Klik op de afbeelding om de planner over de woordsoorten te openen. Maak eerst de diagnostische test en kijk na welke woordsoorten je al/nog niet onder de knie hebt. Daarna bestudeer je de theorie en maak je de oefeningen.
De planner bevat volgende items:
DIAGNOSTISCHE TEST
ZELFSTANDIG NAAMWOORD (ZN)
BIJVOEGLIJK NAAMWOORD (BN)
WERKWOORD (WW)
LIDWOORD (LW)
TELWOORD (TW)
BIJWOORD (BW)
VOORNAAMWOORD (VNW)
aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw)
betrekkelijke voornaamwoord (betr. vnw)
bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw)
onbepaald voornaamwoord (onb. vnw)
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
vragend voornaamwoord (vrag. vnw)
wederkerend voornaamwoord (wkd. vnw)
wederkerig voornaamwoord (wkg. vnw)
VOORZETSEL (VZ)
Hieronder vind je ook nog eens de theorie.
Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die 'een zelfstandigheid' aanduiden: huis, boom, plant, liefde, vakantie ... Vaak staat er het lidwoord 'de', 'het' of 'een' voor, vandaar dat die woorden vaak 'de-woorden' of 'het-woorden' worden genoemd. Bovendien kan je een zelfstandig naamwoord ook altijd combineren met een bijvoeglijk naamwoord: mooie liedjes, een groene appel.
Een zelfstandige naamwoord kan je trouwens nog verder opsplitsen. Zo kunnen die woorden concrete zaken aanduiden, zoals mensen (man, Ineke), dieren (paard) en dingen (huis, hout), maar het kunnen ook plaatsen (Den Haag, Frankrijk) zijn.
Of ze kunnen abstracte zaken zoals gevoelens (liefde), tijdsruimten (dag), eigenschappen (grootte), gebeurtenissen (botsing) en denkbeeldige personen of zaken (elf, Luilekkerland) weergeven.
Een bijvoeglijk naamwoord is een woord dat een eigenschap of toestand van een ander woord benoemt. Vaak zijn die andere woorden een zelfstandig naamwoord of (soms) een persoonlijk voornaamwoord.
In ‘de rode auto’ is rode een bijvoeglijk naamwoord. Dat geldt ook voor rood in ‘De auto is rood'. Vaak staan die woorden direct voor het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen, maar dat hoeft niet, zoals je in het voorbeeld kan zien.
Werkwoorden geven aan in welke tijd de zin staat: de verleden tijd, de tegenwoordige tijd of de toekomende tijd. Dat kan allemaal in één werkwoord, maar er kunnen ook twee of meer werkwoorden voor gebruikt worden.
Als in een zin meer dan één werkwoord staat, is een van die werkwoorden het hoofdwerkwoord. De andere werkwoorden zijn hulpwerkwoorden. Het hoofdwerkwoord heeft de vorm van een voltooid deelwoord of het hele werkwoord, ook wel de infinitief genoemd. Het hoofdwerkwoord is onmisbaar; als het wordt weggelaten uit de zin blijft een ongrammaticale zin over.
Hoofdwerkwoorden zijn er in twee soorten: zelfstandige werkwoorden (het belangrijkste werkwoord) en koppelwerkwoorden.
Koppelwerkwoorden ‘koppelen’ het onderwerp aan een toestand, functie, hoedanigheid of eigenschap. Het gaat er bij koppelwerkwoorden dus altijd om dat het onderwerp iets ís. De bekendste koppelwerkwoorden zijn zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen.
Het Nederlands heeft drie lidwoorden: de, het en een.
Lidwoorden staan voor een zelfstandig naamwoord, zoals vrouw, bus, uur. Je kunt ze ook voor woorden plaatsen die je als zelfstandig naamwoord gebruikt, zoals een werkwoord (zoals ‘Het wachten duurde lang’) of een bijvoeglijk naamwoord (‘Er is een rode en een blauwe muts. Mag ik de rode?’).
Tussen het lidwoord en het woord waar het bij hoort, kunnen een of meer andere woorden staan, zoals bijvoeglijke naamwoorden en telwoorden.
Telwoorden zijn woorden die het aantal of (rang)nummer van iets aangeven. Telwoorden kunnen het (niet) precieze aantal / (rang)nummer of een (niet-)gespecificeerd aantal of (rang)nummer aangeven. Met andere woorden, wanneer men het exacte aantal niet weet, zijn dat onbepaalde telwoorden, indien men dit wel weet, zijn dit bepaalde telwoorden.
Voorbeelden zijn getallen als vijf, miljoen, drieëntwintig. Ook beide is een hoofdtelwoord; het duidt altijd een tweetal aan. Ook de woorden veel en weinig en hun trappen van vergelijking (veel - meer - meest en weinig - minder - minst) behoren tot deze woordsoort. In informeel taalgebruik komt ook tig voor: ‘Dat heb ik je al tig keer verteld.’ Ook afgeleide vormen als tweeën (‘Wij tweeën weten wel beter’) en drietjes (‘We gaan gezellig met z’n drietjes op vakantie’) zijn telwoorden.
