschap die niet het resultaat is van een actie. -> Het is zo!
- O Pedro é muito inteligente.
(Pedro is heel slim.)
- O vestido é novo.
(De jurk is nieuw.)
- Ela é loura.
(Ze is blond.)
Estar gebruik je wanneer het 'tijdelijk', veranderlijk is. Zoals:
plaatsbepaling, adjectieven met veranderlijk karakter, begroetingen, het weer
Voorbeelden
Estar + em + local (zijn + in + lokatie en met een verplaatsbaar onderwerp)
- Os meus amigos estão no estangeiro.
(Mijn vrienden zijn in het buitenland.)
- O Ricardo não está em Lisboa. Está de férias no Algarve.
(Ricardo is niet in Lissabon. Hij is op vakantie in de Algarve.)
- O livro está em cima da mesa.
(Het boek ligt (is) op de tafel.)
cumprimentar (begroeten)
- Como está? Estou bem, obrigado.
(Hoe gaat het? Het gaat goed, bedankt.)
tempo (het weer)
- Está muito calor lá fora.
(Het is erg warm buiten.)
- Hoje está muito frio.
(Het is vandaag erg koud.)
advérbio de lugar (plaatsbepaling)
- O dicionário está ali.
(Het woordenboek ligt (is) daar.)
Estar + com + nome (zijn + met + zelfstandig naamwoord)
- Estou com sede, mas não estou com fome.
(Ik heb dorst, maar geen honger.)
- Eles estão com sono.
(Zij zijn slaperig.)
adjetivo (característica temporária) (adjectieven met tijdelijk karakter)
* Een eigenschap van het subject die ervaren moet worden om die eigenschap te bevestigen of te ontkennen. -> Het kan anders zijn, eerst testen!
- A sopa está quente.
(De soep is warm.)
- Este bolo não está muito bom.
(Deze taart is niet zo lekker.)
- Hoje estou cansado.
(Ik ben vandaag moe.)
- Eles estão sentados à mesa.
(Ze zitten (zijn gezeten) aan tafel.)
- A janela está aberta.
(Het raam staat (is) open.)
- A sopa está salgada.
(De soep is te zout.)
- O leite não está bom, está azedo.
(De melk is niet goed, hij is zuur.)
* Een eigenschap die het resultaat is van een actie. -> Het is veranderd!
- O vestido está roto. (porque alguém o rompeu)
(De jurk is gescheurd. (omdat iemand hem heeft gesceurd))
- Hoje estou cansado. (porque trabalhei muito)
(Ik ben vandaag moe. (omdat ik hard heb gewerkt))
Kijk bij deze oefeningen eens goed waarom er ser of estar gebruikt wordt.