Deze site is nog in ontwikkeling. Kom later eens terug. Kijk ondertussen op mijn facebookpagina: www.facebook.com/europeesportugees
Wanneer gebruik je 'um' (m) en wanneer 'uma' (v)?
Wanneer is een woord mannelijk (um) of vrouwelijk (uma)?
Algemene regel is dat bijna altijd
-a
uma menina (een meisje)
- MAAR het is um dia (dag), um chá (thee), um cinema (bioscoop), um koala, um sofá, um mapa (kaart), um cima (top, bovenkant) en woorden eindigend op -ema zijn mannelijk.
-ção
uma situação (een situatie)
-agem
uma mensagem (een bericht)
-o
um menino (een jongen)
-ema
um problema, um telefonema, um telegrama
kunnen vrouwelijk of mannelijk zijn.
(een man) um homem
(een vrouw) uma mulher
In het Portugees moet het lidwoord overeen komen met het woord waar het betrekking op heeft (mannelijk, vrouwelijk, enkelvoud of meervoud).
Het bepaald lidwoord wordt gebruikt met: eigennamen, seizoenen, feestdagen, continenten, landen, sommige plaatsnamen en bij bezittelijke voornaamwoorden.
Voorbeelden
Eigennamen
- A Carolina e o Diogo são amigos.
(Carolina en Diogo zijn vrienden.)
- A Maria chegou.
(Maria is aangekomen.)
Seizoenen
- O verão é a estação mais quente do ano.
(De zomer is het warmste seizoen van het jaar.)
Feestdagen
- Eles passam o Natal e a Páscoa com a família.
(Ze vieren Kerstmis en Pasen met het gezin.)
Continenten
- Portugal é o país mais ocidental da Europa.
(Portugal is het meest westelijke land van Europa.)
Landen
- O Brasil, os Estados Unidos, a Guiné-Bissau, a Suíça...
LET OP: Enkele (waaronder Portugese) landen krijgen geen lidwoord.
- Portugal, Angola, Moçambique, Cabo Verde, São Tomé e Principe, Marrocos, Israel ...
- Portugal fica na Europa.
(Portugal ligt in Europa.)
Sommige plaatsnamen krijgen een lidwoord, omdat ze van een gewoon zelfstandig naamwoord komen. (De meeste plaatsnamen krijgen geen lidwoord!)
o Rio de Janeiro (rio = rivier)
o Porto (porto = haven)
o Funchal (funchal = plaats waar veel venkel groeit)
a Guarda (guarda = wacht)
a Figueira da Foz (figueira = vijgenboom)
a Bahia (bahia = baai)
Bezittingen: waar het Nederlands 'mijn, jouw, zijn,...' zegt, gebruikt het Portugees vaak het lidwoord als al duidelijk is van wie het is.
- Este é o meu livro, o teu está ali.
(Dit is mijn boek, dat van jouw ligt daar.)
- Lavei as mãos.
(Ik heb mijn handen gewassen.)
- Ele tirou o casaco.
(Hij deed zijn jas uit.)
Het bepaald lidwoord wordt niet gebruikt voor maanden, datums, aanroepingen, plaatsnamen en sommige landen.
Voorbeelden
maanden
- Estamos em janeiro.
(Het is januari.)
data
- É dia 1 de janeiro.
(Het is 1 januari.)
roepwoorden
- Olá, Pedro!
(Hallo, Pedro!)
Enkele landen (met Portugese connecties en enkele uitzonderingen)
- Portugal, Angola, Moçambique, Cabo Verde, São Tomé e Principe, Marrocos, Israel ...
- Portugal fica na Europa.
(Portugal ligt in Europa.)
plaatsnamen
- Lisboa, Paris, Londres, Madrid, Maputo, Luanda, macau, Nova Iorque ...
LET OP: Sommige plaatsnamen krijgen wel een lidwoord, omdat ze van een gewoon zelfstandig naamwoord komen. (zie punt 2.1.)
Vaste uitdrukkingen en 'thuis'
- Estou em casa.
(Ik ben thuis.)
- Vou a pé.
(Ik ga te voet.)
- Voltou para casa.
(Hij/Zij ging naar huis.)
Algemene, onbepaalde zaken: Als je iets in het algemeen bedoelt (niet specifiek), kan het lidwoord weggelaten worden.
- Tens namorada?
(Heb je een vriendin?)
-> Vraagt niet naar een specifiek persoon, maar of e 'een vriendin hebt' in het algemeen.
- Vi turistas em Lisboa.
(Ik zag toeristen in Lissabon.)
-> onbepaald, geen specifieke groep.
Vaste uitdrukkingen met 'ter' (hebben) bij ziektes
- Ela tem sarampo.
(Zij heeft mazelen.)
bij specifieke, afgebakende groepen (uns / umas):
Het onbepaald lidwoord in het meervoud gebruik je als je een specifieke, maar onbepaalde groep bedoelt.
- Vi uns turistas em Lisboa.
(Ik zag een paar (specifieke) toeristen in Lissabon.)
- Comprei umas flores.
(Ik kocht een paar bloemen.)
bij 'ongeveer' (bij getallen)
- Devem ser umas vinte pessoas.
(Het zullen ongeveer twintig mensen zijn.)
beroepen en functies na 'ser' (zijn)
- Sou médico.
(Ik ben arts.)
- Ela é professora.
(Zij is lerares.)
LET OP: Voeg je een beschrijving of beoordeling toe? Dan komt het lidwoord er wel! In het Nederlands is het trouwens ook zo.
- Ela é uma excelente médica.
(Zij is een uitstekende arts.)
