Moderne vertalingen

De gedichten zijn alfabetisch gerangschikt volgens de Engelse titel.
Van elk gedicht kunnen verschillende vertalingen gemaakt worden.
Voor inzendingen: mail uw tekst naar juulzgrand@gmail.com.
Op alle teksten berust copyright, alle rechten voorbehouden.



Inhoud

  1. 1 THE APPARITION - Vertaling door Julien Grandgagnage
  2. 2 THE BROKEN HEART - Vertaling door Willem van der Vegt
  3. 3 THE CANONIZATION - Vertaling door C.W. Schoneveld
  4. 4 ELEGY XVI: ON HIS MISTRESS - Vertaling door Willem van der Vegt
  5. 5 A HYMN TO GOD THE FATHER - Vertaling door Arie van der Krogt
  6. 6 THE FLEA - Vertaling door Julien Grandgagnage
  7. 7 THE FLEA - Vertaling door Wim Tigges
  8. 8 THE GOOD-MORROW - Vertaling door Julien Grandgagnage
  9. 9 HOLY SONNET I  - Vertaling door Frank Despriet
  10. 10 HOLY SONNET I -  Vertaling door Arie van der Krogt
  11. 11 HOLY SONNET II - Vertaling door Frank Despriet
  12. 12 HOLY SONNET II - Vertaling door Arie van der Krogt
  13. 13 HOLY SONNET III - Vertaling door Frank Despriet
  14. 14 HOLY SONNET III - Vertaling door Arie van der Krogt
  15. 15 HOLY SONNET IV - Vertaling door Frank Despriet
  16. 16 HOLY SONNET IV - Vertaling door Arie van der Krogt
  17. 17 HOLY SONNET V - Vertaling door Frank Despriet
  18. 18 HOLY SONNET VI - Vertaling door Frank Despriet
  19. 19 HOLY SONNET VII - Vertaling door Frank Despriet
  20. 20 HOLY SONNET VII - Vertaling door Arie van der Krogt
  21. 21 HOLY SONNET VIII - Vertaling door Frank Despriet
  22. 22 HOLY SONNET IX - Vertaling door Frank Despriet
  23. 23 HOLY SONNET X - Vertaling door Julien Grandgagnage
  24. 24 HOLY SONNET X - Vertaling door Frank Despriet
  25. 25 HOLY SONNET X - Vertaling door C. W. Schoneveld
  26. 26 HOLY SONNET X - Vertaling door Willem van der Vegt
  27. 27 HOLY SONNET XI - Vertaling door Frank Despriet
  28. 28 HOLY SONNET XII - Vertaling door Frank Despriet
  29. 29 HOLY SONNET XIII - Vertaling door Frank Despriet
  30. 30 HOLY SONNET XIV - Vertaling door Frank Despriet
  31. 31 HOLY SONNET XIV - Vertaling door C. W. Schoneveld
  32. 32 HOLY SONNET XV - Vertaling door Frank Despriet
  33. 33 HOLY SONNET XVI - Vertaling door Frank Despriet
  34. 34 HOLY SONNET XVII - Vertaling door Frank Despriet
  35. 35 HOLY SONNET XVIII - Vertaling door Frank Despriet
  36. 36 HOLY SONNET XIX - Vertaling door Frank Despriet
  37. 37 LOVERS' INFINITENESS - Vertaling door Guido Vanhercke
  38. 38 LOVERS' INFINITENESS - Vertaling door Arie van der Krogt
  39. 39 LOVERS' INFINITENESS - Vertaling door Willem van der Vegt
  40. 40 SATIRE III  - Vertaling door C. W. Schoneveld
  41. 41 SONG: Go and catch a falling star - Vertaling door Guido Vanhercke
  42. 42 SONG: Go and catch a falling star - Vertaling door Arie van der Krogt
  43. 43 SONG: Sweetest love, I do not go - Vertaling door Guido Vanhercke
  44. 44 SONNET: THE TOKEN -  Vertaling door Willem van der Vegt
  45. 45 THE SUN RISING - Vertaling door Arie van der Krogt
  46. 46 THE TRIPLE FOOL - Vertaling door Guido Vanhercke
  47. 47 A VALEDICTION FORBIDDING MOURNING - Vertaling door Willem van der Vegt
  48. 48 WOMEN'S CONSTANCY  - Vertaling door Guido Vanhercke


THE APPARITION - Vertaling door Julien Grandgagnage

(When by thy scorn, O murd'ress, I am dead)


De Verschijning 

Mijn lief, mijn moordenaar, als door je spot
je mij de dood hebt ingejaagd, rust niet,
Zelfs dan ben je van mij nog niet verlost,
Want ik kom terug om aan je bed te spoken,
En zie jou, valse maagd, in andere armen
Slechter dan de mijne; je kaarsvlam beeft,
Maar hij blijft stil als je hem duwt en knijpt,
Hij denkt dat je hem roept om meer 
Maar is te moe en wil van jou niets weten,
Hij doet alsof hij slaapt en draait zich om,
En dan, mijn espenwit verwaarloosd wicht,
Lig jij in koud kwikzilveren zweet gebaad,
Nog meer een spook dan ik.
Wat ik zal zeggen dan, vertel ik niet,
Ik wil je niet behoeden voor je angst;
Mijn liefde is opgebruikt; en ik verkies
dat je berouw in pijnen ondergaat.


Zie bespreking van het gedicht hier
Voor de vertaling van Huygens, klik hier



THE BROKEN HEART - Vertaling door Willem van der Vegt

(He is stark mad, whoever says,)


Het gebroken hart


Flink gek is hij, die zegt dat hij
verliefd geweest is voor een uur.
Liefde gaat niet zo snel voorbij,
verslindt meer ruimte in slechts korte duur.
Wie luistert naar me, mocht ik zweren
dat pest m’ een jaar lang bleef verteren. 
Wie zou me niet gaan honen met een lach
als ‘k zei, dat ‘k kruit zag branden, heel de dag.

Wat een futiliteit, ons hart,
zou het liefde in handen vallen.
Ander verdriet laat ook een part
voor andere zorgen, vraagt zelf niet om alles.
Zij komen, terwijl liefde trekt,
zonder te kauwen ons op slikt.
Een hele rij valt, als hij ‘n salvo doet.
Hij is de snoek, ons hart het jong gebroed.

Was dit niet zo, zeg me, wat deed
‘t mijn hart, toen ik jou zag, voor ’t eerst?
Ik nam het mee naar binnen mee,
maar toen ik buiten kwam was ’t er niet meer.
Was mijn hart toen naar jou gegaan,
dan had het jou geleerd meer aan-
gedaan te zijn met mij; maar Liefde was
in één klap klaar, versplinterde ’t als glas.

Maar niets vervalt tot niets, er zal
geen plaats volledig leeg bestaan.
Daarom denk ik, heeft mijn borst al
die stukken in zich, maar apart voortaan.
Zo zie je in gebroken glazen
slechts honderd mindere gelaten.
Mijn flard hart wenst nog, wil nog en waardeert,
kent na zo’n liefde nooit een liefde weer.





THE CANONIZATION - Vertaling door C.W. Schoneveld

(For God's sake hold your tongue, and let me love,)


De heiliging


Bij God, stil jij! en duld dat ìk bemin,
Of sar mijn jicht, mijn kale kruin,
Mijn beverig lijf, of mijn verkwist fortuin,
Richt maar met geld en kunst je leven in,
Streef naar succes, verhoog je staat, 
Dien een Baron of een Prelaat;
Of ’s Konings eigen, of gemunt gelaat
Mag jij vereren; doe je zin,
Maar duld dat ìk bemin.

Ach, waar is wie er pijn lijdt door mijn min?
Waar ’n bark die door mijn zuchten zonk?
Waar ’t land dat door mijn tranenvloed verdronk?
Trad door mijn kou ooit laat de lente in?
Wat mij aan bloed door koorts nog rest 
Bezorgde dat één man de pest?
De huurling vecht, de pleiter op zijn best
Zoekt ’n klant met ruzie in de zin,
Hoewel ik haar bemin.

Noem ons wat jij wil, ’t volgt uit onze min;
Noem mij een vlieg, en haar dus ook,
Of kaarsen, willig stervend in hun rook;
Ook duif en arend zijn wij binnenin.
Het feniksraadsel wint aan pit
Door ons: wij tweeën één zijn dit:
Een paar dat zo onzijdigheid bezit. 
Dood en herrezen, en daarin
Geheimvol door de min.

