Marie de France


Nederlandse teksten en vertalingen: Jules Grandgagnage

Eén Marie of drie Maries?

In de jaren 1160 droeg een auteur die zichzelf voorstelde als 'Marie' een verzameling Bretonse verhalen of lais op aan een nobele koning ('noble reis'), hoogstwaarschijnlijk Henry II Plantagenet. Enige tijd later schreef een 'Marie' die aankondigt dat ze 'de France' is, de Fables, die ze naar eigen zeggen vertaalde uit koning Alfreds Engelse vertaling van de fabels van Aesopus; deze wijdde ze aan 'le cunte Willame' (graaf William). Ten slotte werd L'Espurgatoire Seint Patriz, een verslag van de reis van een Ierse ridder naar de onderwereld, rond 1190 vertaald uit een religieuze tekst van monastieke oorsprong. De tekst was geschreven in de volkstaal ten behoeve van een lekenpubliek, en de schrijfster... was ene 'Marie'. In de loop van haar carrière produceerde 'Marie de France' dus werken in drie verschillende genres - Bretons verhaal, dierfabel en spirituele reis - waarvan de onderwerpen variëren van prachtige liefdesverhalen tot scherpe observaties van dierlijk en menselijk sociaal gedrag, en tot slot, het geven van een visie op zonde en verlossing. Haar bekendste werk zijn de lais, twaalf korte verhalen, die meestal honderd tot vijfhonderd achtlettergepige versregels tellen en gaan over zeer uiteenlopende onderwerpen. Sommige gaan over overspel (Equitan, Bisclavret), andere over hoofse liefde (Chaitivel, Chèvrefoil).

Marie de France (Frankrijk, late 12e eeuw) was de eerste Franse middeleeuwse dichteres die ons bekend is. Veel is er niet over haar geweten. Het weinige dat over haar bekend is, wordt afgeleid uit haar geschriften en uit enkele toespelingen van schrijvers uit haar tijd. Ze was afkomstig uit Frankrijk en werkte waarschijnlijk aan het Engelse hof. Dat we haar 'Marie de France' noemen, komt doordat we vermoeden dat Marie haar voornaam was en ze van Franse origine was. In de epiloog van Ysopet schreef de auteur Marie ai num, si suis de France, wat zoveel betekent als Ik kom uit Frankrijk, mijn naam is Marie. "France" betekent hier: Île-de-France, haar geboortestreek. Ook in haar Lais en in L'Espurgatoire Seint Patriz zinspeelt de auteur erop dat haar naam Marie is. In werkelijkheid zijn dit allemaal gissingen. Het is niet mogelijk te achterhalen waar ze is geboren, wie haar ouders zouden zijn geweest, of ze nu getrouwd of ongehuwd was, waar ze woonde en of ze nu in een klooster of aan het hof woonde, in Engeland of Frankrijk. Zelfs haar naam en of ze werkelijk een vrouw was, is onzeker.

Denis Pyramus, een Engelse monnik uit die tijd, spreekt in de inleiding van zijn gedicht Vie Seint Edmund le Rey (ca. 1240) over een zekere dame Marie, die verzen of lais schreef, die weliswaar niet op waarheid berustten, maar waarvoor zij nochtans zeer geprezen werd door graven, baronnen en ridders. Uit haar werk blijkt dat ze op een of andere manier te maken had met het hof van koning Hendrik II van Engeland, echtgenoot van de beroemde koningin Eleanor van Aquitanië.

Marie de France was meertalig. Zij schreef waarschijnlijk in het Francien (het dialect van haar geboortestreek Île-de-France), met enige Anglo-Normandische invloed. Ze was bedreven in het Latijn, net als de meeste schrijvers en geleerden uit die tijd, evenals het Middelengels en mogelijk het Bretons.

Drie van de vijf overgebleven manuscriptkopieën van de Lais zijn geschreven in het Frans van het continent, terwijl het manuscript British Library MS Harley 978 is geschreven in het Anglo-Normandisch Frans uit het midden van de 13e eeuw, geschreven in een dialect van de kopiist.

Er worden momenteel vier werken toegeschreven aan Marie de France. De manuscripten waarin haar gedichten bewaard zijn gebleven dateren uit de late 13e of zelfs de 14e eeuw, maar het taalgebruik plaatst de gedichten in de tweede helft van de 12e eeuw.

