In het Frans zijn er drie manieren om een vraagzin te maken:
De hele zin + vraagteken.
Ce sont les voitures vertes qui causent la plupart des accidents.
Ce sont les voitures vertes qui causent la plupart des accidents?
'Est-ce que' voor de hele zin zetten.
Ce sont les voitures vertes qui causent la plupart des accidents.
Est-ce que ce sont les voitures vertes qui causent la plupart des accidents?
Let op:
Als de zin begint met een klinker, dan schrijf je est-ce qu' in plaats van est-ce que
Il y a beaucoup de voitures vertes aux Pays-Bas.
Est-ce qu'il y a beaucoup de voitures vertes aux Pays-Bas?
Inversie toepassen: het omdraaien van het onderwerp en de persoonsvorm. Je zet dan altijd een streepje tussen onderwerp en persoonsvorm.
Tu conduis aussi une voiture verte.
Conduis-tu aussi une voiture verte?
Let op:
Begint de persoonsvorm met een klinker? Dan zet je een -t- tussen de persoonsvorm en het onderwerp.
Il a aussi une voiture verte.
A-t-il aussi une voiture verte?
Let op:
Is het onderwerp een naam? Dan voeg je een persoonlijk voornaamwoord toe aan je vraagzin.
Jacques conduit aussi une voiture verte.
Jacques conduit-il aussi une voiture verte?
Vraagwoorden kun je gebruiken om extra details te vragen. We kennen in het Nederlands de 5W's. Wie, wat, waar, waarom en hoe. Ja, hoe.
In het Nederlands kun je vraagwoorden op meerdere plekken in de zin zetten. In het Frans kun je vraagwoorden helemaal vooraan of helemaal achteraan de zin zetten. Twijfel je? Zet het vraagwoord dan vooraan de zin, daar past het namelijk altijd.
We kennen de volgende vraagzinnen:
Qui = wie
De qui = over wie