Complete com os artigos definidos. (Vul aan met de bepaalde lidwoorden)
1. _____ lápis
2. _____ canetas
3. _____ borracha
4. _____ livros
5. _____ pasta
6. _____ cadeiras
7. _____ mesa
8. _____ quadro
9. _____ janelas
10. _____ porta
11. _____ homem
12. _____ mulher
13. _____ o senhor
14. _____ a senhora
15. _____ o rapaz
16. _____ rapariga
17. _____ menino
18. _____ menina
19. _____ o amigo
20. _____ a amiga
21. _____ o pai
22. _____ a mãe
23. _____ filho
24. _____ a filha
25. _____ o irmão
26. _____ a irmã
27. _____ tio
28. _____ tia
29. _____ avô
30. _____ avó
31. _____ calças
32. _____ casaco
33. _____ saia
34. _____ vestido
35. _____ camisa
36. _____ sapatos
37. _____ blusa
38. _____ lenço
39. _____ gravata
40. _____ cinto
Antwoorden
1. o lápis (het potlood)
2. as canetas (de pennen)
3. a borracha (de gom)
4. os livros (de boeken)
5. a pasta (de map)
6. as cadeiras (de stoelen)
7. a mesa (de tafel)
8. o quadro (het bord)
9. as janelas (de ramen)
10. a porta (de deur)
11. o homem (de man)
12. a mulher (de vrouw)
13. o senhor (de heer)
14. a senhora (de dame)
15. o rapaz (de jongen)
16. a rapariga (het meisje)
17. o menino (de jongen)
18. a menina (het meisje)
19. o amigo (de vriend)
20. a amiga (de vriendin)
21. o pai (de vader)
22. a mãe (de moeder)
23. o filho (de zoon)
24. a filha (de dochter)
25. o irmão (de broer)
26. a irmã (de zus)
27. o tio (de oom)
28. a tia (de tante)
29. o avô (de grootvader)
30. a avó (de grootmoeder)
31. as calças (de broek)
32. o casaco (de jas)
33. a saia (de rok)
34. o vestido (de jurk)
35. a camisa (het shirt)
36. os sapatos (de schoenen)
37. a blusa (de blouse)
38. o lenço (de sjaal)
39. a gravata (de stropdas)
40. o cinto (de riem)
Complete com os artigos indefinidos. (Vul aan met de onbepaalde lidwoorden.)
1. _____ árvore
2. _____ rua
3. _____ carro
4. _____ casa
5. _____ apartamento
6. _____ vivenda
7. _____ país
8. _____ cidade
9. _____ vila
10. _____ viagem
11. _____ passeio
12. _____ férias
Antwoorden
1. uma árvore (een boom)
2. uma rua (een straat)
3. um carro (een auto)
4. uma casa (een huis)
5. um apartamento (een appartement)
6. uma vivenda (een villa)
7. um país (een land)
8. uma cidade (een stad)
9. uma vila (een dorp)
10. uma viagem (een reis)
11. um passeio (een wandeling)
12. umas férias (een vakantie)
3. Complete com os artigos definidos ou indefinidos.
1. Lisboa é _____ cidade bonita.
2. Nunca visitei _____ Ásia.
3. Tenho _____ avó com 90 anos.
4. _____ primavera é a estação das flores.
5. Onde é que vais passar _____ Carnaval?
6. Poderia dar-me _____ informação, por favor?
7. Eles foram de férias para _____ Brasil.
8. _____ Luís e _____ Mara são amigos.
9. Mandei _____ mensagem ao Pedro, mas ele ainda não me respondeu.
10. Portugal é _____ país da União Europeia.
11. Comprei _____ calças e _____ sapatos nos saldos.
12. _____ férias grandes estão a chegar.
13. Hoje vamos a _____ restaurante indiano.
14. Eles têm dois filhos: _____ rapaz e _____ rapariga.
15. _____ rapaz chama-se Miguel e _____ rapariga chama-se Margarida.
16. Queria _____ café, por favor.
1. Lisboa é uma cidade bonita.
(Lissabon is een mooie stad.)
2. Nunca visitei a Ásia.
(Ik heb Azië nog nooit bezocht.)
3. Tenho uma avó com 90 anos.
(Ik heb een grootmoeder van 90 jaar.)
4. A primavera é a estação das flores.
(De lente is het seizoen van de bloemen.)
5. Onde é que vais passar o Carnaval?
(Waar ga je carnaval vieren?)
6. Poderia dar-me uma informação, por favor?
(Zou u mij alstublieft wat informatie kunnen geven?)
7. Eles foram de férias para o Brasil.
(Ze zijn op vakantie naar Brazilië geweest.)
8. O Luís e a Mara são amigos.
(Luís en Mara zijn vrienden.)
9. Mandei uma mensagem ao Pedro, mas ele ainda não me respondeu.
(Ik heb Pedro een bericht gestuurd, maar hij heeft me nog niet geantwoord.)
10. Portugal é um país da União Europeia.
(Portugal is een land van de Europese Unie.)
11. Comprei umas calças e uns sapatos nos saldos.
(Ik heb een broek en een paar schoenen in de uitverkoop gekocht.)
12. As férias grandes estão a chegar.
(De grote vakantie komt eraan.)
13. Hoje vamos a um restaurante indiano.
(Vandaag gaan we naar een Indiaas restaurant.)
14. Eles têm dois filhos: um rapaz e uma rapariga.
(Ze hebben twee kinderen: een jongen en een meisje.)
15. O rapaz chama-se Miguel e a rapariga chama-se Margarida.
(De jongen heet Miguel en het meisje heet Margarida.)
16. Queria um café, por favor.
(Ik zou graag een kop koffie willen, alstublieft.)