Op deze website vindt u Nederlandse besprekingen en vertalingen van de Lais.

Haar naam wordt vooral verbonden met het twaalftal liefdessprookjes, haar Lais, die ze opdroeg aan Henri II Plantagenet, en aan de fabels die ze opdroeg aan William de Mandeville, die als koning stierf in 1189. Volgens literatuurwetenschappers zouden de Lais zijn samengesteld in de periode tussen 1160 en 1178 en waarschijnlijk vóór 1170. Haar fabels, gedeeltelijke vertalingen die bekend werden als de Ysopë, ontstonden waarschijnlijk tussen 1198 en 1208, en de Espurgatoire zou rond 1190 zijn geschreven.

De Lais de Marie de France is een collectie van twaalf korte, verhalende gedichten in de Anglo-Normandische taal. Het zijn mogelijk verkorte versies van romances, opgedragen aan een onbekende koning, die geïdentificeerd werd als Hendrik II van Engeland.


  1. Proloog

  2. Guigemar: zie ook Nederlandse vertaling

  3. Equitan: zie ook Nederlandse vertaling

  4. Le Fresne ('De Es')

  5. Bisclavret ('De Weerwolf'): zie ook Nederlandse vertaling

  6. Lanval

  7. Les Deux Amantz ('De Twee Geliefden')

  8. Yonec

  9. Laüstic ('De Nachtegaal')

  10. Milun

  11. Chaitivel ('De Vier Smarten')

  12. Chevrefoil ('De Kamperfoelie'): zie ook Nederlandse vertaling

  13. Eliduc

Bretonse lais

Bretonse lais bestonden zeker voordat Marie de France ervoor koos de thema's die ze van Bretonse minstrelen hoorde om te zetten in poëtische verhalen in verzen in de volkstaal, maar ze was mogelijk wel de eerste die een nieuw genre van de lai in narratieve vorm presenteerde. De Lais vormen een verzameling van 12 korte verhalende gedichten geschreven in achtlettergrepige verzen die waren gebaseerd op Bretonse of Keltische legendes, die deel uitmaakten van de mondelinge literatuur van de Bretoenen.

De lais van Marie de France hadden een enorme impact op de literaire wereld. Ze werden beschouwd als een nieuw type literaire techniek, afgeleid van de klassieke retoriek en doordrenkt met zulke details dat ze een nieuwe kunstvorm werden. Haar lais variëren in lengte van 118 (Chevrefoil) tot 1184 regels (Eliduc), en beschrijven vaak hoofse liefde verstrikt in driehoeksverhoudingen met avontuurlijke verhalen, doorweven met Keltische magie.


Marie de France - Schilderij van Lin Barneveld, 2012

Marie de France, schilderij van Lin Barneveld, 2012

Marie en de liefde

In de meeste van haar lais associeert Marie de France liefde met lijden, en bij meer dan de helft daarvan gaat het om een ​​overspelige relatie. In Bisclavret en Equitan worden de overspelige minnaars streng veroordeeld, maar onder bepaalde omstandigheden lijkt Marie toch buitenechtelijke affaires goed te keuren: wanneer de bedrogen partner wreed is geweest en bedrog verdient en wanneer de minnaars elkaar trouw zijn, zoals in Guigemar. In Maries Lais houdt liefde altijd lijden in en zij eindigt vaak in verdriet, zelfs als de liefde wordt goedgekeurd door anderen.

De minnaars van Marie zijn meestal geïsoleerd en maken zich relatief weinig zorgen over iets buiten de onmiddellijke oorzaak van hun leed, of het nu een jaloerse echtgenoot is of een afgunstige samenleving. Marie de France concentreert zich op de individualiteit van haar personages en maakt zich niet erg druk over hun integratie in de samenleving.


ANDERE WERKEN

Ysopet

Ysopet is een verzameling fabels, vertaald van een Engels origineel dat Marie onterecht toeschreef aan Alfred de Grote, die het volgens haar uit het Latijn vertaald zou hebben. De collectie bevat veel fabels die van Phaedrus overgeleverd zijn, een aantal Oosterse verhalen, afkomstig uit joodse bronnen, met veel populaire, korte allegorische vertelsels, die tot de Reinaertcyclus behoren. Ze zijn veeleer bedoeld om te vermaken dan om te beleren. Marie beschrijft ook de ellende van de armen onder het feodale regime, maar ze predikt aanvaarding in plaats van verzet. De fabels werden volgens de Epilogue geschreven voor een zeker Count William, waarvan algemeen wordt aangenomen dat het William Longsword, earl of Salisbury is. De populariteit van de Ysopet blijkt uit de drieëntwintig manuscripten die er van overgebleven zijn.