Rangtelwoorden worden kunnen dan gevormd door er -de of -ste aan toe te voegen: achtste, tiende, twintigste. Bij één hoort het rangtelwoord eerste, bij drie hoort derde. Ook de woorden laatste, middelste, hoeveelste en zoveelste behoren tot deze groep.
Bijwoorden zijn woorden die meer informatie over een werkwoord, een ander bijwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een telwoord of over de hele zin geven. Er bestaan onder meer:
bijwoorden van graad: heel, zeer, nogal, enigszins, hartstikke
bijwoorden van plaats/richting: waarheen, hier, elders, ginds, opzij
bijwoorden van tijd: wanneer, morgen, vandaag, gisteren, binnenkort, onlangs
aanwijzende bijwoorden: daar, hier, nu
onbepaalde bijwoorden: ergens, nergens, nooit, altijd
vragende bijwoorden: waar, wanneer, hoe
Een voornaamwoord hebben zelf niet echt betekenis; ze verwijzen naar woorden die wél betekenis hebben. Zo kunnen ze verwijzen naar personen, dieren of dingen (concreet of abstract), zonder die met naam te vernoemen.
Er zijn verschillende soorten voornaamwoorden:
aanwijzende voornaamwoorden: verwijzen nadrukkelijk naar personen of zaken. Deze voornaamwoorden kunnen zelfstandig of niet-zelfstandig gebruikt worden. bv. Wil je deze chocolaatjes, of heb je liever zulke?
betrekkelijke voornaamwoorden: verbinden twee zinnen met elkaar. De zinnen ‘Het boek wordt prachtig’ en ‘Ik schrijf dat boek’ kunnen met het betrekkelijk voornaamwoord dat met elkaar verbonden worden tot ‘Het boek dat ik schrijf, wordt prachtig.’ Datgene waarnaar een betrekkelijk voornaamwoord verwijst, heet het antecedent. Dat kan één woord zijn, maar ook een hele zin. Het boek is het antecedent van dat in de zin ‘Het boek dat ik schrijf, wordt prachtig.’
bezittelijke voornaamwoorden: geven aan dat er een bepaalde relatie is tussen een persoon, dier of instantie en een zelfstandig naamwoord. In mijn fiets is iemand bijvoorbeeld eigenaar van een fiets. Bezittelijke voornaamwoorden kunnen zowel zelfstandig als niet-zelfstandig voorkomen. Bijvoorbeeld: ‘Dáár staat jouw (niet-zelfstandig) glas; dit is het mijne’ (zelfstandig).
onbepaalde voornaamwoorden: verwijzen niet naar specifieke personen of zaken. Het zijn algemene verwijzingen, waarbij het aantal of de identiteit van iets of iemand niet nader gespecificeerd wordt. Voorbeelden van onbepaalde voornaamwoorden zijn alles, andere(n), elk, ieder, iedereen, iemand, iets.
persoonlijke voornaamwoorden: verwijzen naar levende wezens of zaken, zonder die verder bij de naam te noemen: ik, jou, zij, hen, hem, etc. De vorm hangt af van de persoon, het getal, het geslacht en de functie in de zin.
vragende voornaamwoorden: kunnen zelfstandig en niet-zelfstandig gebruikt worden. De zelfstandige vragende voornaamwoorden kunnen zowel naar personen als naar niet-personen verwijzen: Wie hoor ik daar? De niet-zelfstandige vragende voornaamwoorden passen zich aan aan het zelfstandig naamwoord dat erop volgt: Wiens idee was dat?
wederkerende voornaamwoorden: verwijzen bijna altijd terug naar het onderwerp van de zin. Welke vorm juist is, hangt dan ook af van het onderwerp van de zin: 'De kapper scheert zich(zelf)' of 'Bij het schillen van de aardappels heb ik me(zelf) gesneden'.
wederkerige voornaamwoorden: elkaar, elkander, mekaar zijn voorbeelden van wederkerige voornaamwoorden. Deze woorden drukken uit dat twee personen een wederzijdse handeling verrichten: ‘Sem en Indy groeten elkaar’ en ‘We hebben elkaar gisteren nog gezien.’
Een voorzetsel zegt iets over de positie van het een ten opzichte van het ander, zoals op de bank, in de kast, naast zijn ouders en achter het huis.
Veel andere hebben een betekenis die iets met tijd te maken heeft: na een week, tijdens het werk, binnen twee maanden, enz.
Maar er zijn ook veel abstractere relaties mogelijk, zoals in praten over het weer, hopen op een goede afloop en dood door schuld.
