Christus Koning van het heelal
Afsluiting van het kerkelijk jaar. Met de encycliek Quas Primas van 11 december 1925 besloot paus Pius XI het hoogfeest van Onze Heer Jezus Christus Koning (Dominus Noster Iesus Christus Universorum Rex) in de liturgie van de Kerk in te voeren. Dit naar aanleiding van de 1600-jarige viering van het Concilie van Nicea (325).
‘Mijn koningschap is niet van deze wereld’, zegt Jezus tot Pilatus (Joh. 18,36). Jezus is een koning zonder paleis, troon, soldaten, rijkdom, macht en glorie. Hij is een koning die zijn hart opent voor mensen, die zich ophoudt met zieken, armen, bij mensen verblijft die niet meetellen. Een koning die op een ezel zit, die voeten wast, die een kroon van doorntakken krijgt opgezet en wiens troon het kruis is. Een koning die het wereldse koningschap op zijn kop zet. Het feest van Christus Koning verwijst naar het Rijk waarin juist de armen en kleinen gezien zullen zijn.
“Het Koninkrijk van Christus volgt de criteria van deze wereld niet. Zijn maatstaf is de liefde, de toewijding, de inzet voor de behoeftigen naar lichaam en ziel. Als we in het Onze Vader bidden dat zijn Rijk kome, dan vereist dat van ons dat we de bereidheid hebben de wil van onze Koning in ons eigen leven om te zetten. De Heer zal ons laten zien waarmee we onze medemensen kunnen helpen.” (paus emeritus Benedictus XVI in zijn Angelus-toespraak op Christus Koning, 23 november 2008).
De essentie van dit koningschap is op een indringende manier getoonzet door de Oostenrijkse componist Anton Bruckner (1824-1896) in het motet ‘Christus factus est‘. De liturgische kleur van dit hoogfeest is wit.
Vóór het Tweede Vaticaans Concilie werd Christus Koning gevierd op de laatste zondag van oktober. Sinds 1969 wordt het in de liturgie gevierd op de laatste zondag van het kerkelijk jaar, dus een week voor de advent begint.