Niet leven? dan kan sterven door de min,
En stroken baar en tombe niet
Met ons geschiedverhaal, dan wèl een lied;
Zo een kroniek niet waard, bouwen we in
Sonnetten ’t fraaiste kabinet;
Een welgevormde urn strookt met
Roemvolle as, net als ’t grootste tombe-bed;
Zo stemt elk met die psalmen in
En heiligt onze min:

En roept ons zó aan: “U, die vrome min
Maakt tot elkaars geheimenis;
Die mint in vree, waar hier juist onlust is;
U, die de aardziel samenbalde in
Uw ogenpaar, dat daarmee zag 
(Door spiegels en spiongedrag
Zodat ’t àl voor U samengevat lag)
Land, stad, hof: Roep Gods bijstand in
Voor ’n voorbeeld van uw min!”



Uit: Bestorm mijn hart, De beste Engelse gedichten uit de 16de-19de eeuw, 
Gekozen en vertaald door Cornelis W. Schoneveld,
Tweetalige editie, Rainbow Essentials, nr. 55, Maarten Muntinga, 
Amsterdam, 2008, pp.64-67 (nu iets gewijzigd). ISBN 9789041740588.





ELEGY XVI: ON HIS MISTRESSVertaling door Willem van der Vegt

(By our first strange and fatal interview)

Elegy XVI of Elegy XVII

Wordt soms ook genummerd als "Elegy XVII".


Elegie XVI - Voor zijn vrouwe

Door ons eerste, noodlottig onderhoud,
door al ’t verlangen, daarbij opgebouwd,
door onze hoop, die wegkwijnt, door de wroeging
die mijn woord, waar ’t te mannelijk aan toe ging, 
in jou gewekt heeft, door mijn denken aan
de pijn, mij door rivalen aangedaan,
vraag ik je rustig; door je vaders woede
door alle pijn van ‘t steeds gescheiden moeten
ondanks ‘t verlangen, smeek ik je: de eden
waarmee we onze eensgezindheid smeedden,
ontzweer en overzweer ‘k met deze waarheid:
Blijf weg bij liefde die je in gevaar leidt!
Matig, mijn lief, liefdes onstuimig razen,
blijf echt mijn vrouw, wordt niet mijn valse page;
Omdat ik mij op jou verlaat, verlaat ik
jou, door te gaan. Mijn geest is jouw zorg waardig,
dorst naar terugkeer. Als jij dood zou gaan,
dan steeg mijn ziel van ver al op jou aan.
Jouw fraais (anders almachtig) kan de zeeën
niet rustig maken, en jouw liefde weet hen
de liefde niet te leren. Boreas
laat zich er niet door temmen. Je las vast
hoe hij zijn lief Orithya deed beven.
Ziek of gezond, je in gevaar begeven
is dwaas, gevoed door ’t spel dat een beminde
die weg is, in een ander valt te vinden.
Doe niets alsof, als jongen, doe niets af van
lichaam en geest, nee, neem vooral geen afstand
van wie je bent; elkeen zal in jouw trekken
’t charmante blozen van een vrouw ontdekken.
Een aap in pak heet aap. En zowel helder
als duister blijf ‘k de maan als maan vermelden.
Fransen, zo grillig als kameleons,
van ziekenhuizen tot modesalons,
ze tappen liefde, het gezelschap met de
beste acteurs op aard, zullen jou hebben
doorzien, jammer, zo zal spoedig dat gaan en
komen we langs die lauwe Italianen,
dan zijn die best content met jou als page,
vol lust en woede zullen ze op je jagen,
als op Lots gasten. Maar, zelfs natte kwasten 
als Nederlanders vallen je niet lastig,
wanneer jij hier blijft. O, blijf hier, want jij
hebt recht op Engeland als galerij,
waar je verwachtend rond mag lopen, tot
je bij de grootste Vorst geroepen wordt.
Weet, als ik ging, me wat geluk te dromen,
zonder voor onze liefde uit te komen.
Prijs me niet aan of af, wijdt vloek noch zegen
aan liefdes kracht, jaag, wie jou moet verplegen
geen stuipen op het lijf, door ’t roepen ’s nachts:
“Zuster, hij is gedood, mijn lief, ik zag
hem op de witte berg, belaagd, bestreden,
gestoken, bloedend, vallend, overleden.“
Zeg me iets beters dan die angsten aan.
Weet dat voor mij jouw liefde kan volstaan.





A HYMN TO GOD THE FATHER - Vertaling door Arie van der Krogt

(WILT Thou forgive that sin where I begun)


Hymne aan God de Vader

Vergeef de zonden die in dit bestaan
Van meet af aan mij zijn gegeven, Heer.
Vergeef de zonden die ik heb begaan,
En die steeds opnieuw doe, telkens weer.
En doet U dat, dan is het niet gedaan,
Want er is meer.


Vergeef ook wat een ander heeft misdaan,
Door wat ik deed. Mijn voorbeeld was verkeerd.
Vergeef de zonden die ik kon weerstaan,
Een jaar of twee, maar niet veel langer, Heer.
En doet U dat, dan is het niet gedaan,
Want er is meer.


Mijn zonde is de vrees om dood te gaan
En te verdwijnen in een diep zwart meer.
Verzeker mij dat daar uw Zon zal staan
Zo stralend licht als nu en als weleer.
Doet U dat, dan zeg ik: het is gedaan;
Ik vrees niet meer.






THE FLEA - Vertaling door Julien Grandgagnage

(Mark but this flea, and mark in this)


De Vlo

Merk toch hoe die vlo zich hecht
En opzuigt wat jij me steeds ontzegt;
Een druppel bloed met die van mij vermengd
Heeft nu het lichaam van die vlo doordrenkt.
Een zonde kan ‘t niet zijn dat zij ons bijt,
Noch schande of verlies van maagdelijkheid.

 Kijk hoe voldaan ze zich nu voelt,
 Vervoerd van ‘t mengsel van ons beider bloed; 
 Helaas, die toestand hebben wij tegoed.

Schei uit, die ene klap verwoest drie levens,
Nu je zo goed als het jawoord hebt gegeven,
Want die vlo is jij, die vlo is mij,
Een tempel en een huwelijksbed is zij:
Verzet baat niet: ondanks je ouders’ klacht
Zijn wij nu één, in haar bijeengebracht.

 Zelfs als mijn dood jou niet weerhoudt,
 Dan is het mogelijk toch je zelfbehoud
 Of profanatiezonde die je benauwt.

Hoe wreed en haastig kleurt je nagel rood,
In ons onschuldig vloeiend bloed gedoopt;
Die vlo: hoe zwaar heeft nu haar schuld gewogen? 
Is het die druppel die ze heeft gezogen? 
Toch triomfeer je nu in je gelijk
En zegt noch ik noch jij zijn in dit lijk;

 De waarheid toont je holle vrees: 
 Jezelf te verliezen in mijn vlees
 verspilt je eer niet meer dan’t doden van dit beest.


->originele Engelse tekst van The Flea



THE FLEA - Vertaling door Wim Tigges

(Mark but this flea, and mark in this)


De Vlo

Let op die vlo, en zie daaraan
Hoe weinig ’t is wat jij niet toe wil staan;
Mij zoog hij eerst, nu zuigt hij jou,
En in die vlo vermengt ons bloed zich nou;
Geef dan maar toe, men noemt dit feit
Geen zonde, schand’, verlies van maagdlijkheid,
Maar hij geniet vóór het gevrij,
Verzadigd door ons beider bloed zwelt hij,
En doet daarmee, helaas, iets meer dan wij.

Och, spaar drie levens in één beest,
Waar w’haast getrouwd zijn, nee getrouwd gewéést.
Die vlo is jij en ik, ’t is net
Een huwelijkstempel èn een huwelijksbed;
Hoe dwars ’t ouders, en jou, ook zit,
Wij delen nu die kluis van levend git.
Al dood je uit gewoonte mij,
Voeg daar nou niet ook nog een zelfmoord bij,
En heiligschennis, drie zonden op rij.

Heb je nu, wreed en onverhoeds,
Je nagel rood gekleurd in schuld’loos bloed?
Want waarin heeft die vlo gefaald
Dan in die druppel bij jou weggehaald?
Toch triomfeer je, zegt dat jij
Jezelf niet zwakker vindt, en ook niet mij;
Dat ’s waar, je hoeft dus niet te beven;
Je spilt net zo veel eer door je te geven
Als deze dode vlo jou nam aan leven.



THE GOOD-MORROW - Vertaling door Julien Grandgagnage

(I WONDER by my troth, what thou and I Did, till we loved ?)


De Ochtendgroet


Ik vraag me eerlijk af wat wij ooit deden
voor we ons in liefde vonden, behalve zuigen
aan de moederborst of onze kinderlijke lusten botvieren?
Of snurken in de zevenslapersgrot?
Zo was het. Maar was dit plezier niet ingebeeld?
De schoonheid die ik toen begeerde, en tot de mijne maakte,
was slechts een vage schim van jou.


