A Enkelvoudige en samengestelde zinnen herkennen
Een enkelvoudige zin heeft één persoonsvorm en één onderwerp. Zo’n zin beschrijft een gebeurtenis, toestand of mening en is vaak erg kort. Een tekst met enkel enkelvoudige zinnen komt erg zakelijk, maar ook houterig en onbeholpen over. Samengestelde zinnen voegen twee of meer korte zinnen samen. Het verband tussen de twee zinnen wordt daarbij aangegeven, meestal met een voegwoord. Dat kan op twee manieren.
Bij nevenschikking worden twee hoofdzinnen aan elkaar gekoppeld. Beide mededelingen zijn dan gelijkwaardig; ze zijn dus even belangrijk. Je gebruikt daarvoor de nevenschikkende voegwoorden en, maar, dus, want of of, of je gebruikt een komma of een puntkomma. Met een nevenschikkende verband kun je op een vlotte manier meerdere gebeurtenissen of meningen achter elkaar plaatsen. De volgende is een goed voorbeeld:
Mijn motivatie verdween en dus deed ik de rest van het jaar niet veel meer aan school.
Nevenschikking heeft nog een tweede voordeel. Soms kun je bij nevenschikking zinsdelen samentrekken (weglaten). Naast de manieren die we al zagen, kun je zo woordherhaling vermijden. Dat maakt je schrijfstijl levendiger en ‘sneller’. Kijk maar naar de volgende twee zinnen:
Rosanne koopt een blauwe blouse. Rosanne trekt de blauwe blouse meteen aan.
Rosanne koopt een blauwe blouse en trekt hem meteen aan.
Nevenschikkende voegwoorden werken als ‘lijm’: je kunt er gemakkelijk deelzinnen mee aan elkaar plakken. Er is ook een risico. Als je te veel lijm gebruikt, wordt je schrijfstijl ‘kinderachtig’ en drammerig.
Rosanne koopt een blauwe blouse en betaalt hem van haar verdiende geld en ze trekt hem meteen aan, want ze is heel nieuwsgierig naar de mening
van haar vriendinnen.
Bij onderschikking worden een hoofdzin en een bijzin aan elkaar gekoppeld met een onderschikkend voegwoord. De bijzin kan niet als een losse zin worden geschreven, omdat hij een zinsdeel is in de hoofdzin. Met onderschikking kun je verschillende verbanden aangeven, zoals tijd of reden / gevolg.
Nadat Rosannes loon binnenkwam [bijzin], kocht ze meteen een blauwe blouse [hoofdzin].
Rosanne koopt een dure blouse [hoofdzin], omdat ze veel geld heeft verdiend [bijzin].
De zinsstructuur van onderschikkende zinnen is meestal moeilijker dan die van nevenschikkende zinnen, omdat ze een aparte woordvolgorde hebben. Het kan dan ook lastig zijn om onderschikkende zinnen foutloos te schrijven.
B Stijladvies: varieer in zinsbouw
Iedere zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt, vraagteken of uitroepteken. Die eisen staan vast, maar daarbinnen kun je eindeloos variëren. Zo kun je bijvoorbeeld enkelvoudige of samengestelde zinnen formuleren. Een enkelvoudige zin heeft maar één persoonsvorm en één onderwerp. Zo’n enkelvoudige zin is vaak kort en daardoor helder. Het is dus een goed idee om vaak enkelvoudige zinnen te formuleren. Vaak, maar niet altijd. Het is prettiger lezen wanneer in een tekst korte en lange zinnen voorkomen en als er een afwisseling is in zinsstructuren.
In de krant NRC Handelsblad verschijnt elke dag een ikje: een korte tekst waarin een lezer een grappige of opvallende gebeurtenis beschrijft die hem of haar is overkomen. De teksten hieronder zijn twee variaties van hetzelfde ikje. Niet de inhoud, maar de stijl is anders.
Lees beide teksten en beantwoord daarna de vragen.
Zeg van elke tekst
hoeveel woorden de kortste zin telt,
hoeveel woorden de langste zin telt,
hoeveel het gemiddeld aantal woorden per zin is.
Welk effect creëert de zinslengte in beide teksten?
Welke tekst vind jij het prettigst om te lezen?
TEKST 1
Ik sta in een viswinkel in de IJmuider vishaven. Ik eet kibbeling. Een gezin met kind komt binnen. Het jongetje kijkt in een bak met levende krabben. Hij vindt het eng. Het jongetje is stoer. Hij blijft kijken. De moeder bestelt vis. Een krab klimt uit het krat. Hij valt op de grond. De verkoper gooit het dier terug in de bak. Moeder vraagt wat krab kost. Ze koopt de uitgebroken krab. Ze vraagt een bakje. Moeder verdwijnt met zoon en krab in het bakje naar buiten. Ze komt even later terug met het lege bakje. De zoon is heel trots. ‘Die krab had zijn best gedaan om te ontsnappen,’ zegt de moeder. ‘Ik gunde die krab dus zijn vrijheid.’
