Je leert de regelmatige werkwoorden op -er
Je leert de ontkenning
Je leert iets te bestellen / te kopen
In het Frans bestaan regelmatige- en onregelmatige werkwoorden. Je hebt tot nu toe kennis gemaakt met het onregelmatige werkwoord avoir'.
In dit hoofdstuk ga je kennis maken met je eerste regelmatige werkwoorden. In het Frans bestaan er drie groepen:
Werkwoorden op -er (habiter, aimer, jouer, manger etc.)
Werkwoorden op -ir (choisir, finir, punir etc.)
Werkwoorden op -re (rendre, vendre, attendre, perdre)
De eerste groep (op -er) is het grootst. Bij deze groep horen ruim 280 verschillende werkwoorden die je allemaal op dezelfde manier vervoegt. Lekker makkelijk, toch?
We nemen in deze uitleg het werkwoord 'jouer' (spelen), 'habiter'(wonen) en 'manger' (eten) als voorbeeld.
Hieronder vind je een stappenplan waarmee je een regelmatig werkwoord op -er kunt vervoegen:
Haal -er van het hele werkwoord af. Je hebt nu de stam.
Nu moet je kijken naar het onderwerp (persoonlijk voornaamwoord). Wie doet het? ik, jij hij, zij, men, wij, jullie, u, zij. Weet je de persoonlijke voornaamwoorden niet meer precies uit je hoofd? Kijk dan even in hoofdstuk 1.
Nu je het persoonlijke voornaamwoord hebt gevonden, zoek je de uitgang die daarbij hoort.
je = e
tu = es
il/elle/on = e
nous = ons
vous = ez
ils/elles = ent
Plak nu de uitgang achter de stam. Je werkwoord ziet er als volgt uit: persoonlijk voornaamwoord, stam+uitgang.
Voorbeeld: Je joue, Tu joues, il joue, nous jouons etc.
Uitzonderingen:
Begint het werkwoord met een e, a, o, u, i of h? Dan is er sprake van klinkerbotsing. Bij de ik-vorm komt soms klinkerbotsing voor. Je schrijft dan niet je, maar j'.
Voorbeeld: je habite = j'habite
Voorbeeld: Je aime = j'aime
Eindigt de stam van een werkwoord op een g? Dan gebruik je bij de nous-vorm niet ons als uitgang, maar eons.
Voorbeeld: nous mangons = nous mangeons
Voorbeeld: nous voyagons = nous voyageons
Iets kunnen ontkennen is natuurlijk fantastisch. Ik heb mijn huiswerk niet gemaakt, ik snap het niet, of ik heb geen drie broers. Hieronder vind je een kort stappenplan voor het toepassen van de ontkenning in een Franse zin. Dit hoofdstuk leer je alleen de ontkenning niet en geen.
Belangrijke regel: de ontkenning bestaat altijd uit minimaal 2 woorden, ne ... pas. Die woorden zet je direct om de persoonvorm in de zin heen. Hier komen geen woorden tussen.
Zoek de persoonsvorm in de zin en onderstreep deze.
Zet ne voor de persoonsvorm en pas erachter.
Je hebt nu een ontkennende zin gemaakt.
Voorbeeld: Je joue au foot. Je ne joue pas au foot.
Uitzondering: Begint de persoonsvorm met een klinker Dan gebruik je geen ne ... pas maar n' ... pas.
Een ontkenning kan ook een antwoord zijn op een vraag. Bijvoorbeeld: heb jij je huiswerk gemaakt? Nee, ik heb mijn huiswerk niet gemaakt.
Wanneer je antwoord geeft op een vraag, verandert het onderwerp van de zin.
Voorbeeld: Tu joues au foot? Non je ne joue pas au foot.