Noodzaak
Een klik met elkaar en het aanbod
Een klik met elkaar en het aanbod
Download op hun site de nieuwste brochure over peergroeponderwijs
In maart 2014 presenteerde de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Sander Dekker een plan van aanpak met ruim 20 maatregelen om toptalenten in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs te stimuleren. Dit o.a. omdat uit PISA onderzoek blijkt dat in vergelijking met andere landen Nederland weinig excellent presterende leerlingen heeft. Het lijkt er dus op dat in Nederland talent verloren gaat. Verder op deze pagina vind je de conclusies uit het grootschalige onderzoek van Dr W. de Heer veelzeggend getiteld: "Gelijkheid troef in het Nederlandse basisonderwijs". Het is dus noodzakelijk om óók aandacht te geven aan die hele kleine groep van 2% hoogbegaafde leerlingen, die de potentie hebben om tot zeer hoge prestaties te komen. Maar het is zeker niet efficiënt om dat over te laten aan de individuele leerkrachten. Immers: 2% van bijvoorbeeld 25 leerlingen is .... een "halve" leerling. En of het efficiënt is het over te laten aan individuele scholen, zoals in veel samenwerkingsverbanden de "visie" is, is ook maar de vraag. De gemiddelde school in Nederland heeft 250 leerlingen, dat zou neerkomen op 5 leerlingen verdeeld over groep 1 tot 8. Ook niet efficiënt, niet haalbaar dus. Daarom pleiten wij voor bovenschools deeltijd onderwijs georganiseerd per wijk (of leefgebied). De samenwerkingsverbanden zijn in onze visie de aangewezen organisaties om dit te organiseren en te financieren!
Het was de in maart 2020 overleden Nederlandse professor Mönks die in 1985 als één van de eerste wetenschappers wereldwijd aandacht vroeg voor het belang van ontwikkelingsgelijken (peers) voor de ontwikkeling van een positief en realistisch zelfbeeld. Het peergroep onderwijs is grotendeels op zijn inzichten gebaseerd.
Maar misschien het overtuigendst, als het gaat om de noodzaak van peergroeponderwijs, is het vele onderzoek dat ondertussen ook in Nederland is gedaan en dat de positieve effecten van peergroeponderwijs onderstreept. Kijk daarvoor op de pagina over opbrengsten.
In 2017 verscheen TOP 20 PRINCIPES UIT DE PSYCHOLOGIE VOOR HET ONDERWIJS AAN EN HET LEREN VAN CREATIEVE, GETALENTEERDE EN BEGAAFDE LEERLINGEN VAN DE VOOR- EN VROEGSCHOOLSE EDUCATIE, HET BASISONDERWIJS EN HET VOORTGEZET ONDERWIJS van de APA, in 2020 in het Nederlands vertaald door Anouke Bakx, PhD, Elise Samsen-Bronsveld en Lianne Hoogeveen, PhD van de Radboud Universiteit en POINT.
Daarin staat bij principe 13 het volgende: Het groeperen van begaafde kinderen is een van de fundamenten van een passende onderwijspraktijk voor begaafden. Het biedt toegang tot een groep met ontwikkelingsgelijken en vergemakkelijkt het bieden van een passend, gedifferentieerd curriculum aan leerlingen met vergelijkbare onderwijsbehoeften. Om aan de schoolse en sociaal- emotionele leerbehoeften van begaafde leerlingen te voldoen, wordt geadviseerd om in elke ontwikkelingsfase het volgende te bieden aan begaafde leerlingen: leren in meerdere sociale contexten; gedifferentieerde onderwijservaringen, waaronder specifieke groeperingsvormen; aanpassingen qua niveau, diepte en tempo van het curriculum en buitenschoolse programma’s.
Het steunpunt meer- en hoogbegaafdheid van samenwerkingsverband 30.06, o.a. bekend van hun vertaling van de denksleutels van Tony Ryan, hebben in 2020 een factsheet en handboek "plusklassen" samengesteld. Wij hoeven het wiel niet opnieuw uit te vinden, dus we verwijzen er graag naar: Factsheet / Handboek. Overigens veel is ook terug te vinden in het rapport dat ons samenwerkingsverband in 2014 ontving. Een link naar dat document vind je op de homepage van deze website.
Betts en Neihart hebben in 1988 en 2010 onderzoek gedaan om te zien of er uitgaande van de criteria aanpassen en presteren profielen gemaakt konden worden van hoogbegaafde leerlingen. Zij kwamen tot 6 profielen.
De zelfsturende, autonome leerling; heeft op de één of andere manier zelf de balans gevonden tussen aanpassen en jezelf blijven. De leerling krijgt ook de mogelijkheid om om school te presteren overeenkomstig zijn of haar mogelijkheden en doet dat ook. Het onderwijs is dus passend voor deze leerling: zit goed in het vel en presteert op niveau. De ideale leerling in een ideale onderwijssetting. Peeronderwijs blijkt niet nodig.
De uitdagende, creatieve leerling: (vaak jongens) past zich nog te weinig aan om goed in de groep te passen, maar is wel zichzelf. Zijn creatieve, associërende manier van denken past niet bij de analytische aanpak die op school gevraagd wordt. Op toetsen presteert hij daardoor meestal onder zijn niveau. Het onderwijs is dus niet passend en omgekeerd kun je ook zeggen dat hij ook niet altijd in de groep past. Peeronderwijs zou het onderwijs passender voor hem kunnen maken.
