Nog tijdens de Tweede Wereldoorlog beslisten de regeringen van België, Nederland en Luxemburg om nauwer te gaan samenwerken. De BeNeLux ging in 1944 van start als douane-unie. Hierdoor werd vrij verkeer van kapitaal, goederen en diensten tussen de drie landen mogelijk en kwamen er uniforme invoerrechten in de drie landen.
Na de Tweede Wereldoorlog zagen de Europese leiders in dat samenwerking noodzakelijk was om de vrede op het continent te behouden. De Sovjet-Unie rukte steeds verder op naar het Westen. Het door oorlog verwoeste Europese vasteland was te zwak om in zijn eigen veiligheid te voorzien en de Verenigde Staten van Amerika zagen in dat een niet-communistisch Europa essentieel was voor de voorspoed van Amerika. Hierop ontwierp Amerikaans Secretary of State George C. Marshall het "European Recovery Plan" of kortweg Marshallplan. In het kader van het Marshallplan maakten de Verenigde Staten zo'n 13 miljard dollar vrij om de Europese economie terug op te bouwen en de verdere verspreiding van het communisme tegen te gaan.
Om de verdeling van het geld en de wederopbouw van Europa in goede banen te leiden, werd in 1948 de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES) opgericht. De OEES spleet Europa echter in twee. De Sovjet-Unie verbood haar satellietstaten deel te nemen aan dit 'dollarimperialisme'. Met de toetreding van de VS en Canada in 1960 werd de OEES omgevormd tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).
In september 1946 sprak Winston Churchill zich uit voor de creatie van een 'Verenigde Staten van Europa' en de oprichting van een Raad van Europa. Hoewel politici uit heel Europa achter het voorstel stonden, bestond er discussie over de aard van de organisatie. Groot-Brittannië wilde niet teveel bevoegdheden afstaan en pleitte voor een intergouvernementele organisatie. Hierbij nemen ministers uit de verschillende lidstaten samen beslissingen met unanimiteit. Continentaal Europa was eerder voorstander van het supranationale model waarbij beslissingen worden genomen bij meerderheid en lidstaten door de andere gedwongen kunnen worden bepaalde beslissingen door te voeren. Hierbij geven de lidstaten met andere woorden een deel van hun soevereiniteit uit handen De Raad van Europa werd uiteindelijk een intergouvernementele instelling.
[een foto van W. Churchill]
De Raad van Europa bestaat nog steeds, maar valt buiten de Europese Unie. De Raad telt 47 leden en probeert de onderlinge relatie tussen de Europese landen te bevorderen. Verder houdt de Raad van Europa zich vooral bezig met mensenrechtenkwesties. Zo is de Raad van Europa belast met het toezicht op de naleving van het Europees Mensenrechtenverdrag (EVRM) door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)
[een tekening van Europese burgers die strijden om hun rechten]
In 1950 nam de Franse Minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman het initiatief voor de uitbouw van een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Frankrijk en Duitsland ontleenden een groot deel van hun militaire en economische macht aan de steenkool- en staalproductie. De EGKS smolt de Franse en West-Duitse markt voor kolen, ijzer en staal samen. Dit zorgde enerzijds voor economische groei en werkgelegenheid, maar tegelijkertijd verminderde de samenwerking de kans op een groot militair treffen tussen Frankrijk en West-Duitsland. De samenwerking stond open voor andere landen en bij de oprichting van de EGKS in 1951 traden naast Frankrijk en West-Duitsland ook Italië en de BeNeLux tot de organisatie toe.
Met de Verdragen van Rome (1957) versterkten de zes EGKS-landen hun economische samenwerking door de oprichting van de EEG en Euratom. De Europese Economische Gemeenschap (EEG) zorgde voor een gemeenschappelijke markt en douane-unie. Euratom stond in voor de gemeenschappelijke ontwikkeling van kernenergie. In 1967 fuseerden deze drie Europese organisaties (EGKS, EEG en Euratom) tot de Europese Gemeenschap (EG)
In 1973 traden het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken toe tot de EG. In datzelfde jaar zorgde een olie-embargo van enkele belangrijke OPEC-landen voor een zware economische crisis. De reacties van de afzonderlijke EG-lidstaten op de oliecrisis toonden aan dat solidariteit tussen de lidstaten soms ver te zoeken was.
Na de ineenstorting van het communisme in Oost-Europa en de Duitse eenmaking was de weg vrij voor een nauwere samenwerking tussen de Europese landen. Op 7 februari 1992 ondertekenden de twaalf landen van de EG (Griekenland, Spanje en Portugal waren in de jaren 1980 toegetreden) het Verdrag van Maastricht. Het verdrag moest niet alleen de werking van de Europese instellingen verbeteren, maar ook zorgen voor de invoering van een economische en monetaire unie (EMU). Verder kreeg het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vorm en moest de Europese samenwerking een sociale dimensie krijgen. Voortaan zou de Europese samenwerking niet meer uitsluitend gebeuren op economische vlak, maar ook op politiek, sociaal, monetair en juridisch vlak. Bovendien kreeg de Europese Gemeenschap een andere naam: de Europese Unie.
De ondertekening van het Verdrag van Lissabon is een grote stap in de vorming en hervorming van de Europese Unie. Het Verdrag werd op 13 december 2007 door alle leden ondertekend. De ratificatie van het verdrag stuitte echter op een Iers 'neen' tijdens een eerste referendum over de zaak. Na een tweede referendum in 2009 gaven de Ieren alsnog hun fiat waarna ook de Poolse en Tsjechische president hun handtekening zetten onder het verdrag.
[Aan te vullen met de chatbot.]