De menschen die in Westeel woonden waren zeer hoovaardig. Ze leefden er maar op los en deden of er geen eeuwigheid bestond. Ze hielden het met wijntje en Trijntje maar de kerk wisten ze niet te vinden. Ze lachten wat om goed en kwaad en deden net wat hun hartje begeerde. En dat was niet veel bijzonders. Maar er kwam een eind aan. De zee was daar om hen een toontje lager te doen zingen... Lees verder
De Hooge weg bestaat niet meer. O nee, al sedert lang niet. Of met bestaan, dat is het juiste woord niet. Er is nog altijd een zandbank, in de mond van de Wezer, die zoo heet. Er is dus een zandplaat maar vroeger was die Hooge weg vruchtbaar bloeiend land. Het koren wuifde er zijn volle gele aren in de wind en de papavers bloeiden er in hun paarse kleuren. De boeren en boerinnen bolderden er in hun rijk met goud en zilver beslagen karren over de dijken en als je goed luisterde kon je de gouden rijders in hun zakken hooren klink-klanken. De boerinnen stonden van onder tot boven stijf van goud en ze waren te trotsch om een gewoon mensch goeden dag te zeggen. Ja, de bevolking van de Hooge weg gedroeg zich dan al heel hoovaardig. Zoo b.v. bij het mestrijden. Je zou zoo zeggen een gewoon werkpaard is toch goed genoeg
om de mest over het land te sleepen. Ja morgen brengen. De boeren van de Hooge weg dachten daar anders over. Lees verder
Eens kwam er een meermin de Wezer opgezwommen. Blijkbaar was ze de koers kwijt. Wellicht ook heeft ze zoo gauw niet gezien dat ze in een riviermond zwom in plaats van in volle zee. In ieder geval is het haar slecht bekomen want nauwelijks had ze de zee verlaten en zwom ze de riviermond binnen, of, kip, ik heb je en werd ze gevangen. Door die uit t kerspel de Waddens. Ze jammerde verschrikkelijk, die zeevrouw. Men zou haar los laten. Men zou haar terug in het water werpen maar ja, die uit 't kerspel Waddens waren doof voor haar woorden. Ze deden
net of ze niets hoorden en sleurden de arme zeevrouw mee het Oldenburgsche land in. Maar van hun kant zijn daarop die van Oldenburg van een kouwe kermis thuis gekomen. De zeevrouw waarschuwde, sleur me niet verder mee, er komen ongelukken van. Ze dreigde niet dadelijk hoor, o nee, ze had genoeg gesmeekt, maar toen ze zag dat het niet hielp begon ze te dreigen. Sleep me niet verder mee, sprak ze en haar oogen vlamden, denk om de gevolgen. Lees verder
Ook de Jade heeft zijn meermenschen gehad. Eens is het gebeurd dat de visschers daar in de contreie een zeewijf hadden gevangen. En toen ze 't eenmaal hadden hebben ze niet anders gedaan dan 't arme zeewiefke getergd en getreiterd. Aan het gesar kwam gewoonweg geen end.