Deze goede morgen doet ook onze zielen ontwaken
die elkaar niet langer angstig moeten gadeslaan;
Want liefde weerhoudt ons om nog verder te zoeken
En maakt onze kleine kamer wereldwijd.
Laat anderen oceanen en nieuwe werelden ontdekken,
Laat ze maar kaarten maken van steeds meer werelden
En laat ons één wereld bezitten, ieder één, en samen één.


Mijn gelaat in jouw ogen, en het jouwe in die van mij
Waar oprechte harten zich in spiegelen
Waar vinden we twee betere hemisferen
zonder scherp noorden en heengaand westen?
Wat sterft was nooit juist gemengd;
Met twee liefdes zo vervlochten dat geen een verzwakt,
Sterf noch jij, noch ik.






HOLY SONNET I  - Vertaling door Frank Despriet

(Thou hast made me, and shall Thy work decay ?)


Jij hebt me gemaakt, en zal je werk vergaan?
Herstel me nu, want nu komt mijn eind in zicht,
Ik loop naar de dood, en de dood is op mij gericht,
En al mijn genoegens zijn voorgoed gedaan.
Ik durf mijn doffe ogen niet meer op te slaan,
Wanhoop langs achter, en de dood in mijn gezicht
Belagen me, mijn zwakke vlees is al gezwicht
Door zonde, zodat het naar de hel zal gaan.
Enkel jij bent boven, en wanneer ik naar je kijk,
Met jouw vergunning, verhef ik me weer,
Maar onze oude sluwe vijand drukt me neer,
Dat ik niet één uur ontsnap uit het slijk.
Je gratie zou me vleugels geven, zijn luister doven,
Zo jij als een magneet mijn ijzeren hart wou roven.






HOLY SONNET I -  Vertaling door Arie van der Krogt

(Thou hast made me, and shall Thy work decay ?)


U schiep mij, Heer, moet dan uw werk vergaan?
Geef nieuwe kracht, mijn einde is nabij,
Ik spoed mij naar de dood, de dood naar mij,
Mijn vreugd is, net als gisteren, gedaan; 
Ik durf mijn wazig oog niet op te slaan, 
Mijn hoop is heen, de dood komt dichterbij,
Zaait angst dat mijn verzwakte vlees straks mij, 
Door zondigheid, recht naar de hel laat gaan.
Omdat u boven bent, klim ik daarheen;
Door uw verrijzenis, verrijs ik ook,
Maar weerstand biedt ik niet, geen uur, geen één,
Als onze oude vijand mij bestookt;
Geeft mij toch vleugels, trek het naar uw kant, 
Mijn hart van ijzer, met uw Adamant.



HOLY SONNET II - Vertaling door Frank Despriet

(As due by many titles I resign)


Door vele plichten gebonden neem ik afstand
Van het leven voor jou, O God, die me schiep.
Jij was het die me voortbracht uit het niet,
Je gaf me je bloed, je hart en je verstand.
Ik ben je zoon, gemaakt door je eigen hand,
Je schaap, je dienaar, die je nooit verried,
Of bijna nooit; het bezorgt me veel verdriet
Dat ik de weg verloor naar je goddelijke land.
Het is de duivel die me overweldigd heeft,
Die steelt en ontvoert wat van jou moest zijn,
Hij kwelt en foltert mij met helse pijn.
Toch beken ik dat ik enkel voor jou heb geleefd.
Ik weet het, jij houdt van mij. Bevrijd me dan.
En Satan haat me, maar heeft me in zijn ban.






HOLY SONNET II - Vertaling door Arie van der Krogt

(As due by many titles I resign)


Op grond van vele rechten geef ik mij 
Aan u, mijn God, want eerst werd ik gemaakt
Door u, voor u, en na mijn val tot kwaad
Kocht uw bloed dat, wat u bezat, weer vrij;
Ik ben uw zoon, een zon, die door u schijnt,
Uw knecht, wiens straf en pijn u ondergaat,
Uw schaap, uw beeld, en tot mijn groot verraad, 
Een tempel, waar uw Geest te gast kon zijn;
Wat moet die Duivel met zijn duivelsspel,
Rooft en bedoezelt hij niet zo uw recht?
Tenzij u komt en voor uw erfdeel vecht, 
Oh, mijn hoop kwijnt, als ik dit aanzie, snel:
U houdt van mensen, maar kiest niet voor mij,
En Satan haat mij, maar laat mij niet vrij.




HOLY SONNET III - Vertaling door Frank Despriet

(O ! might those sighs and tears return again)


O konden die zuchten en tranen weer opdagen
In mijn borst en ogen, maar nu zijn ze verspild
En tevergeefs heb ik uit de dieptes gegild
Zonder dat ik wist of mijn treuren je zou behagen.
Nu heb ik niets meer, mij resten enkel vragen.
Hoe komt het dat die smart mijn hart verkilt
En dat mijn oude zondes niet zijn verstild
Zodat ik weer als vroeger de pijn moet dragen?
Terwijl de onverzadigbare dronkaard en de dief,
De vrouwengek en de snoever zich troosten met hun lot,
Vergeet ik alle voorbije vreugdes, elk genot
En troost is niet voor mij, ik (arme) voel slechts grief.
Al dit lijden heeft me niets bezorgd dan smart.
Dit was het gevolg en de oorzaak, dit brak mijn hart.







HOLY SONNET III - Vertaling door Arie van der Krogt

(O ! might those sighs and tears return again)


O zuchten, tranen kom terug, want leeg 
Zijn borst en ogen, jullie ben ik kwijt, 
Dan zou ik in mijn ontevredenheid
Nog rouwen kunnen, nu rouw ik vergeefs;
Wat scheurt mijn hart? En hoeveel buien heeft
Mijn oog verspild door mijn afgoderij?
Mijn lijden is het kwaad dat ik belijd,
Ik leed en lijd de pijn nu die dat geeft.
De zatte dronkaard en de duisterdief,
De geile bok, de zelfgewreven trots,
Zij hebben die voorbije vreugde lief, 
Want die heelt komend leed. Ik, arme, word
Nooit beter, want de pijn die men mij gaf 
Was oorzaak en gevolg, zonde en straf




HOLY SONNET IV - Vertaling door Frank Despriet


(Oh my black Soule! now thou art summoned)


O mijn zwarte ziel! Nu word je belaagd
Door ziekte, bode van de dood, en overwinnaar.
Je bent als een pelgrim, op de vlucht voor gevaar
In een ver land en door iedereen opgejaagd,
Of als een dief die zijn vonnis beklaagt.
Hij schudt zijn hoofd en denkt: het is niet waar
En zit hij op de dodenkar dan trekt hij aan zijn haar,
Smekend, maar vergeefs, dat de uitspraak wordt verdaagd.
Nochtans, als je berouw toont, kan je nog op gratie hopen.
Niets is verloren, maar wie zal je die gratie geven?
Je treurt en geeft al niets meer om je leven.
Door zelfbeklag tracht je dit droeve lot te ontlopen.
Zelfs al ben je zondig, de macht van Christus is groot,
Zijn bloed kan je redden, ook al ben je dood.







HOLY SONNET IV - Vertaling door Arie van der Krogt

(Oh my black Soule! now thou art summoned)


O mijn geblaakte Ziel, jij wordt gekweld
Door ziekte, doods’ heraut en dwingeland;
Je lijkt een pelgrim die in ’t buitenland
Verraad pleegt en zich daar niet graag meer meldt;
Een dief, die dood als vonnis zag geveld,
En vurig naar een vrij bestaan verlangt,
Maar toch graag langer blijft in het gevang, 
Wanneer de beul zich met zijn hakbijl meldt.
Toch kun je gratie krijgen, bij berouw,
Maar door wie wordt die gratie toegekend?
O maak je zwart wanneer je plechtig rouwt,
Word rood van schaamte, als je zondig bent;
Was je met Christus bloed, dat rood bezit 
De macht je ziel te verven: rood wordt wit.




HOLY SONNET V - Vertaling door Frank Despriet


(I am a little world made cunningly)


Ik ben een kleine wereld die gemaakt is van materie
En vernuftig voorzien is van een engelachtige geest,
Maar door zonde zijn beide delen verraden geweest
Tot eindeloze nacht en mij rest niets dan miserie.
Jij die voorbij gindse hemel aan de verste periferie
Nieuwe sterren hebt geplaatst en nieuwe landen onbevreesd
Verkent, stort nieuwe zeeën in mijn ogen opdat ik verweesd
Mijn wereld mag verdrinken in een ultieme remedie,
Of hem wassen als hij niet meer moet verdrinken.
Maar oh hij moet worden verbrand; helaas hebben het vuur
Van lust en afgunst hem verbrand in een vroeger uur,
En hem smeriger gemaakt. Laat hun vlammen bezinken
En mij verbranden o Heer, met een vurige gloed
Van jou en je huis, tot rust van mijn gemoed.


