“Ieder kind is een kunstenaar.
De moeilijkheid is er een te blijven als je groot wordt.”
Pablo Picasso
Nut of zin?
Kunst komt steeds minder aan bod in onderwijs. Daar zijn allerlei redenen voor.
"Wiskunde en taal. Dat zijn belangrijke vakken."
"We hebben geen tijd voor kunst."
"Kunst. Dat is te moeilijk voor kinderen."
"Ik ben toch geen kunstenaar."
En toch maakt kunst ontegensprekelijk deel uit van het leven.
De mogelijkheid om verwonderd te zijn over de wereld om ons heen, om onze verbeelding in te zetten om die wereld anders te bekijken, om in een andere ‘taal’ en vanuit een andere invalshoek het leven en de wereld te benaderen, zijn net eigen aan ons mens-zijn.
Kunst gaat over schoonheid en lelijkheid, over verleden, heden en toekomst. Kunst gaat over de zinloze zinvolheid of over de zinvolle zinloosheid en staat daarmee in het leven zelf.
En net dat maakt kunst, ook in onderwijs, zinvol. Niet nuttig.
Zeven redenen voor meer kunst op school volgens Gerhard Jäger
omdat de kunsten woorden vinden voor het onzegbare
omdat de kunsten het hele spectrum van menselijke emoties helpen ontdekken
omdat de kunsten tonen dat vragen meer dan één enkel antwoord kennen en problemen meer dan één enkele oplossing
omdat de kunsten aanmoedigen tot kritisch denken en leren omgaan met tegenstrijdigheden
omdat de kunsten een waaier bieden van manieren om naar de wereld te kijken en hem te verstaan
omdat de kunsten stimuleren tot nieuwsgierigheid, de kracht van de verbeelding en de verwondering en ze sommige mensen helpen om een thuis te vinden in de kunst.
Al deze voorbeelden hebben één zaak gemeen: ze zijn niet meetbaar en blijken daarom minderwaardig in het courante onderwijsdiscours.
Kunst is alles
wat je doet
om niet
dood te gaan
van verveling.
Kennis geeft lucht aan je hoofd. Kunst geeft er licht aan. Kennis zorgt dat je geest dingen begrijpt, kunst zorgt dat je inzicht krijgt. Denk maar aan muziek die je mooi vindt.
Je steekt er niet per se iets van op, maar het verrijkt je wel. Dat is waarom kunst zo belangrijk is. Dat is de zin van kunst.
Kunst krabbelt als het ware met een nagel een gaatje in je hoofd zodat er licht door naar binnen valt. Maar wat als je dat hoofd in een donkere kast zet? Dan kan er geen licht meer bij. Dan gaat het hoofd dood.
Van verveling.
Juist.
Anders verwoord... door een ex-onderwijzer, nu lector in de lerarenopleiding
Toen ik aan de lerarenopleiding studeerde, kreeg ik muziek van mijnheer L. Wij leerden noten lezen, ontdekten het verschil tussen een fagot en een hobo, en we maakten kennis met de geschiedenis van de klassieke muziek. Op het examen moesten wij ‘transponeren’ en uit elk Musica-boekje (het rode, het gele en het blauwe) een liedje zingen met tekst én met noten. We moesten het ook foutloos op blokfluit kunnen spelen.
Voor het vak beeld moesten wij potloden kopen met nummers. Wij deden dan een soort van lijnenstudie: in de les trokken wij met die potloden met nummers lijnen op een blad om, tja, waarom eigenlijk? Wij leerden ook de techniek van het kleien: een neusje mag je niet plakken, néé: je moet het uit het bolletje duwen.
Voor onze stagelessen knutselden wij thuis een kaboutertje, een bladwijzer, een kaarsenhouder, en dat moesten de kinderen dan naknutselen.
Bij mijnheer M. leerden wij de focus verleggen van het product naar het proces. We verfden, we tekenden, we maakten collages, en op het einde van de les smeten we onze creaties in de vuilbak. Dat vonden wij heel rock ’n roll. Plots was de weg interessanter dan de bestemming.
Met die gedachte dook ik het werkveld in. Mijn muvo-lessen zagen er ongeveer zo uit. In het midden van de klas legde ik een berg materiaal – spijkers, papier, takken, plastic potjes, kroonkurken – en dan zei ik: Go! Maak een kerstman! Of ik ging naar het bos en ik zei: Go! Maak een muziekstuk! Of ik gaf de kinderen drie kaartjes: fiets, blauw, olifant. En dan zei ik: Go! Maak een toneeltje!
