Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er veel onduidelijkheid bestaat over de opvoedomgeving van [naam kind] . De Raad heeft in het onderzoek naar de ondertoezichtstelling geen contact met [naam kind] gehad omdat hier niet op in is gegaan. Met [naam kind] gaat het goed, op school gaat het goed, ze heeft vriendinnen en ze ziet de vader soms, zo heeft [naam kind] aan de kinderrechter verteld. De school heeft dit ook in het raadsonderzoek bevestigd. Wel is duidelijk dat tussen de ouders al jarenlang sprake is van een strijd, zij nauwelijks openheid van zaken geven en ook [naam kind] lijkt zeer gesloten. De omgangsregeling tussen de [naam kind] en de vader verloopt moeizaam. De kinderrechter is echter van oordeel dat alleen de problematiek rondom de omgangsregeling tussen [naam kind] en de vader en de gebrekkige communicatie tussen ouders niet voldoende is, wil aan de gronden voor de ondertoezichtstelling, zoals genoemd in artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, zijn voldaan. Daarvoor is noodzakelijk dat voldoende blijkt dat [naam kind] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Uit de beschikbare informatie is een dergelijke ontwikkelingsbedreiging echter niet af te leiden. Het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [naam kind] zal dan ook worden afgewezen.
Het hof stelt voorop dat het in beginsel in het belang van [de minderjarige] is dat zij contact heeft met beide ouders. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is echter duidelijk geworden dat de vader niet bij machte is gebleken om zich aan de afspraken te houden en de raad en de moeder op de hoogte te brengen en te houden van wat er speelt. Als gevolg hiervan hebben er slechts twee proefcontacten plaatsgevonden in plaats van de door het hof opgelegde drie proefcontacten. Hoewel het ontbreken van contact met de vader schadelijk is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] is het hof van oordeel dat het onbetrouwbaar zijn in het contact met [de minderjarige] schadelijker is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] kan dan immers niet op haar vader vertrouwen en kan gaan denken dat ze niet belangrijk voor hem is.
Als het gaat om de maatregel van de ondertoezichtstelling, kan niet worden gezegd dat de vader rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen. Immers, zelfs als hij de kinderen had erkend, kan hij op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 12 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2665) niet worden beschouwd als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv. De rechten en verplichtingen van een ouder zonder gezag worden namelijk door de rechterlijke beslissing houdende ondertoezichtstelling niet rechtstreeks geraakt, nu die ouder vóór de ondertoezichtstelling niet het ouderlijk gezag uitoefende, en de ondertoezichtstelling niet in de weg staat aan effectuering van diens recht op gezinsleven met het kind (artikel 8 EVRM), bijvoorbeeld door omgang van die ouder met het kind. De Hoge Raad heeft dit bij uitspraak van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:488) nogmaals bevestigd in rechtsoverweging 3.6.5.
Naar het oordeel van het hof ligt dit anders als het gaat om de positie van de vader in de procedure met betrekking tot de machtiging uithuisplaatsing. In bovengenoemde uitspraak van de Hoge Raad van 30 maart 2018 wordt duidelijk gemaakt dat alleen pleegouders op grond van artikel 798, tweede lid, Rv, als belanghebbenden worden aangemerkt. Ten aanzien van anderen dient op grond van het eerste lid beoordeeld te worden of het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt. Tot deze rechten of verplichtingen behoren de rechten die worden beschermd door internationale verdragen, zoals het EVRM en het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, voor zover daarop door een burger in rechte rechtstreeks een beroep kan worden gedaan.
Een persoon die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, zoals voorzien in artikel 8 lid 1 EVRM, kan er tevens aanspraak op maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven. Die aanspraak ziet mede op de gerechtelijke procedure waardoor de in artikel 8 EVRM vereiste mate waarin en wijze waarop een belanghebbende wordt betrokken, afhankelijk is van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen. De rechter dient de vraag of een betrokkene belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 eerste volzin, Rv, derhalve te beantwoorden met inachtneming van deze uit artikel 8 EVRM voortvloeiende eisen.
De vader heeft naar voren gebracht dat zijn feitelijke zorgtaken door de machtiging uithuisplaatsing zijn ingeperkt. Het hof volgt hem daarin. Uit de onderbouwing door de raad van het verzoek tot uithuisplaatsing blijkt dat de situatie bij beide ouders als onvoldoende veilig wordt ingeschat en hulpverlening onvoldoende zicht heeft op het vermogen en de leerbaarheid van beide ouders om een veilige opvoedsituatie te bieden. De kinderen hebben na de uithuisplaatsing hun vader beperkt gezien en zoals [kind A] heeft aangegeven, steeds met iemand erbij. Uit nadere informatie van de raad blijkt dat het contact plaatsvindt eenmaal per twee weken onder begeleiding. Het hof merkt deze situatie aan als een rechtstreekse, ingrijpende inbreuk op het gezinsleven tussen de vader en de kinderen, gelet op de substantiële feitelijke zorgtaken die de vader voorheen uitvoerde.
Het hof is gelet op het voren overwogene van oordeel dat de vader kan worden aangemerkt als belanghebbende in de kwestie van de uithuisplaatsing, nu deze de effectuering van zijn recht op gezinsleven met de kinderen op grond van artikel 8 EVRM raakt.
Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2321) volgt dat de GI niet langer aan de algemene aanwijzingsbevoegdheid van artikel 1:263 Burgerlijk Wetboek (BW) de bevoegdheid kan ontlenen tot het geven van contact beperkende aanwijzingen. Buiten het geval van uithuisplaatsing, waarvoor art. 1:265f BW een bijzondere regeling bevat, dient de GI zich dus steeds op de voet van art. 1:265g BW tot de kinderrechter te wenden wanneer zij voor de duur van de ondertoezichtstelling contact beperkende maatregelen in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht. De GI was dus niet bevoegd een contact beperkende aanwijzing te geven aan de vrouw. De rechtbank verklaart de aanwijzing alleen al om die reden geheel vervallen.
Er is sprake van ouderverstoting van de moeder als deze niet bereid is of in staat is om de minderjarige te stimuleren in het contact met de vader. Dit is een vorm van psychische kindermishandeling.
Een uithuisplaatsing op een neutrale plek is nodig om dit te beëindigen. Alhoewel een uithuisplaatsing ingrijpend is, is dit op de lange termijn beter voor de minderjarige.
Sms’jes en WhatsApp-berichten op zowel zakelijke als op privételefoons van bestuurders en ambtenaren vallen onder de Wob, als deze in het kader van het werk zijn verstuurd. Dat volgt uit een zaak tussen een branchevereniging voor zorgaanbieders en het ministerie van VWS. De uitspraak heeft als gevolg dat zakelijke sms’jes en WhatsApp-berichten op die telefoons kunnen worden opgevraagd door bijvoorbeeld journalisten.