Op de Veluwe zijn drie voorbeelden gevonden van ronde of hoefijzervormige aarden wallen waarbinnen werd gewoond, ook wel 'hunneschansen' genoemd. Zij dateren al van heel ver voor de middeleeuwen. In de buurt van Lunteren liggen ze bij Uddel, Rhenen en Oosterbeek.
In de middeleeuwen liggen nederzettingen op strategisch plekken, zoals op hogere grond. Hierdoor kunnen de bewoners het gebied er omheen controleren.
Rond 500 versterken boeren gezamenlijk hun boerderijen tegen rovers en wilde dieren met een gegraven gracht en houten palissaden.
In de loop van middeleeuwen breiden ze hun verdediging uit met een toren die dient als uitzichtpunt en vluchtplek.
Rond 1000 worden boeren door de adel betrokken bij het bouwen van stenen kastelen. Deze kastelen bieden dan ook bescherming aan de boeren.
Door verschillende archeologen worden Hunneschansen aangeduid als Saksische burchten of vroeg middeleeuwse ringwalburchten. Ze zijn eigendom van Saksische heersers over de Veluwe waar winning van ijzererts dan belangrijk is.
Een gangbare theorie is dat de Hunneschans bij het Uddelermeer is gebouwd om de winning en handel van ijzererts te beschermen. De Hunneschans ligt op een kruispunt van twee belangrijke routes voor de ijzerhandel.
De Hunneschans Uddelermeer is 100 tot 150 meter in doorsnede met een wal van 20 meter breed en 4 meter hoog. Aan de kant van het binnenterrein is geen wal aanwezig. Het water van het Uddelermeer stroomt in een gracht rond de burcht.
Andere Hunneschansen nabij Lunteren liggen in Rhenen en Oosterbeek.
In de IJzertijd bouwen de boeren hun boerderij niet ver van hun raatakkers (Celtic-fields). Ook wonen de boeren dicht bij elkaar.
Ze werken samen aan een versterking om roverbendes en wilde dieren te kunnen weerstaan.
Door grote dreigingen van buitenaf (bijvoorbeeld de Vikingen) veranderen sommige groepen boerderijen langzaam in een vesting.
De bescherming bestaat dan uit een gegraven gracht rond de boerderijen.
Met de vrijgekomen grond maken ze een kleine wal met een ring van houten palen (palissaden).
Bij groter gevaar gaan de kleine boeren uit de omgeving met hun gezinnen naar de rijke buurman met zijn veel betere beschermde boerderij. Daar zijn ze veilig en helpen ze mee de grote boerderij te verdedigen. Dit gebeurt vaak.
Daardoor gaat de rijke boer zich steeds meer specialiseren in het beschermen van de boeren uit de omgeving tegen de roversbendes. De boeren betalen hiervoor met een deel van hun oogst. Door deze opbrengsten kan de rijke boer de verdediging steeds beter organiseren.
De rijke boerderij groeit uit tot een mottekasteel (motte = opgeworpen heuvel).
Met de aarde die ze uit de gracht halen, maken ze een hoge heuvel.
Boven op de heuvel komt een houten toren met een houten omheining. De hoge toren zorgt v00r een goed uitzicht en een goede verdediging. Dichtbij en naast de heuvel zijn de woningen van de boeren. Door houten palissades en een gracht worden sommige woningen beschermd. De andere boerderijen staan buiten het mottekasteel.
De rijke boer wordt steeds machtiger en soms zelfs alleenheerser in zijn streek. Hij kan door de koning tot ridder worden geslagen.
Het aantal kastelen dat in het rijke Gelre gebouwd wordt tussen 1000 – 1500 is groot. Vanaf ongeveer 1000 gebeurt dit in steen.
In ons land kan dat in gebieden waar klei aanwezig is, want dan kan men stenen kneden, drogen of bakken.
Na 1000 worden de stenen kastelen door lage en hoge adel in opdracht van vorsten en landheren gebouwd, vaak vanuit een verdedigende functie in de twisten tussen Sticht en Gelre.
De bouw duurde vele jaren. Hierdoor ontstaat er een dorp naast het kasteel waar de bouwers een groot deel van hun leven doorbrengen.
Meestal wordt rond het kasteel een ringgracht gegraven.
Dicht bij Lunteren zijn latere vormen van deze ringgrachten nog zichtbaar bij kasteel Doorwerth, Bruynhorst en Renswoude.
Sommige kastelen, met direct omliggende bewoning, groeien vanaf de 12e eeuw, door de toenemende handel uit tot echte steden (bijvoorbeeld Wageningen en Amersfoort).
Kastelen staan vaak op een plek, waar je goed kan zien wie er aankomt. Dat geeft een veilig gevoel.
Niet alleen de mensen in het kasteel zijn veilig maar ook de mensen die dichtbij het kasteel wonen, zoals boeren en mensen in dorpjes.
Een vijand wil soms het kasteel veroveren.
Het kasteel belegeren blijkt een goede manier om te winnen. Dat kan met veel geduld. Dan verhongeren de mensen in het kasteel en geven ze zich uiteindelijk over.
Soms komt het wel tot gevechten.
De aanvallers schieten met pijlen, slingeren stenen met een grote katapult en gebruiken een stormram om de poort open te krijgen.
Ze klimmen met ladders over de muur. Natuurlijk proberen de mensen binnen het kasteel zich te verdedigen met pijlen, stenen, heet water en hete olie.
In de late middeleeuwen wordt het buskruit uitgevonden in China en geïmporteerd. De kanonnen schieten stenen uit de muren.
Het kasteel verliest zo steeds meer haar verdedigende functie.
Guédelon is een kasteel in Frankrijk dat in de 20e en 21e eeuw gebouwd wordt met middeleeuwse technieken. Het ontwerp is geïnspireerd op 13e-eeuwse bouwplannen.
Guédelon geeft antwoord op de vragen hoe een dergelijk gebouw tot stand kwam, waar de materialen vandaan kwamen, hoe het materiaal werd aangevoerd, en welke gereedschappen en hijswerktuigen werden gebruikt.
Tijdens de middeleeuwen was het transport van bouwmateriaal traag en duur dus werd gekozen voor een plek in het bos van Guédelon, vlak bij een steengroeve waar ook hout, klei, zand en water voldoende aanwezig zijn.
Mandenmaker
Touwslager
Smid
Timmerman
Timmerman
Tredmolen: de middeleeuwse hijskraan
Dakpan-oven
Vervoer van materialen