>originele Engelse tekst van Holy Sonnet V




HOLY SONNET VI - Vertaling door Frank Despriet

(This is my playes last scene, here heavens appoint)


Dit is de laatste scène van mijn stuk, hier bepalen de goden
De laatste mijl van mijn parcours, en mijn pelgrimstocht
Die ijdel, doch vlug gedaan is, neemt deze laatste bocht,
De laatste duim van mijn span, de laatste zoden,
En dadelijk zal ik wandelen tussen de vele doden,
Met mijn ontwrichte ziel, die aan de duivel is verkocht.
Maar in de slaap heeft mijn wakend deel naar u gezocht,
Hoewel dit hier ten strengste wordt verboden.
Dan, als mijn ziel ontredderd naar de hemel vliegen wil
En het aan de aarde gebonden lichaam in de aarde verblijft,
Zal zo elke zonde vallen, dat elk haar recht verkrijgt,
Naar waar ze is geteeld, en me mee zou sleuren, naar de hel.
Beschouw me rechtvaardig, zo gezuiverd van het voze,
Want zo verlaat ik de wereld, het vlees en de boze.


>originele Engelse tekst van Holy Sonnet VI




HOLY SONNET VII - Vertaling door Frank Despriet

(At the round earths imagin’d corners, blow your trumpets)


Blaast jullie trompetten aan de verbeelde hoeken
Van de ronde aarde, engelen, en verrijst, verrijst
Opnieuw tot leven, gij, zonder tal of lange lijst
Van zielen, en gaat jullie verspreide lichamen zoeken,
Allen die bleven in de vloed, en zij die brandend vloeken,
Allen die oorlog, ontbering, ouderdom, plaag, despoot,
Wanhoop, wet, toeval, heeft geslacht, en gij die zonder dood
God zult zien, zoals geschreven staat in de boeken.
Maar laat hen slapen, Heer, laat mij nog wat alleen,
Want, indien boven al dezen mijn zonden steken,
Is het laat om tekens van je gratie af te smeken
Wanneer we ginder zijn; leer me hier tussen het gemeen
Hoe ik moet berouwen, want dat is even goed
Als had je mijn vergiffenis bezegeld met je bloed.






HOLY SONNET VII - Vertaling door Arie van der Krogt

(At the round earths imagin’d corners, blow your trumpets)


Laat uit de hoeken van het wereldrond,
Bezuinen klinken, engelen, verrijs,
Opdat die niet te tellen zielenrij,
Weer terug in hun verspreide hulzen komt;
Van wie door vuur verteerd is of verdronk,
Gedood door oorlog, armoe, ziekte, strijd,
Door noodlot, rechtspraak of wanhopigheid, 
Of God nog zien zal, nooit de doodssmart vond. 
Laat hen nog rusten, Heer, en laat mij rouwen;
Want zou mijn zonde dit te boven gaan, 
Dan kan ik straks niet op uw gunst vertrouwen, 
Als ik daar ben. Leer in mijn laag bestaan
Mij nu berouw, want dat is net zo goed
Als dat u mij vergeeft, straks, met Uw bloed.




HOLY SONNET VIII - Vertaling door Frank Despriet

(If faithfull soules be alike glorifi’d as Angels)


Indien trouwe zielen gelijk worden geprezen
Als engelen, dan is het zeker zichtbaar
Voor mijn vaders ziel, gezegend daar
In de hemel, dat ik de hel niet hoef te vrezen.
Maar indien onze geesten voor deze zielen zijn als wezen,
Ongekend, tenzij door omstandigheden en amper klaar
In hun tekens, ook al zijn ze zuiver en waar,
Hoe kunnen ze de gedachten van mijn geest ooit lezen?
Ze zien goddeloze minnaars huilen en klagen,
En lasterlijke samenzweerders roepen om Jezus,
Terwijl huichelaars als Judas met zijn kus
Devotie veinzen. Richt dan al je vragen
O zwaarmoedige ziel, tot God, hij kent de dorst
Van je hart, want hij plaatste het in mijn borst.


>originele Engelse tekst van Holy Sonnet VIII





HOLY SONNET IX - Vertaling door Frank Despriet

(If poysonous mineralls, and if that tree,)


Indien giftige mineralen, en ook die boom
Waarvan de vrucht ons, onsterfelijken, dood bracht,
Indien wellustige geiten en jaloerse slangendracht
Niet verdoemd worden, waarom is het leven dan geen droom,
Waarom bedrijven het voornemen of de rede zonder schroom
Zonden, die mij nog meer beroven van mijn kracht,
Terwijl genade eenvoudig is en eer verschaft
Aan God, waarom dreigt hij met zijn machtsvertoon?
Maar wie ben ik, dat ik eis dat je mij verhoort?
O God, oh! Maak van je kostbare bloed
En mijn tranen, een hemelse Lethevloed
Waarin je de zwarte herinnering aan mijn zonden versmoort.
Dat jij er weet van hebt, zien sommigen als een schuld,
Ik denk dat het genade is, indien jij vergeten zult.





HOLY SONNET X - Vertaling door Julien Grandgagnage

(Death, be not proud)


Wees niet zo trots, Dood, ook al sidderen velen 
Van je macht, voor mij stelt het niets voor;
Want zij die vallen door jou gaan niet teloor,
Geen mens sterft of laat zich door jou bevelen.
Als slaap en rust -niets anders dan jouw beelden-
Plezier zijn, win ik meer dan ik verloor. 
Zovele goede mannen gingen ons voor, 
Hun ziel bevrijd, rust ook hun stil gebeente.
Jij, slaaf van ‘t lot en van de radeloze, 
Wat zullen gif en strijd en ziekte baten,
Als slaapbol, drugs en amulet doen slapen? 
Dus hou maar op met dat gebral te lozen.
Het eeuwige wacht na korte sluimerpijn, 
En dan, Dood, zal zelfs jij er niet meer zijn.


(zie bespreking van Holy Sonnet X hier)






HOLY SONNET X - Vertaling door Frank Despriet

(Death, be not proud)


Dood wees niet trots, want alles is maar schijn,
Jouw macht en aanzien zijn slechts een valse naam,
Want zij, van wie je denkt dat ze zijn vergaan,
Sterven niet, arme dood, en ook mij doe je geen pijn.
Uit rust en slaap, die maar je beeltenissen zijn,
Stroomt veel genot, vandaar komt al je faam,
En het vlugst zijn onze beste mensen met je meegegaan:
Hun zielen bevrijd, rust hun gebeente in een schrijn.
Jij bent slaaf van lot en toeval, van koning en leenman,
En gif, oorlog, en ziekte zijn je goede maten,
Maar papaver, of betovering doet ons ook al slapen,
En beter dan je zeis. Welnu, wat poch je dan?
Aan het eind van een korte slaap ontwaken we in eeuwigheid,
En de dood zal niet meer zijn, dood, jij sterft in vergetelheid.







HOLY SONNET X - Vertaling door Arie van der Krogt
(Death, be not proud)


Dood, snoef niet zo, al zegt men dat jouw kracht
Ons grote schrik aanjaagt, dat doet hij niet;
Want niemand, die jij als jouw prooi beziet,  
Sterft, arme dood; ook ik vrees niet jouw macht.
Als rust en slaap, want dat heb jij in pacht,
Ons vreugde geeft, zou dan de besten niet
Jou volgen, dood, wanneer dat zoveel biedt:
Een vrije ziel en op het graf ‘rust zacht’   
Jij, slaaf van ‘t lot, van wanhoop en van vorsten,  
Jij krijgt met gif en oorlogszwaard ons stil,
Maar slapen doen we ook met kruid of pil,
Ja beter zelfs – waarom dan toch zo protsen?
Wij leven eeuwig; na een korte slaap
Is Dood voorgoed voorbij; Dood, jij vergaat.






HOLY SONNET XVertaling door C. W. Schoneveld

(Death, be not proud)


Dood, wees niet trots, al heet je machtig bij
Het volk, en ijselijk, maar dat ben je niet:
Want niemand die je als jouw mikpunt ziet
Sterft, arme Dood, en nog niet dood je mij.


Van rust en slaap, slechts jouw afspiegeling,
Gaat veel plezier uit, dus van jou nog meer;
En 't eerst vallen de besten voor jou neer:
Hun lichaam's rust, hun ziel's verheerlijking!


Jij, slaaf van toeval, noodlot, vorst, schavuit,
Gaat met gevecht, vergif, en ziekte in zee,
Klaproos of trance brengt zoeter slapen mee
Dan jouw gezeis. Dus sloof je niet zo uit!