L’Espurgatoire Seint Patriz

L’Espurgatoire Seint Patriz is een vertaling van de Tractatus de prugatorio S. Patricii (ca. 1185) van Henri de Salterey, wat de actieve periode van Marie de France situeert tegen het einde van de 12e eeuw.

La Vie Seinte d’ Audree

La Vie Seinte d’ Audree is een hagiografie van Sint Audrey, een heilige uit het Engelse Ely. De enige nog overblijvende kopie staat op een manuscript uit de vroege 14e eeuw, dat nu in het bezit is van de British Library. Onderzoekers situeren de compositie van het gedicht echter in de late 12e of vroege 13e eeuw. De regels waarin de auteur haar identiteit bekendmaakt hebben een treffende gelijkenis met wat we elders in het werk van Marie de France vinden.

Ici escris mon non Marie

Pur ce ke sois remembree

– La Vie Seinte Audree, vers 4624-4625

Me numeral pur remembrance

Marie ai nun, si sui de France

– Les Fables de Marie de France, epiloog, vers 3-4

Fabels

Samen met haar lais publiceerde Marie de France ook een uitgebreide verzameling fabels ("Ysopet"). Veel van de fabels die ze schreef, waren vertalingen van de fabels van Aesopus in het Engels en andere zijn terug te voeren op meer regionale bronnen, fabels die Marie de France in haar jeugd zou hebben gehoord. Tussen de 102 fabels van Marie de France zijn er geen concrete richtlijnen voor moraliteit, en mannen, vrouwen en dieren krijgen verschillende behandelingen en straffen.

Marie de France introduceert haar fabels in de vorm van een proloog, waarin ze het belang van moreel onderwijs in de samenleving uitlegt. In het eerste deel van de proloog bespreekt Marie de France het middeleeuwse ideaal van "clergie". Clergie is het idee dat mensen de plicht hebben om werken uit het verleden te begrijpen, te leren en te bewaren voor toekomstige mensen. In de proloog verwijst ze bijvoorbeeld naar de plicht van wetenschappers om morele filosofie en spreekwoorden te bewaren voor het nageslacht. De rest van de proloog van Marie de France schetst hoe Aesopus deze plicht voor zijn samenleving op zich nam en hoe ze nu zijn fabels en andere verhalen moet bewaren voor haar huidige cultuur.

Invloed op latere literatuur

Marie de Frances verhalen zijn een vorm van lyrische poëzie die van invloed was op de manier waarop de verhalende poëzie na haar werd geschreven. Zo volgden latere dichters haar gewoonte om aan de verhalen prologen en epilogen toe te voegen. Marie de France stond ook mee aan het begin van een nieuw literatuurgenre dat bekendstaat als ridderliteratuur, waarin hoofse liefde de hoofdrol speelt.

In de late 14e eeuw, ongeveer rond dezelfde tijd dat Geoffrey Chaucer The Franklin's Tale, op zichzelf een Bretonse lai, in zijn The Canterbury Tales opnam, schreef de dichter Thomas Chestre een Middelengelse romance die rechtstreeks gebaseerd was op Lanval van Marie de France, met een ridder genaamd Sir Launfal. In 1816 schreef de Engelse dichter Matilda Betham een ​​lang gedicht over Marie de France in octosyllabische coupletten, The Lay of Marie.

Maries lais behoorden tot de eerste werken die in het Oudnoors werden vertaald, waarin zij bekendstaan als de Strengleikar, een op de Lais geïnspireerde verzameling van 22 verhalen waarvan de titel 'Snaarinstrumenten' betekent.

TEKSTVERANTWOORDINGOudfranse teksten geredigeerd door Karl Warnke, Max Niemeyer (Bibliotheca Normannica)
AUTEURSRECHTDe Commons licentie CC BY-SA geldt voor alle teksten op deze website.Overname van de teksten is toegelaten, onder voorwaardevan naamsvermelding van de samensteller en vertaler:Jules Grandgagnage