TEKST 2
Terwijl ik in een viswinkel in de IJmuider vishaven sta en kibbeling eet komt een gezin met kind binnen. Het jongetje dat het eng vindt, kijkt toch in een bak met levende krabben en omdat hij stoer is, blijft hij kijken. De krab, die het gelukt is tijdens de bestelling uit het krat te klimmen en op de grond valt, wordt door de verkoper teruggegooid in de bak. Nadat moeder gevraagd heeft wat de krab kost, koopt ze de uitgebroken krab waarbij ze ook vraagt om een bakje. Eerst verdwijnt moeder met zoon en krab in het bakje naar buiten en vervolgens komt ze even later terug met het lege bakje terwijl haar zoon, die heel trots is, naast haar loopt. De moeder zegt dan dat de krab zo zijn best had gedaan om te ontsnappen dat zij die krab zijn vrijheid gunde.
Een tekst is het meest aantrekkelijk wanneer je varieert in zinslengte. Een tekst die enkel korte zinnen bevat, komt drammerig en kinderlijk over. Een tekst met enkel lange zinnen daarentegen is moeilijk. Een gemiddelde van 15 tot 20 woorden per zin is voor de meeste teksten ideaal. Een zin met meer dan 25 woorden is doorgaans te lang. Zinnen van minder dan 10 woorden komen best niet te snel na elkaar.
In het gesprek vertelt u waarvoor u ondersteuning zou willen. De medewerker vraagt u naar uw financiële gegevens. Hij of zij vraagt bijvoorbeeld naar de hoogte van uw inkomen en uw spaargeld. Ook vraagt de medewerker naar uw zorgpolis. Deze verzekering vergoedt ook een aantal zaken.
In het gesprek vertelt u waarvoor u ondersteuning zou willen. De medewerker vraagt u naar uw financiële gegevens, zoals de hoogte van uw inkomen en van uw spaargeld. Ook vraagt de medewerker welke zorgverzekering u hebt, omdat die misschien ook een aantal zaken vergoedt.
Om variatie aan te brengen, kun je enkelvoudige en samengestelde zinnen afwisselen.
Lees de tekst rechts.
Vind je dit een goede tekst?
Waarom (niet)?
Op school krijg ik les Nederlands en krijg ik les Frans. In de les Nederlands let ik braaf op, maar in de les Frans let ik niet braaf op. Ik vind Frans saai en ik vind Frans moeilijk. Buiten op de speelplaats lopen er veel vogels en op de speelplaats is er veel zon.
De basisstructuur van een Nederlandstalige zin is de "OPA"-structuur (onderwerp-PV-andere zinsdelen). Om een tekst zwieriger en natuurlijker te maken, wissel je het best ook verschillende zinsstructuren af. Het vraagt wat oefening om dat vlot te kunnen, maar het helpt zeker als je een tekst die klaar is nog eens doorleest met in je achterhoofd de vraag of je meer zinsvariatie kunt aanbrengen. BWB's kun je bijvoorbeeld vaak voorop zetten in de zin, ook als de BWB een bijzin is. Je kunt ook experimenteren met het voorop plaatsen van andere zinsdelen. Je legt de klemtoon dan meteen op dat zinsdeel, maar misschien is dat net goed.
Peter en Alina overnachten in Orange, omdat ze de hele trip naar het Zuiden niet in één keer willen doen.
Omdat ze de hele trip naar het Zuiden niet in één keer willen doen, overnachten Peter en Alina in Orange.
De gewone woordvolgorde in een Nederlandse zin is "onderwerp + PV + bepalingen en voorwerpen + VD/infinitief".
Lies gaat jou morgen bellen.
Ticho heeft morgen een belangrijke afspraak gepland.
In vraagzinnen wisselen onderwerp en PV van plek. We noemen dat inversie. Inversie komt ook voor wanneer een ander zinsdeel voorop wordt geplaatst in de zin.
Gaat Lies mij morgen bellen?
Morgen heeft Ticho een belangrijke afspraak gepland.
In bijzinnen (dus bij onderschikking) komt de PV achteraan in de zin te staan. Tussen onderwerp en PV kunnen LV, MV en HV, maar ook ND en BWB komen te staan.
Lies gaat me bellen, omdat ze me dringend iets moet vertellen.
Als Ticho morgen een belangrijke afspraak gepland heeft, ga ik hem niet storen.
En dan is er nog de gebiedende wijs of bevelzin, uiteraard.
Bel me toch op, Lies!
Laat Ticho maar naar zijn belangrijke afspraak gaan morgen.