Ideeënleer

Tekst: Julien Grandgagnage


Plato's Ideeënleer wordt nog het meest beeldend besproken in zijn allegorie van de grot. Hij maakt er voor de eerste keer melding van in de Phaedo.

Plato stelde vast dat niets in de gewone wereld om hem heen perfect was. Niets was perfect mooi, of perfect goed of perfect waar. En toch, dacht hij, moest er iets bestaan waaraan de dingen hun schoonheid, goedheid en waarheid ontleenden. Dat, zo was zijn redenering, waren de 'Ideeën'. Een beter woord voor deze abstracte entiteiten zou 'Vormen' zijn. Het was aan deze Vormen dat de aardse dingen zich spiegelden, waar ze volgens Plato wel 'deel' aan kunnen hebben, zonder de perfectie van de Vorm te bereiken. Alleen de menselijke ziel kon, door middel van een soort leerproces (zie allegorie van de grot) dezelfde 'goddelijke' perfectie bereiken. Precies daarin zag Plato de taak van de filosoof. (Zie Staat)


Verwerping van de zintuigen als bron tot kennis

Met deze opvatting doet Plato iets waar wij met onze moderne 'wetenschappelijke' opvoeding misschien verbaasd van opkijken. Wat hij doet is namelijk de zintuigen als een soort tweederangs middel tot kennis verwerpen. Volgens Plato kan immers alleen het verstand de 'Vormen' of 'Ideeën' schouwen. Wat we via onze zintuigen ervaren, heeft alleen betrekking op de onvolmaakte afspiegelingen van de onveranderlijke vormen.


Alles op een rijtje

Zijn redenering neemt ongeveer deze vorm aan:

  1. Alles om ons heen is vergankelijk, veranderlijk en dus onvolmaakt
  2. Wat onze zintuigen ons vertellen, heeft alleen betrekking op deze onvolmaakte objecten
  3. Vermits een filosoof zich alleen bezighoudt met volmaaktheid (van waarheid, schoonheid, goedheid enz.) moet hij zich uitsluitend richten naar dat volmaakte.
  4. Dat volmaakte is de transcendente wereld der Ideeën
  5. Deze vormen kunnen alleen door het verstand aanschouwd en begrepen worden
  6. Alleen de filosoof is in staat om die opgang naar ware kennis te volbrengen.
  7. Bij uitbreiding is alleen de filosoof geschikt om de staat te leiden


Hiërarchie der Ideeën

Verder probeert Plato de godsopvattingen te bevrijden van antropomorfistische voorstellingen. Hij zoekt eerder de 'Idee van het Goddelijke' en meent het terug te vinden in de 'Hoogste Idee van het Goede'. In dat verband is het belangrijk het volgende op te merken: een oppervlakkige kennismaking met Plato kan ertoe leiden om de Vormen (Ideeën) met de 'goden' te vereenzelvigen waarvoor zijn leermeester Socrates beschuldigd was. De Vormen zijn goddelijk in die zin dat ze perfect zijn, en mooi, en eeuwig. Maar de Vormen zijn slechts zwakke afspiegelingen van goden: ze zijn niet actief en niet levend. De Vormen zijn wel intelligibel, waardoor ze door het verstand, en uitsluitend door het verstand gekend kunnen worden. Evenmin is 'het Goede' en 'het Ene' te identificeren met een monotheïstische god zoals in het latere jodendom en christendom. Bij Plato is eerder sprake van een demiurg, een 'schepper-god die gebruik maakt van de aanwezige Vormen en het materiaal om een universum te scheppen. (Zie Timaeus voor Plato's kosmologie.) Van zuiver monotheïsme kun je bij Plato trouwens niet spreken, want de planeten, die regelmatige banen beschrijven en dus in zijn opvatting door een intelligentie gestuurd worden, ziet hij als (mindere) goden die de demiurg helpen bij het scheppen van het universum.