In het Frans maak je gebruik van een vast woordvolgorde. Voor het begrijpen van deze woordvolgorde is het belangrijk dat je een zin kunt ontleden in zinsdelen.
Hieronder zie je steeds een voorbeeld van een zinsopbouw.
Onderwerp, persoonsvorm, lijdend voorwerp.
Dit is de kortste zin die je kunt maken om iets te vertellen.
Wij hebben een hond.
Wij = onderwerp
hebben = persoonsvorm
een hond = lijdend voorwerp.
De functies van Nederlandse zinsdelen is hetzelfde als in het Frans. Het onderwerp van een Nederlandse zin is dus ook het onderwerp van een Franse zin.
Nous avons un chien.
Nous = onderwerp
avons = persoonsvorm
un chien = lijdend voorwerp
Het werkwoord 'faire' betekent doen of maken en is onregelmatig. Dat betekent dat je niet dezelfde regel kunt gebruiken als voor andere werkwoorden. Je leert dit werkwoord het beste door het uit je hoofd te leren.
Je leert het werkwoord dit jaar in de présent, de tegenwoordige tijd.
Ik doe / ik maak je fais
jij doet / jij maakt tu fais
hij / zij / men maakt/ doet il / elle on fait
wij maken / doen nous faisons
jullie maken / doen vous faites
u maakt / doet vous faites
zij maken / doen ils / elles font