Op één of andere navorming leerde ik om ‘kunst’ te integreren. Vanaf dan zagen mijn muvo-lessen er ongeveer zo uit. Ik toonde de mannekes van Keith Haring en dan maakten we een eigen manneke à la Keith Haring. Of we luisterden naar Eminem en dan maakten we onze eigen klasrap. Of we keken naar de tuigen van Panamarenko en we bouwden een eigen Panamarenko.
Ik weet inmiddels wat ontbreekt in bovenstaande muvo-lessen. Van het na-knutselen van een kaarsenhouder, het maken van een kerstman uit een hoopje materiaal, tot het naschilderen van de ventjes van Haring, ik vergat de kinderen een reden te geven om muzisch te zijn. Ze deden maar wat. Ze knutselden iets na – een bladwijzer of een Panamarenko – gewoon, omdat ik dat beslist had. Of ze maakten een kerstman met plastic potjes, gewoon, omdat ik die had meegebracht. Het muzische werd in mijn lessen nooit beleefd of ervaren. Mijn lessen waren zielloos. Het was geen expressie, omdat er nooit een impressie was geweest.
Dat zou muvo in de lagere school kunnen zijn: kinderen leren dat en hoe ze in de taal van de kunsten iets (van zichzelf, van de wereld, van zichzelf in de wereld) kunnen uitdrukken. In mijn lessen godsdienst leer ik de studenten dat er twee talen in de taal zijn. Ik citeer dan de dichter-theoloog Huub Oosterhuis: de eerste taal is de taal van de logica, de objectieve informatie, de wetenschap. De taal van het telefoonboek: er staat wat er staat. Het is goed dat die taal er is. Maar als we willen spreken over de liefde en de dood, God en de mens, de hoogtepunten en de dieptepunten van het leven, dan schiet die taal te kort. Dan hebben we een tweede taal nodig. De taal van de beelden, metaforen, visioenen, dromen. De taal die we gebruiken om niet te moeten zwijgen. In die taal spreekt de Bijbel, leer ik mijn studenten. Natuurlijk heeft Jezus niet echt op het water gelopen. Maar de vertellers van toen konden niet beter over onvoorwaardelijk vertrouwen spreken dan met het beeld van een man die over water loopt.
Zo werkt ook de kunst, denk ik. Die tweede taal is ook de taal van de kunst. Dat doet ook de kunst: toch spreken waar woorden te kort schieten. Keith Haring kon niet krachtiger het schandaal van de Berlijnse muur aankaarten dan door er ventjes op te schilderen. Louise Bourgeois kon de liefde voor haar mama niet anders uitdrukken dan met een metershoge stalen spin. De jongeren van Fabuleus kunnen niet beter vertellen wat zij van onze wereld vinden dan in hun stuk Zero for Conduct. Haring, Bourgeois, de jongeren van Fabuleus: ze gebruiken tweede taal, beelden, de taal van het muzische, de taal van de kunst om toch nog iets zinvols te zeggen over dingen waarover je eigenlijk niet kan spreken.
En dat kunnen wij ook aan kinderen leren: dat je wel degelijk kan spreken over dingen waarvoor woorden te kort schieten. Dát je dat kan. Dát en hoe anderen dat kunnen. En ten slotte: hoe jij dat kan. Eén eindterm muvo: hoe kan je niet zwijgen?
Zo probeer ik het idee ‘kunstzinnig’ te begrijpen. Het is een ‘vak’ dat kinderen leert dát en hoe toch over het onuitspreekbare gesproken kan worden. Wat wil jij zeggen? Dat je bang bent in het donker? Hoe graag jij je mama ziet? Dat je jaloers bent op het vliegen van een vogel? Hoe verwonderd je bent over de kracht van een bulldozer? Dat jij kerstmis zo’n gezellig feest vindt? Maar vind jij de juiste woorden niet? Krijg je niet gezegd wat je eigenlijk zeggen wil? Geen nood. Je hoeft niet te zwijgen. Er bestaat een andere taal. Laat ons die eens verkennen. Kijk eens hoe anderen ze gebruiken. Probeer zelf maar eens. Heb je er wat aan?
Martijn Biront