Eén slaap voorbij, en eeuwig waken wij;.
Dan is de Dood niet meer: Dood, dood ga jij! 






HOLY SONNET X - Vertaling door Willem van der Vegt

(Death, be not proud)


Dood, snoef niet, want de macht, jou toegeschreven,
zozeer te vrezen, ach, die heb je niet.
Elk, voor wie jij de ondergang gebiedt,
blijft, arme Dood, net zoals ik blijf leven.

Als slaap en rust, die beiden net als jij zijn,
ons goed doen, hoeveel beter nog doe jij!
De besten gaan het eerst met jou op reis.
Hun botten rusten, en hun ziel zal vrij zijn.

Jij slaaf van ‘t lot, van toeval en tirannen,
je laat je in met ziektes, gif en wapens.
Er is voldoende hulp om goed te slapen
zonder dat jij moet toeslaan. Poch niet langer.

Kort slapen, dan waken in eeuwigheid.
En jij gaat dood, Dood! Jij bent uit de tijd. 



HOLY SONNET XI - Vertaling door Frank Despriet


(Spit in my face you Jewes, and pierce my side,)


Spuwt in mijn gezicht, gij joden, en doorboort mijn flank,
Slaat, en beschimpt, geselt, en kruisigt mij,
Want ik heb gezondigd, en gezondigd, en alleen is hij,
De rechtvaardige, gestorven als teken van ’s werelds dank.
Hij werd veroordeeld door een volkse rechtbank,
Verraden door zondaars niet goddelozer dan wij:
Ik kruisig hem dagelijks, onze vergevende koning, zij
Doodden eens een onbeduidend man, genageld aan een plank.
Oh laat me bewonderend naar zijn vreemde liefde kijken:
Hij leed voor ons en droeg gelaten onze straf,
Als beloning legden we hem levenloos in het graf.
Jakob ging gekleed in lompen om zichzelf te verrijken,
God ging gekleed in het arme vlees van een mens,
Die stierf voor ons ter vervulling van zijn wens.






HOLY SONNET XII - Vertaling door Frank Despriet

(Why are wee by all creatures waited on?)


Waarom zijn wij van alle schepselen het meeste waard?
Waarom word ik door de kwistige natuur gevoed
En laat ze mij het leven, hoewel ik haar niet vergoed,
Terwijl ze zoveel zuiverder is dan ik, en niet ontaard?
Waarom verdraag je onderwerping, onwetend paard?
Jij stier en beer, waarom ben je veel te goed,
Veins je zwakte, en geef je aan de mens je bloed,
Zodat enkel hij die je doodt er wel bij vaart?
Zwakker ben ik, door schuld beladen, en leed mijn deel.
Jij hoeft niet bang te zijn, je kent geen zonden,
Maar toch, en verwonder je over dit groter wonder,
Onderwerpen deze dieren zich aan ons geheel,
Terwijl hun Schepper, niet gebonden door zonde of gemis,
Voor ons, zijn schepsels, en zijn vijanden, gestorven is.





HOLY SONNET XIII - Vertaling door Frank Despriet

(What if this present were the worlds last night?)


Wat indien vannacht de wereld zou vergaan?
Toon in mijn hart, waar jij vertoeft, o ziel,
Het beeld van de gekruisigde Christus, en kniel
Zo je hem in de hemel naast God ziet staan.
Tranen in zijn ogen doen het licht uitgaan,
Bloed vult zijn fronsen, dat van zijn voorhoofd viel
En de doornen kroon ligt nu stil aan zijn hiel.
Denk je dat zijn tong je zal treffen met blaam?
Nee, nee; maar zoals ik in mijn verderf
Aan al mijn goddeloze minnaressen zei
Dat schoonheid wijst op medelijden, gevlei
Dat ik niet meende; zo zeg ik je voor ik sterf:
Boze geesten kregen afschuwelijke vormen toegewezen,
Van deze mooie vorm hoef jij zeker niets te vrezen.







HOLY SONNET XIV - Vertaling door Frank Despriet

(Batter my heart, three person’d God)


Bestorm mijn hart, drievuldige God, want alleen maar
Kloppen, ademen, schijnen, en verhelpen deed je tot nu toe.
Werp me omver opdat ik recht kan staan, en doe
Je best, om me te breken, blazen, branden, en maak me klaar.
Ik ben als een belegerde stad in de handen van een geweldenaar,
Worstel om je toe te laten, maar oh, ik word moe.
De rede, je onderkoning in mij, vlucht voor dit gedoe,
Blijkt zwak in plaats van mij te verdedigen, en onbetrouwbaar.
Toch bemin ik je zeer, en zou graag alles aan je geven,
Maar nu ben ik gebonden aan je vijand.
Scheid me, maak los, of verbreek die band,
Neem me mee, sluit me op, want ik zal in dit leven
Nooit vrij zijn, tenzij jij me tot slaaf maakt,
Of kuis en zedig, zolang jij me niet schaakt.






HOLY SONNET XIV - Vertaling door C. W. Schoneveld

(Batter my heart, three person’d God)


Geestelijke sonnetten, 14 


Bestorm mijn hart, drie-enig God, omdat
U klopt, blikt, ademt nu slechts met vermaan;
Dat ik gevloerd door u weer op mag staan
Na breuk, dreun, brand door U nieuw aangevat.


Ik die, als een belaagde stad, bezweek,
Bewerk Uw intree, maar ach, zonder zin;
’t Verstand, Uw afgezant, mijn schutsgodin,
Ligt in cachot, en blijkt ontrouw of week.


Toch heb ’k U lief, wil liefde ook van U,
Maar met Uw vijand knelt mijn echtverband.
Scheid mij van hem, verbreek die keten nu;


Neem mij tot U, zet mij gevangen, want,
Tenzij door U geknecht, word ik nooit vrij,
Noch kuis, als U zich niet vergrijpt aan mij.




Uit: Bestorm mijn hart, De beste Engelse gedichten uit de 16de-19de eeuw, 
Gekozen en vertaald door Cornelis W. Schoneveld,
Tweetalige editie, Rainbow Essentials, nr. 55, Maarten Muntinga, 
Amsterdam, 2008, pp.68-69 (nu iets gewijzigd). ISBN 9789041740588.









HOLY SONNET XV - Vertaling door Frank Despriet

(Wilt thou love God, as he thee! then digest)


Wil je van God houden, zoals hij van jou! Overweeg
Dan, mijn Ziel, en denk er dus eens aan,
Hoe God de Geest, door engelen bijgestaan,
Zijn tempel maakt in je borst, anders leeg,
Terwijl de Vader, die een allerzaligste Zoon kreeg,
En nog altijd krijgt, (want zijn werk is nooit gedaan)
Zich verwaardigd heeft jou te kiezen als erfgenaam
Van zijn glorie, doch dit is iets waarover Satan zweeg.
En als een beroofde man die zijn bezit in duistere holen
Vindt, en het moet verliezen of opnieuw verwerven,
Kwam de Zoon van glorie neder, enkel om te sterven,
En ons te verlossen, omdat we door de duivel zijn gestolen.
Het was veel, dat de mens voorheen als God was gemaakt,
Maar nog veel meer, dat God een mens werd, en onvolmaakt.





HOLY SONNET XVI - Vertaling door Frank Despriet

(Father, part of his double interest)


Vader, vanaf heden ben ik een deelgenoot
Van je koninkrijk, dankzij je Zoons vrijgevigheid.
Zijn aandeel in de verwikkelde Drievuldigheid
Houdt hij, en geeft mij zijn overwinning op de dood.
Dit Lam, wiens lijden de wereld nieuw leven bood,
Werd geslacht van bij de aanvang van de tijd
En volgens de twee Testamenten is het een feit
Dat toen het recht bepaald is van je Zoon als vennoot.
Toch zijn deze wetten zo, dat de mensen discussiëren
Of die statuten van kracht zijn voor heel de natie.
Niemand doet het, maar je geest en helende gratie
Brengen opnieuw tot leven wat wet en woord onteren.
Je laatste gebod, en de betekenis van je naam,
Is niets dan liefde; oh laat die laatste wil bestaan!







HOLY SONNET XVII - Vertaling door Frank Despriet

(Since she whom I lov’d hath payd her last debt)


Sinds zij die ik beminde haar laatste schuld heeft betaald
Aan de natuur, en aan zichzelf, en mijn goed is gestorven,
En haar ziel vroeg naar de hemel heeft gezworven,
Wordt mijn geest volledig door hemelse dingen bepaald.
Hier werd mijn geest door haar te aanbidden overgehaald
Om jou te zoeken, God; zo tonen stromen hun bronnen.
Maar al heb ik je gevonden, en al is mijn dorst overwonnen,
Nog voel ik me onverzadigd, alsof geen zege werd behaald.
Maar waarom zou ik haar verloren liefde bezingen,
Wanneer jij mijn ziel beklaagt en mij al het jouwe biedt,
En niet enkel vreest voor toekomstig verdriet
Van heiligen of engelen, goddelijke dingen.
Maar toch ben je bang in je tedere ijver
Dat de wereld, het vlees, ja de duivel je verdrijven.







