De tijd tussen Paaszondag en Pinksteren wordt aangeduid als de Paastijd. In deze tijd staat de liturgie heel in het bijzonder in het teken van de verrijzenis van Christus. In het Getijdengebed worden de antifonen vervangen door Alleluia’s en in plaats van het Angelus, bidt men het Regina Caeli. Tot de hoogtepunten van de Paastijd behoren Beloken Pasen (de eerste zondag na Pasen, sinds 2000 ook bekend als de Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid), de Zondag van de Goede Herder (vierde zondag na Pasen, sinds 1994 ook bekend als Roepingenzondag) en de Kruisdagen die voorafgaan aan Hemelvaart, en tenslotte Pinksteren.

Pasen

Van de drie grote christelijke feesten (Kerstmis, Pasen, Pinksteren) is Pasen het meest essentiële. Het wordt gevierd op de zondag na de eerste volle maan in de lente. Christus’ dood en verrijzenis biedt bevrijding van zonden en hoop op eeuwig leven. Om zich goed voor te bereiden op het feest van de verrezen Heer, brachten de vroege christenen de nacht vóór Paaszondag wakend door. De Paaswake van onze tijd gaat terug op deze traditie. Ze begint met de zegening en het aansteken van de paaskaars, het meest kenmerkende symbool voor Christus’ verrijzenis. Onder het zingen van Lumen Christi (‘het licht van Christus’) wordt de grote en massieve kaars de kerk binnengedragen. Daar geeft ze het licht door aan de kaarsjes van de aanwezigen en wordt ze op een grote kandelaar geplaatst. Ze brandt dan gedurende de vieringen tot Pinksteren, de 50e dag na Pasen.