Lang geleden werd het stadje Dorestad opgeschrikt door de komst van de Vikingen. Machteld de dochter van koopman Gerrit, was de eerste die de drakenschepen zag. Schreeuwend liep ze door het dorp: 'De Vikingen komen eraan! Help, de Vikingen!'
Sommige mensen sloegen meteen op de vlucht. Anderen renden naar de rivier om te kijken. Ja, Machteld had gelijk, de Vikingen kwamen eraan met honderd schepen tegelijk. Er werd gehuild, er werd gegild.
'We moeten iets doen,' zei koopman Gerrit. 'Ja, maar wat?' riep boer Binnert. 'Ik kan wel vluchten, maar moet ik dan mijn vee achterlaten?'
'Je hebt gelijk,' zei Gerrit. 'Het maakt niets uit. Wat we ook doen, we raken alles kwijt. De Vikingen zullen mijn pullen stelen en jouw dieren opeten.'
'Ik blijf,' zei boer Binnert. 'Laat ze maar komen.'
'Dan blijf ik ook,' zei koopman Gerrit.
De mannen die helemaal uit Noorwegen, Zweden en Denemarken waren gekomen, legden hun schepen aan. Ze wandelden brutaal door de stad. Ze vroegen niets, maar pakten gewoon wat ze nodig hadden. Niemand durfde hen tegen te houden. Ja, toch. Koopman Gerrit stapte naar voren en zei dapper: 'Blijf van onze spullen af.'
De Vikingen keken naar hun hoofdman. De schraapte zijn keel en bulderde: 'Ik ben Rorik. We zijn ontdekkingsreizigers. Wij zijn op zoek naar eten, naar land en naar rijkdom. Ga aan de kant.'
De koopman liet zich niet wegjagen. Hij vroeg: 'Komen jullie uit een arm land waar geen eten is?'
Rorik zette zijn handen in zijn zij.
'In het Noorden is het vaak koud. Wij hebben niet zoveel land als jullie. Overal zijn heuvels, bergen en rotsen, waarop niets groeit. Mijn vader is de koning van de Denen. Als hij dood gaat wordt mijn broer de nieuwe koning. Hij krijgt al het land. ik krijg niets. Daarom ben ik op zoek naar nieuwe landen.'
'Maar wij wonen hier al', zei koopman Gerrit. 'Dit is ons land. Onze ridders en onze koningen vinden het vast niet goed als je zomaar zijn land inpikt'.
Rorik de Deen zei: 'Dan moeten we er maar om vechten. De sterkste wint.'
Er viel niet veel te vechten. De koning en zijn ridders lieten zich niet zien en dus laadden de Vikingen hun drakenschepen vol met eten en drinken en dure spullen. Ze roofden boerderijen leeg en staken ze in brand. Hetzelfde deden ze met de kloosters en kerken. Bisschop Hunger van Utrecht werd zo bang dat hij wegvluchtte om nooit meer terug te keren.
Rorik vertrok. De mensen in Dorestad haalden opgelucht adem en begonnen de schade te herstellen. Huizen werden gerepareerd en ze begonnen weer handel te drijven.
Maar een paar jaar later klonk het opnieuw: 'De Vikingen komen!'. Weer verschenen de drakenboten van de Vikingen op de rivier de Rijn. De mensen bibberden van angst en durfden zich niet te verzetten. Begon het roven, plunderen en brandstichten nu opnieuw? Nee. Rorik had een heel ander plan. Hij zei: 'Ga maar weer rustig aan het werk. Jullie hoeven niet bang te zijn.'
Boer Binnert stapte naar voren en vroeg: 'Wat komen jullie dan doen?'
'Wij komen hier wonen,' zei de Deen. 'Vanaf nu ben ik de koning van Dorestad.'
Aarzelend gingen de mensen aan het werk. Wat konden ze anders doen? Niemand was sterk genoeg om de Vikingen aan te vallen. Rorik was heer en meester in de stad en daar was niets aan te doen. Na een poos raakten de mensen gewend aan de mannen uit het Noorden. Sommige meisjes vonden de Vikingjongens wel leuk en stoer. Eigenlijk was het ook wel fijn dat de Vikingen er nu waren, nu hoefden de mensen in Dorestad niet meer bang te zijn voor andere rovers en plunderaars. Koning Rorik beschermde hen.
Toch kwam er een dag dat de Vikingen aan boord van hun schip gingen en wegvoeren. Boer Binnert, koppman Gerrit en zijn dochter Machteld keken de Vikingen na. Gingen ze verder op rooftocht? Of hadden de mannen uit het Noorden heimwee gekregen naar hun familie en naar hun land? Niemand die het wist.
Machteld keek nog vaak uit over het water van de rivier. Maar de Vikingen bleven voor altijd weg. Om rovers en vijanden tegen te houden werd er in Dorestad een dikke rond kasteeltoren gebouwd: kasteel Duurstede. Dorestad kreeg een nieuwe naam: Wijk bij Duurstede.
En zo... is het echt gebeurd.
Uit: Lang geleden- Arend van Dam en Alex de Wolf