HOLY SONNET XVIII - Vertaling door Frank Despriet

(Show me deare Christ, thy Spouse, so bright and clear).


Toon me lieve Christus, je Bruid, zo schitterend en klaar.
Wat! Is zij het, die daar aan de overkant
Rijk geschilderd gaat? Of die hier en in Duitsland
Verscheurd werd door klagend doodsgevaar?
Slaapt ze er duizend om op te duiken voor één jaar?
Is ze waarheid zelf en leugens? Nu nieuw, nu verpand?
Is het zo, en was het zo, en zal ze naderhand
Verschijnen op geen, op zeven, of op gindse heuvel daar?
Vertoeft ze bij ons, of moeten we eerst als een dief
Op strooptocht gaan of ’s nachts de kust verkennen?
Laat ons, liefhebbende echtgenoot, je bruid verwennen,
En laat mijn verliefde ziel flirten met je zachte lief,
Die altijd trouw is en je nooit of nimmer verlaat,
Terwijl ze toch bemint en voor allen openstaat.







HOLY SONNET XIX - Vertaling door Frank Despriet

(Oh, to vex me, contraryes meet in one:)


Oh, om mij te kwellen, komen tegenstellingen samen:
Wispelturigheid kwam uiteindelijk neer
Op een blijvende gewoonte; ik zweer
Als het niet past, en roep heilige namen.
Net als verklikkers die plannen beramen
Is mijn berouw oprecht, mijn liefde en mijn eer
Zijn even onvoorspelbaar als het wisselende weer,
Ik heb een warrige geest, nu vloek ik, dan zeg ik amen.
Ik durfde gisteren niet naar de hemel zien, en vandaag
Flirt ik met God in vleiende praatjes en gebed,
Morgen beef ik met ware vrees voor zijn wet.
Zo komt en gaat constant mijn vrome vlaag
Als een fantastische koorts, behalve dat dit
Mijn beste dagen zijn, wanneer ik angstig bid.





LOVERS' INFINITENESS - Vertaling door Guido Vanhercke

(If yet I have not all thy love)

Liefdes Oneindigheid


Heb ik niet al je liefde nu, mijn
Lief, ik zal ze nooit al hebben.
Geen zucht wil nog proberen
Geen traan nog wil toch vallen.
En al mijn rijkdommen die je moesten stelen,
Zuchten, tranen, eden, brieven opgebruikt.
Toch kan ik niets méér vragen
Dan wat als koopje was bedoeld.
Zo is je liefde één in stukken,
En krijg ik een stuk en anderen de rest,
Zo, lief, heb ik je nooit helemaal.

En gaf je me toch dat al, dan
Was het slechts het al van toen je gaf.
Maar in je hart daar groeit alweer
Nieuw gezaaide liefde, door andere mannen
Wier rijkdom groter is dan die van mij
Groter hun zuchten, eden en hun brieven.
En nieuwe angsten dan om nieuwe liefde
Want al beloofde jij mij die liefde niet,
Gegeven is totaal en anders niet.
En omdat je hart waarop ze groeit
Van mij is, lief, moet ik ze helemaal hebben.

En dan nog krijg ik haar niet helemaal,
Hij die alles heeft, kan niets méér hebben.
Toch verwacht mijn liefde elke dag weer nieuwe groei,
moet jij mij elke dag opnieuw belonen.
Kan je je hart wel elke keer zo geven?
Maar niet geven betekent nooit gegeven.
Zo erg is liefde raadsel, dat je hart,
Hoewel het weggaat, toch thuisblijft,
En wint als je het verliest.
Maar laten we het vrijer doen:
We ruilen harten en voegen ze bijeen, en
Zo zijn we nu een, en toch elkanders alles


->originele Engelse tekst van Lovers' Infiniteness



LOVERS' INFINITENESS - Vertaling door Arie van der Krogt

(If yet I have not all thy love)


ONEINDIGE LIEFDE


Al heb ik al jouw liefde niet,
Ik krijg die toch nooit helemaal;
Alleen een eerste zucht beroert me, lief,
Mijn tranen rollen nooit een tweede maal;
En al mijn schatten waar ik jou mee won, 
Mijn zuchten, tranen, eden, elke brief,
Voor alles wat ik jou ooit zond,
Gold slechts een koopmanschapmotief. 
Wordt van jouw liefdesgift iets afgehaald
En wordt dat deel aan anderen betaalt,  
   Dan krijg ik jou nooit helemaal.
    
Ook als je mij ooit alles schonk,
Was alles, alles wat je had;
Maar als er nieuwe liefde is of komt
Van andere mannen, dan vult dat jouw hart,
Dan gaan hun zuchten en hun tranenzang, 
Hun eden en hun brieven mij te boven,
Die nieuwe liefde maakt mij bang, 
Want dat is niet wat jij beloofde.
Toch was het zo, jouw gift ooit was totaal;
Wat ik van jouw grond, jouw hart, binnenhaal,
   Die oogst, lief, krijg ik helemaal.

Maar toch krijg ik nooit alles, want
Vervuld is hij die alles heeft;
En er moet ruimte zijn, omdat jouw land
Van liefde daaglijks nieuwe vruchten geeft;
Toch geef jij elke dag jouw hart niet weg, 
Ook niet, als jij dat kon, want het geheim
Van liefde is, dat loslaten juist hecht,
Dat ook verloren liefde winst kan zijn.
Ons hart is vrij, en niet een kapitaal
Dat wordt verkocht, niet eenmaal, andermaal,
    Nee, één en samen, helemaal.




LOVERS' INFINITENESS - Vertaling door Willem van der Vegt

(If yet I have not all thy love)


Oneindig lief


Heb ik jouw liefde maar ten dele,
dan krijg ik, lief, die nooit compleet.
Mijn adem stokt en niets kan me meer schelen,
als ik zelfs hoe ik huilen moet vergeet.
Mijn schatten, die jou voor me moesten winnen,
zuchten en tranen, brieven vol gevoel,
ik kan er dan niets mee beginnen.
Zo was mijn inzet niet bedoeld.
Als jij je liefde eerst in stukken sneed,
mij gaf, wat je ook aan een ander deed,
dan krijg ik, lief, jou nooit compleet.

Gaf jij je mij, geheel en al,
dan was "al" slechts wat jij toen had.
Maar staat je hart ooit open, stel er zal
weer liefde groeien, wekt een ander dat,
die alles gaaf kan bieden, en met tranen
en zuchten, brieven, mij zo overtreft,
brengt nieuwe liefde nieuwe zorgen aan, al
had jij daarop nooit "ja" gezegd.
Al strooide jij je gaven overal,
ik heb jouw hart. Wat daar ook groeien zal, 
hoort, lief, aan mij, geheel en al.

Toch krijg ik het zo niet compleet.
Bij alles kan er niets meer bij.
Omdat mijn lief elke dag ruimte heeft
voor groei, moet er steeds iets te bieden zijn.
Dag in dag uit je hart geven, dat gaat niet.
Geef je het niet, dan was het nooit gegeven.
Nu het geheim: Als je je hart mij aanbiedt,
dan blijft het thuis, verlies tot winst verheven.
De oplossing voor ons is radicaal.
Geen ruil, maar delen, één worden, totaal.
Elkaar tot alles, helemaal.




SATIRE III  Vertaling door C. W. Schoneveld

(Kind pity chokes my spleen; brave scorn forbids)

Satire III (ca. 1620)

Dit hekeldicht door John Donne is geënt op de Latijnse satirische traditie van Horatius en Juvenalis. Maar Donne en zijn volgelingen achtten een ruigere en minder gepolijste stijl dan in zijn voorbeelden beter geschikt voor het uitdrukken van verontwaardiging en kritiek. Via deze weg spoort Donne zichzelf en de lezer aan een eigen bewust overwogen keuze te maken op het gebied van de godsdienst; zulks in een tijd waarin er hevige controversies woedden op dit gebied. 
Donne zelf groeide op in een Katholiek milieu maar ontwikkelde zich in de loop van de tijd tot een prediker in de Anglicaanse Kerk. Tegen het eind van het gedicht keert hij zich vooral tegen het idee van het “goddelijk recht” van de vorst, en tegen de tirannie, al distantieerde hij zich eerder (rgl 17-20, 28) van Holland’s euvele “moed” in dit opzicht. De relatie tussen dichtkunst en hofleven, zichtbaar in alle drie de hierboven gekozen gedichten, is hier dan ook niet langer maatgevend, in tegendeel zelfs. De vorm is die van 10-lettergrepige regels met gepaard rijm, maar de zinsconstructies trekken zich hier vaak weinig van aan, soms de gesproken taal benaderend, en ritmische onvolkomenheden en zeer compacte formuleringen vertonend. Ook wordt het betoog vaak geïllustreerd met vergezochte beeldspraak (Donne’s handelsmerk), b.v. religieuze richtingen als beminde vrouwen van allerlei soort, een vergelijking die als een rode draad door het hele gedicht loopt.
 