De menschen wilden n.1. van haar weten hoe ze kiespijn konden genezen en dauwwurm en fijt en rheumatiek en al die kwalen en
ongemakken meer. Nu heeft dat zeewiefke misschien wel het een of ander van geneeskrachtige kruiden afgeweten maar ze liet niets los. Nee,
als ze je ook zoo plagen. Ze zal gedacht hebben, zoek jullie zelf maar. Hoe dat dan ook is, op al het gevraag van de visschers
antwoordde ze tenslotte met dit liedje: Lees verder
De zielen van de afgestorvenen gaan naar het Witte eiland. Dat is algemeen bekend in Oost-Friesland. Wie brengt ze er heen? Wie wordt met die taak belast? Niemand weet dat van tevoren maar eens in het jaar komt de lastgever en zoekt een schipper uit om de zielen te verschepen. Hoe de lastgever er uitziet? Wie zal dat precies zeggen. Zoo op het eerste gezicht lijkt hij op een koopman uit Emden. Op zoo'n gedegen ouderwetsche koopman maar wanneer je nauwkeuriger toeziet.... Ach nee, de schipper die bezoek krijgt van den lastgever kijkt
niet hoe hij er uit ziet. De lastgever heeft iets aan zich dat niet van deze wereld is, dat voelt de schipper. Hij ziet een koopman, zeker, maar er is meer en dat is niet uit te spreken. Een huivering overvalt de schipper. Hij voelt dat hij tegenover de geheime dingen staat. De schipper zegt: „schik bij". Er is eten genoeg voor een gast, maar hij weet wel dat de lastgever niet eens antwoord geeft op zijn uitnoodiging. Hij gaat met hem mee naar buiten, naar de haven, en luistert naar wat hem opgedragen wordt. Hij onderhandelt met hem over de vracht, zakelijk, zooals hij zou doen met een echte koopman, maar de geheime dingen voelt hij om hem heen dreigen...Lees verder
Weet u waar hij rijdt, de Robuluswagen? Eenmaal in 't jaar, 's nachts om twaalf uur, op oudejaarsavond, boldert hij door de dorpen in de
contreie van Norden. Ja, dan gaat het er maar raar door in die buurt. Wanneer de oud-Friesche koning zijn wagen bestijgt en door
het land langs de Eems rijdt, vliegen er de schuurdeuren zoo maar vanzelf open en dicht. Maar het is niet alleen op oudejaarsavond dat hij door het land komt gestormd. Ook in stormruwe nachten als de orkaan loeit en de zee dreunt, als het voor een Christenmensch geen weer is
om de deur uit te gaan jaagt hij op zijn geweldig ros door de Oost-Friesche landen aan de overkant van de Eems. Voor niets blijft bij staan, die ouwe dappere koning. Over heg en steg gaat het, over huis en hof en zelfs de zee houdt hem niet tegen. Hij stuift de kusten langs en wanneer hij aan de Knok gekomen is zet hij zijn paard aan, verheft zich in de zadel, geeft het fiere beest de sporen en springt met een geweldige sprong dwars over de witschuimende breede stroom. Lees verder
Het moet ergens onder de Oost-Friesche kust gebeurd zijn. Met een schipper die vrij metselaar was. Die schipper voer dan met zijn bark op de Noordzee. Niemand zou iets aan dien kapitein gezien hebben. Je zou zoo gezegd hebben een schipper zooals er zoovelen zijn. Een beetje
o-beenen, een ringbaard die zijn kin vrij liet, heldere blauwe oogen en blonde haren. Ruige handen en een tikje ruw in zijn mond.
Nee, er was niets vreemds aan hem te zien en toch.... en toch.... er was wat met hem. Hij had zijn ziel aan den duivel verkocht, dat was de zaak. Krachtens zijn vrijmetselaar zijn bezat hij zijn eigen ziel niet meer. De duivel had er recht op. Joost had er goed voor betaald en deed dat nog steeds. Hij voorkwam de wenschen van den schipper. Hij hielp hem door elk noodweer heen en hij bezorgde hem voordeelige vrachten. Elke reis bracht goed gewin maar.... Op een goeie dag, wat zwom daar in zee? Wat krabbelde daar tegen de golven in? Was dat een hond? Hoe kwam er een hond in volle zee? Wat kon dat beteekenen? Wat dat beduidde? Denk aan de ziel van den schipper. De ziel die het eigendom
is van den duivel en die Joost misschien komt halen. Zie hoe de hond zwemt. Het is een poedel. Hij nadert de bark. Wat wil die poedel?
Wat hij wil? Lees verder
Voor eeuwen is er een berucht zeeroover geweest die op de Noordzee rondzwalkte en vooral de kusten van Oost-Friesland onveilig maakte.
Claes Stortebeker was zijn naam. Hoe hij aan die naam kwam? Ja, hoe komt de duvel aan een ziel. Men zegt dat zijn naam komt van zijn drinkbeker. Hij had n.1. een beker laten maken zoo groot als morgen de heele dag. Er was niemand die bij machte was hem in een teug leeg te halen, behalve Claes dan. Of niemand, dat is niet geheel juist. Er schijnt in die dagen een Groninger jonker bestaan te hebben die het ook kon. En die jonker was daar zoo trotsch op dat hij op die beker, die hij van Claes cadeau gekregen had, het volgende versje graveeren liet: Lees verder