De aangepaste succesvolle leerling: (vaak meisjes) past zich aan aan de groep, maar verliest daardoor zichzelf. Presteert net zo goed als de andere goed presterende meisjes, maar omdat haar mogelijkheden groter zijn dan die van de andere meisjes presteert zij dus (relatief) onder en bovendien is zij dus niet zichzelf. Het onderwijs is dus niet passend voor haar. Peeronderwijs zou het onderwijs passender voor haar kunnen maken.
De onderduikende leerling: wil een gewone leerling zijn, niet opvallen is zo belangrijk voor deze leerling dat hij of zij daarvoor desnoods foute antwoorden geeft. Ander werk dan de gemiddelde leerling wordt beslist afgewezen. Als de talenten van deze leerling al opgemerkt worden, is het erg lastig om voor zo'n leerling passend onderwijs in de eigen klas te creëren. Deelname aan peeronderwijs zou kunnen helpen, maar dan moeten wel de nodige hobbels genomen worden.
De dubbel bijzondere leerling: heeft naast enorme cognitieve talenten ook last van leer- of gedragsbeperkingen zoals dyslexie, autisme of ADHD, daardoor past het kind soms moeilijk in de groep en komt het ook niet tot prestaties overeenkomstig zijn of haar cognitieve capaciteiten. Het onderwijs is dus niet passend. Peeronderwijs zou kunnen helpen om ook de broodnodige aandacht te kunnen geven aan de talenten van het kind.
De risicoleerling: komt op basisschoolleeftijd gelukkig nog niet vaak voor: deze leerling heeft school opgegeven, ziet soms zelfs het leven als zodanig niet meer zitten. Is een (potentiële) thuiszitter. Het onderwijs is dus allesbehalve passend geweest. Een individueel traject waarbij onderwijs en zorg samenwerken zal nodig zijn om deze leerling weer op de rit te helpen.
onderwijs aan deze leerlingen nagenoeg niet wordt toegepast in het basisonderwijs, omdat drie dominante overtuigingen in de Nederlandse samenleving dit belemmeren en omdat de onderwijs- en beleidsactoren op samenlevings-, hogeschool- en basisschoolniveau ook niet of onvoldoende over deze kennis beschikken.
Die drie overtuigingen die, vaak onbewust, een grote rol in de besluitvorming spelen zijn:
-Er is geen specifieke aandacht nodig, want hoogbegaafde leerlingen komen er wel. Extra aandacht geven aan deze leerlingen gaat ten koste van de andere leerlingen. Er wordt gedacht dat andere leerlingen de begeleiding harder nodig hebben. Dit stagneert een stijgende leerlijn voor de hoogbegaafde leerlingen om hun potentieel te ontwikkelen.
-Er bestaat emotioneel verzet tegen aangepast onderwijs voor de zogenoemde ‘intellectuele elite’. Dit wordt gevoeld als voortrekken. De ‘gelijkheid troef’ oftewel iedereen is gelijk, is de politieke trend. Er wordt gedacht dat heterogene groepen voor elke leerling beter is. Dit stagneert onderwijs met ontwikkelingsgelijken (peers).
-De doctrine ‘vroeg wijs, is vroeg zot’ is hardnekkig. Dit betekent dat we het als schadelijk zien voor de toekomst van hoogbegaafde kinderen om ze op jonge leeftijd ‘wijs’ te maken. Dit stagneert het vroeg signaleren (peuters/kleuters), extra stimuleren of diverse vormen van versnellen.
Wat De Heer ook aantoont is dat deze overtuigingen berusten op misconcepties, maar wel passend onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen in de weg staan.
De bescherming van de rechten van minderheden wordt gezien als de pijler van de mensenrechten. Hoogbegaafde leerlingen vormen ook een minderheid, met alle gevaren van dien. Sonja Morbé schreef op haar website daarover het volgende:
Je hebt geen aansluiting.
Je gaat denken dat je raar bent.
Mensen gaan geen relatie met je aan: vriendschappen, feestjes ga je missen.
Materiële zaken passen niet bij je: in het onderwijs bijvoorbeeld de lesmethode.
Je moet jezelf vaak uitleggen in je ‘afwijking’.
Je ervaart geen begrip of erkenning.
Je wordt gezien als moeilijk of lastig.
Je komt niet in aanmerkingen voor dingen, omdat je niet voldoet aan de norm.
Je moet eerst aan voorwaarden van de norm voldoen, om daarna jezelf te kunnen laten zien.
Je kunt je niet van je beste kant laten zien, omdat aanpassing gewenst is.
Er wordt verwacht dat je ook wel een keer gewoon kan doen.
Renata Hamsikova schreef op haar website over de rechten van hoogbegaafde kinderen o.a. het volgende:
Inclusie! Onderwijs afstemmen op de behoefte van de leerling en niet andersom. Deeltijd aanwezigheid moet mogelijk zijn (Salamanca Statement and Framework for Action on Special Needs Education 1994).
Het onderwijs dient te zijn gericht op de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind (art. 29 Kinderrechtenverdrag).