C.W.S.



Meelij stopt mijn gal, ferme hoon verhoedt
Dat ’t zwellend oog zich van zijn traan ontdoet;
Lach, schuldbesef, noch wijsheid zijn mijn deel;
Maakt spotten dan mijn oude zeer weer heel?
Is niet ons lief, de schone Religie,
Even zeer heel onze ziels devotie
Waard, als in de eerste blinde eeuw de Deugd?
Wordt lust niet zo gedempt door hemelvreugd
Als door aardse eer? Ah, is ’t zo dat zij
Met minder hulp, in ’t eind meer zijn dan wij?
En zal je vaders geest daar ’n blinde wijsgeer zien
Wiens strikt gedrag geldt als geloof, misschien?
En van hem horen, schoon hij jou ’n weg wees
Die zo begaanbaar leek, zijn grote vrees
Dat je verdoemd bent? Ducht dit, als je ’t waagt!
Het is een vrees die^om moed en daadkracht vraagt.
Steun je Hollands opstand? Met als lijkkist 
’n Houten schip, ten prooi aan stuurmanstwist,
Aan stormgeraas, aan honger, of ’t kanon?
Waag je een duik in zee, spelonk of bron?
Ontvlamt je moed voor dooiwerk aan het ijs 
Ver bij de Noordpool, op ontdekkingreis?
Of word je kikkerkoel, bij schroeigevaar
In ovens, brandstapels, of de evenaar
Die ’t lijf verdampt, als dreef ’t in een retort?
Lijd je graag voor baat? Wie ’t aan eerbied schort
Voor je “hemelse” vriendin wacht die het zwaard,
Of taal vol gif? Oh, moed, geen strohalm waard!
Lafaard der wanhoop, ben je dus zo koen
Werk voor Vijanden van jou^en Hem te doen,
Zijn perk mijdend, voor strijd zonder fatsoen,
Wiens schildwacht je was in ’t aards garnizoen?
Vijand één: de duivel; je bent bereid 
Hem te vleien; voor liefde niet, maar nijd  
Verkwist hij aan jou gretig heel zijn staat.
En, daar elk aards deel verwelkt en vergaat,
Is de aarde zelf je Vijand nummer twee,
Want, hoe vervallen ook, je dweept ermee, 
Verliefd ben je op die afgeleefde hoer.
Drie: vlees (zelf dood), fijn middel, smaakvol voer, 
Staat je aan, maar je ziel, die ’t vlees krachten gaf
Voor ’t smaken van de vreugd, die val je af.
Zoek ware godsdienst. Maar o, waar dan? Pieter  
Denkend dat ze ’t huis is uitgezet, ziet ’er
Hier niet, en zoekt in Rome omdat hij las
Dat zij daar duizend jaar geleden was;
Hij mint haar lompen, zoâls wij hangen aan
’s Konings machtsmantel gister afgedaan.
Johannes gruwt van zulk trouw liefdeswerk;
Hij houdt alleen maar van Genèves Kerk,
En zij is jong, gewoon, mismoedig, dom,
Minachtend, toch onknap; zoals alom 
Het oordeel onder geil geaarden geldt 
Dat slechts een boerenmeid als smakelijk telt. 
Erastus gaat nooit eens van huis, en daar
Een preker hier, een vuige huichelaar
Of nieuwlichter ginds, verdedigen
Dat slechts die vrouw hem kan bevredigen
Die hier woont, wordt dus zij voor hem besteld
Door zijn peetvaders, want voor hem geldt
Dat als pupil hij die vrouw nemen zal,
Of boet. Wantrouwig hekelt Thomas al
Die lieden, want elk sluit de ander uit.
Wie velen hoer weet, waagt zich aan geen bruid.
Hugo vindt allen één, en zoâls hij weet 
Dat elke vrouw per land zich anders kleedt,
Zo kent hij hen toch steeds als één van soort,
Zo kleedt, zo kent zich Godsdienst ook; en voort-
Brengt deze blindheid te veel licht; het gaat
Er dwingend om dat je er slechts één toelaat,
En zij de juiste; vraag je vader wie,
Hij de zijne; waar en vals zijn twee, die  
Als druppels zijn, maar waarheid is toch één;
Zoek haar met vlijt; geloof van mij alleen
Dat niet de slechtste is, wie ’t beste zoekt.
Wie protesteert, een beeld eert of vervloekt,
Kan slecht zijn; twijfel wijs; een vreemd geluid:
Recht op navorsing staan, sluit dwaling uit,
Slapen of fout gaan is verkeerd. Op ’n berg
Ruw en steil staat de Waarheid; hij die erg
Graag haar kent, moet rondom en rondom gaan,
Om steile abrupte weerstand te verslaan.
Maar breng je ziel, voordat doodsschemer wacht,
Tot rust, want werken kan niet in de nacht.
Willen houdt uitstel in, handel dus thans;
Zwaar werk sterkt ’t lijf, maar ook ’t verstand is mans
Genoeg voor ’n zwaar karwei, en ’n wonderwerk
Springt zeer in ’t oog, al verblindt ’t nog zo sterk.
Bewaar de waarheid die je vond; ’t gaat zo ver niet
Dat God de vorst volmacht tot doden biedt
Al wie hij haat. Benoemd is hij niet tot
Vicaris, maar scherprechter van het lot.
Stakker, gedoog je dat je ziel zich hecht
Aan mensenwet, die haar heus niet berecht
Bij ’t Laatste Oordeel? Ach, helpt zeggen dus
Dat Philips, Maarten of Gregorius,
Of Hendrik dit jou onderwezen had?  
Is ’t meer niet dan excuus voor loos debat,
Gelijk opgaand, met elk zijn winnaars wens?
Macht billijken vergt kennis van haar grens;
Te ver gaan schaadt haar naam en aard; daarbij
Wordt onderdanigheid afgoderij. 
Macht is als ’n wilde stroom; een bloem, die groeit
In kalmte aan zijn bron, gedijt en bloeit,
Maar heeft zij eens haar wortels losgerukt,
Dan, snel in stroom door ’t molenrad gedrukt
En tiranniek langs bos en rotsen wordt,
Al bijna weggerot, ze in zee gestort.
Zo^ook sterft de ziel, die kiest voor valse macht
Van God geëist, en op Gods trouw niet wacht.


 

Uit: Klankrijk en vol furie, 27 Verhalende en beschouwende Engelse gedichten uit de 16e-19e eeuw,
Gekozen, vertaald en toegelicht door Cornelis W. Schoneveld, Geïllustreerd, nieuwe nu tweetalige uitgave,
1001 gedichten.nl, 2012, pp. 42-49. ISBN 9789461934789.





SONG: Go and catch a falling star - Vertaling door Guido Vanhercke

Lied: Ga en grijp een ster die valt


Ga ja, grijp een ster die valt
Neem kinderhand voor toverkruid
Zeg mij wie de vele jaren haalde
Verklap wie kloof de duivelspoot
Leer mij zeemeermingezangen
Verweer mij tegen afgunstklachten
En vind
Die wind
Die eerlijkheid doet verwachten.

Zijn vreemde zichten je gegeven
Onzichtbaarheden die jij ziet
Rij duizend dagen, duizend nachten
Word grijs en oud, en kom je weer
Leer mij dan al die wonderen, al die tooi
Maar zeg
Met klem
Geen vrouw is eerlijkheid, geen is mooi.

En vind je haar, zeg het mij toch
Geen zoeter zoektocht toch dan deze,
Nee, zeg mij niets, gaan zal ik niet
Al is ze maar één deur van mij verwijderd
Al was ze trouw toen jij haar vond
Al bleef ze trouw bij elke brief
Nog voor
Ik kom
Steelt ze weer harten als een dief.







SONG: Go and catch a falling star Vertaling door Arie van der Krogt

Lied: Ga en vang een ster


Ga en vang een ster en laat dan
Een aluintak kinderen baren;
Wie doorklieft de hoef van Satan,
Zeg me, waar blijven de jaren.
Laat de zeemeerminnen zingen,
Laat geen afgunst ín mij dringen,
En leer
Mij weer
Opgaan in een geest van eer.


