Runen zijn oud-Germaanse schrifttekens, letters, een ‘alfabet’. Het runenalfabet wordt Futhark genoemd naar de eerste 6 letters van de runenreeks. De th is één letter en wordt geschreven als een p op halfstok. Deze runenletter is de derde letter van links in het schema hieronder.
Runen waren in gebruik in Noord- en Oost-Europa van ongeveer 200 tot 1600 na chr.
In wetenschappelijke kringen wordt tegenwoordig aangenomen dat het runenschrift een verbastering is van het Latijnse Alfabet. Wanneer je naar de bovenste rij kijkt in het schema hierboven, dan zie je dat het eerste teken lijkt op een F. Het tweede teken lijkt wel een beetje op een N. De Noord-Germanen hebben dus de tekens over genomen, maar er vaak andere klankwaarden aangegeven.
Men denkt dat de Germanen die in het gebied woonden dat we nu Denemarken noemen, het idee van een schrift hebben afgekeken van de Romeinen. Deze Deens-Germanen hadden regelmatig contact met de Romeinen, o.a. omdat ze hen barnsteen verkochten.
De Romeinen schreven op materiaal (papyrus en kleitabletten) waarop het makkelijk was om ronde vormen te maken. Runen daarentegen werden gekrast in hout, metalen, steen of been (bijvoorbeeld van een walvis) zodat het logischer is om rechte lijnen te gebruiken. Het aardige is ook dat er veel hout werd gebruikt om op te ‘schrijven’ en dat er in de Runen geen horizontale dwarslijnen voorkomen. Dit zou te maken hebben met het feit dat door de nerven in het hout, horizontale lijnen niet goed zichtbaar zijn.
Het ‘krassen’ van runen werd ‘ritsen’ genoemd. Iemand die het runenschrift beheerste noemden men een runenmeester. Het materiaal waarop geschreven werd, leende zich niet voor het opschrijven van grote stukken tekst en dit werd dus ook niet veel gedaan. De runen werden meestal gebruikt voor korte boodschappen. Vandaag de dag hebben we nog veel runenstenen die langs de kant van de weg stonden als gedenksteen om een overleden familielid te eren. Ook werden runen gebruikt op voorwerpen om de bescherming van de goden te vragen en soms als vervloeking.
Iedere rune vertegenwoordigt een klank. Om de klanken makkelijker te kunnen onthouden, kregen de runen namen. F is Fehu wat ‘vee’ betekent. U is Uruz wat ‘oeros’ betekent.
In wetenschappelijke kringen zien ze die woorden als een hulpmiddel om de ‘klank’ te onthouden. Dus A is Aap en B is Bakker en om het nog wat makkelijker te onthouden kun je daar een gedichtje van maken: “A is een Aap dat eet uit zijn poot. B is de Bakker die bakt voor ons brood. C is Charlotte, die drinkt chocolaad.”