Heb je helderziende krachten,
Neem je wat ons vreemd is waar?
Rijd tienduizend dagen, nachten
Tot de tijd sneeuwt in je haar;
Als je ooit terug zult keren,
Met verhalen, zul je zweren:
Nooit zou
Een vrouw
Eerlijk kunnen zijn en trouw.


Vind je haar ooit, zeg het mij,
t Zou een zoete zoektocht wezen,
Nee, zeg niets, want ook als zij 
Van hiernaast is, ik zou niet gaan
Al wás ze trouw, toen jij haar vond,
En ook toen zij die liefdesbrief zond 
Dan nóg
Komt toch, 
Vóór ik haar tref, haar bedrog.




SONG: Sweetest love, I do not go Vertaling door Guido Vanhercke

Lied: Liefste lief, dat ik nu ga


Lied: Liefste lief, dat ik nu ga
Is niet omdat je me verveelt
Niet dat ik in deze wereld
Een beter beeld van liefde zoek,
Maar dat ik toch ooit
Dood moet gaan en dus
Mezelf als oefening wil plagen
Te leren sterven aan vergeefse liefde.


Gisteravond zonk weer de zon
Vandaag schijnt ze opnieuw
Zonder verlangen of gevoel
En kort is haar baan:
Dus vrees mij niet
Maar geloof dat ik
Nog vlugger reis, met meer
Vleugels en sporen dan zij kon.


Hoe zwak is mensenkracht
Als geluk het op wil geven
Geen uur wordt toegevoegd
Geen uur, verloren, weergebracht.
Maar komt de tegenslag,
Wij voegen geluk en ongeluk bijeen
Leren hen kunst en duur
Tot beider kracht.


Als jij zucht, het is geen wind die zucht,
Jij zucht mijn ziel uiteen.
Als jij weent, hardvochtig wezen,
Verstilt het merg van mijn leven.
Hoe kan het dat
Jij mij lief hebt, zo zeg je toch,
En mijn leven vergooit met het jouwe,
Jij bent het beste dat ik heb.


Laat je goddelijk hart
Mij van niets kwaads verdenken.
En zoekt het lot je, wil het
Je angsten uit doen komen,
Denk dan dat wij
Zij aan zij te slapen liggen.
Die elkaar het leven geven,
Worden nooit gescheiden.






SONNET: THE TOKEN -  Vertaling door Willem van der Vegt

(SEND me some tokens, that my hope may live)

Het teken

Stuur me toch tekens, dat mijn hoop mag leven,
dat mijn onrustig denken slaap vindt, rust,
Stuur honing, om mijn korf iets zoets te geven,
ik hoop het best, mijn passie me bewust.
Ik vraag geen lint, gebreid met eigen handen,
liefde en jeugd een wonderlijk verbond,
ik vraag geen ring, die toont wat ons ‘t verband is
van de genegenheid, zo vlak en rond,
zo raken onze liefdes zich in eenvoud,
ik vraag je niet om de koralen streng,
waarmee je congruent alles bijeen houdt,
en zo onze gedachten samen brengt,
niet om je afbeelding, zo vol genade,
het meest gevraagd, want uiteraard het best,
niet om geestige regels, overladen
is wat jij schrijft daarmee, aan mijn adres.
Stuur me dit niet, dat niet. Genoeg. Maar zweer
dat je weet dat ik van je houd. Niets meer.





THE SUN RISING - Vertaling door Arie van der Krogt

(BUSY old fool, unruly Sun)

Zonsopgang


Jij, dwaze zon, seniele man,
Wat doe je hier!
Kom jij mij wakker maken door een kier?
Bepaalt jouw ritme of ik minnen kan?
Pedante frik, bewaar je praat
Voor schoolknapen en winkelstand;
Zeg ‘t stalvolk dat de koning jagen gaat,
Roep maaimieren te oogsten op het land;
Liefde wordt niet door een seizoen gekleurd,
Waar uur, dag, maand de tijd aan flarden scheurt.

Dat jouw gestraal zo heilig is,
Wie zegt dat nou?
Eén kleine wenk en ik verduister ik jou,
Was het niet dat ik dan mijn liefste mis.
Verblindde zij niet eerder jou?
Kijk goed en zeg dan morgen mij
Of de twee Indiën van kruid en goud
Zijn waar ze waren, of hier aan mijn zij.
De vorsten die je gisteren daar zag:
Zijn beiden hier in één bed saamgebracht.

Elk rijk is zij, ik ben het die
Daar straks regeert;
Die vorsten doen ons na, hun trotse eer
Is namaak en hun weelde alchemie.
Zon, jij kan delen in ons licht,
Daar wij de hele wereld zijn;
Want lichter is, op jouw leeftijd, de plicht
Die te verwarmen, als je ons beschijnt.
Schijn hier op ons, dan straal je overal,
Ons bed als centrum, rond ons het heelal.





THE TRIPLE FOOL - Vertaling door Guido Vanhercke

(I am two fools, I know)


Driedubbel zot

Dubbelzot ben ik, ik weet het,
Dat ik liefheb, en daarover janken moet
In poëzie.
Maar wie van wijsheid wordt niet als ik
Als zij koppig weigeren blijft?
Zoals aardes nauwe kromme aderen
Het scherpe zout van zee weer lozen,
Zo, dacht ik, kon mijn pijn, gevangen
In plagerij van rijm, weer tot bedaren komen.
Smart die je kunt tellen, is niet zo scherp,
Wie ze telt in verzen, heeft haar getemd.

Dat is wat ik toen deed, maar iemand,
Als om zijn kunst en stem te tooien,
Vindt nu en zingt mijn pijn
En, tot verrukking van zovelen, laat weer
De smart los die toch was gekooid.
Van liefde en droefheid zijn de verzen zangers,
Al zijn ze anders dan waarmee lezen ons bekoort,
Toch worden beide groter als men ze hoort,
Twee keer een overwinning die zich toont.
En ik, dubbelzotte ik, zo word ik drie keer zot.
De beste zotten zijn de kleinste wijzen.





A VALEDICTION FORBIDDING MOURNING - Vertaling door Willem van der Vegt

(AS virtuous men pass mildly away,)


Een afscheidsrede die rouwen verbiedt


Gaan goede mensen, die hun ziel
toefluisteren te gaan, zacht heen,
dan zeggen vrienden vol verdriet
“Zijn adem stopt.” Of men zegt: “Nee.”

Dan smelten we, spreken niet meer,
geen tranenvloed, zucht vol geweld,
’t Doet aan de vreugde af, wanneer
ervan aan leken wordt verteld.

Als aarde beeft komt schade, vrees,
men zoekt naar een betekenis.
Maar als de hemel zich beweegt
weet men dat dat onschuldig is.

Liefde, saai in het ondermaanse,
zal, ziel als zin, afwezigheid
ontkennen, immers de gedaante
ervan raakt door dat weg zijn kwijt.

Wij die door liefde, zo verfijnd
dat we niet weten hoe dat kan,
vast van elkaar verzekerd zijn,
missen minder oog, lip of hand.

Onze twee zielen, één zijn zij.
Als ik ga, ondergaan ze niet
een breuk, ze worden uitgebreid,
zoals je dat met bladgoud ziet.

Want als ze twee zijn, zij die twee
de tweelingbenen van een passer.
Jouw ziel, het vaste deel, beweegt
mee met de ander, zit zelf vaster.

Het zit vast als het middelpunt,
en zwerft de ander soms ver weg,
dan volgt het, leunend, kantelend,
maar komt hij thuis, dan staat het recht.

Zo moet jij zijn voor mij. Ik moet
als ander been vaak schuin marcheren.
Jouw vast staan maakt mijn cirkel goed,
laat me bij het begin weerkeren.





WOMEN'S CONSTANCY  - Vertaling door Guido Vanhercke

(Now thou hast loved me one whole day)


Vrouwelijke standvastigheid 

Eén lange dag heb je me liefgehad.
Wat zal je zeggen, morgen, als je gaat?
Zal je je jongste eed toch ouder maken?
Of beweren
Dat we anders zijn dan toen je me zag?
Of dat liefdesadoratie, liefdestoorn
Een mensenmond zo makkelijk doen zweren?
Of zo waar als dood elk huwelijk ontbindt
Ook liefdesbanden, als een beeld daarvan,
Slechts duren tot de slaap, die kleine dood, hen vindt?
Of verwikkeld in rechtvaardiging
Van leugen en verandering, kan jij
Alleen nog leugen zien die waarheid is?
Schimmenjaagster, als ik wou, bond ik de strijd
Aan tegen jou, en ik zou van de schimmen winnen.
Maar ik doe het niet
Want morgen, misschien, ben ik je ook ontrouw.