Sommige werkwoorden hebben een vaste verbinding met een bepaald voorzetsel. Een beknopte lijst met vaak voorkomende combinaties vind je hieronder.
zich aanpassen aan kijken naar protesteren tegen
behoefte hebben aan luisteren naar zich verzekeren tegen
deelnemen aan telefoneren naar vriendelijk zijn tegen
denken aan / om / over verlangen naar bestaan uit
zoeken naar afhangen van twijfelen aan
geven om dromen van bang zijn van/voor
verslaafd zijn aan lachen om / met/ over/ tegen werken aan
verdriet hebben om gebruikmaken van horen bij
antwoorden op houden van passen bij
boos zijn op op de hoogte zijn van geïnteresseerd zijn in / interesse hebben in
een beroep doen op overtuigen van geloven in
hopen op plezier beleven aan plezier hebben in
zich abonneren op zeker zijn van slagen in
invloed hebben op belangstelling hebben voor zich specialiseren in
letten op (be)danken voor zich vergissen in
lijken op geschikt zijn voor zin hebben in
recht hebben op gevoelig zijn voor akkoord gaan met
rekenen op zich interesseren voor beginnen met
trots zijn op kiezen voor bevriend zijn met
verliefd zijn op slagen voor klaar zijn met
wachten op studeren voor blij zijn met
beslissen over verantwoordelijk zijn voor ervaring hebben met
klagen over zich verontschuldigen voor gelukkig zijn met
nadenken over vrezen voor iemand feliciteren met
spreken over waarschuwen voor meedoen met
tevreden zijn met / over zorgen voor rekening houden met
zich beperken tot zich verwonderen over spreken met
bereid zijn tot oppassen voor informeren naar
in staat zijn tot zich inspannen voor spijt hebben van
B Stijladvies: gebruik verwijs- en voornaamwoorden
Een tweede balans gaat over de breedvoerigheid waarmee je schrijft. Het komt er op aan net voldoende woorden te gebruiken. Zowel met te veel als met te weinig woorden kan de duidelijkheid van de boodschap bemoeilijkt worden.
a) PIZZADEEG
Meng 300g bloem met 2 eetlepels olijfolie, 1 koffielepel zout en 0.5 koffielepel suiker. Los 18g gist op in 100g koud water. Meng de gistoplossing onder de bloem. Kneed alles minstens 15 minuten tot een glad deeg. Maak van het deeg een bol en laat die 90 minuten rijzen op kamertemperatuur.
b) PIZZADEEG
Stort de bloem op de tafel als een sluier. Laat de passioneel geperste tranen van de olijfboom de mist blussen. Verdiep met zout en zoet met suiker. Meng de levende organismen die voor fermentatie zullen zorgen met het koele water. Breng dit alles al knedend met vloeiende handbewegingen samen tot een gladde, goed aan elkaar klevende massa, die je rolt tot een bol. Zet de bol aan de kant, langer dan een uur, maar ook geen twee uur. Twee uur is te lang. Zorg dat de temperatuur in de kamer niet te hoog is. Het deeg zal meer, groter, hoger worden.
Soms is het verleidelijk steeds dezelfde woorden te gebruiken, vooral als ze op veel plekken passen. Een gebrek aan variatie kan echter ergernis opwekken bij de ontvangers van je tekst. Zinnen waarin veel herhaling voorkomt, worden onnodig lang en omslachtig, waardoor ze niet fijn lezen.
Tekst 1 en 2 zijn twee varianten van dezelfde tekst over eten van de toekomst.
Lees beide teksten.
Welke tekst leest prettiger? Leg uit waarom. Wat valt je op als je beide teksten met elkaar vergelijkt?
In tekst 1 wordt zes keer het woord ‘algen’ gebruikt, terwijl in tekst 2 maar drie keer het woord ‘algen’ wordt gebruikt. Hoe kan dat?
Wat is het gemiddeld aantal woorden per zin in beide teksten? Wat zorgt voor dat verschil?
TEKST 1
Algen worden nu als luxeproducten geserveerd. In de toekomst gaan we veel meer algen eten. De productie van algen is goedkoop. Algen groeien erg snel. Algen hebben weinig voedsel nodig. Er worden nu speciale boerderijen gemaakt. Op die boerderijen worden algen geproduceerd.
TEKST 2
Algen worden nu nog als luxeproduct geserveerd, maar in de toekomst gaan we ze veel meer eten. De productie van algen is namelijk goedkoop. De groene eiwitbommetjes groeien immers snel en bovendien hebben ze maar weinig voedsel nodig. Er worden trouwens nu al speciale boerderijen gemaakt die zich specifiek richten op algenproductie.
Het juiste gebruik van verwijswoorden helpt de lezer om een tekst goed te begrijpen. Door correcte verwijzingen krijgt een tekst samenhang. Een tekst wordt zo één geheel. Bovendien zorgen verwijswoorden voor afwisseling:
Vorige week werd een wolf gespot op de Veluwe. Het is de derde keer dit jaar dat hij in ons land is gezien, maar nooit eerder
kwam het dier zo ver Nederland in.
Met deze zinnen begint een informatief krantenartikel over ‘de wolf in Nederland’. Het woord ‘wolf’ wordt al in de eerste zin gebruikt, zodat het onderwerp duidelijk is. In de tweede zin wordt ernaar verwezen met het persoonlijke voornaamwoord ‘hij’; daarna volgt er een omschrijving (‘het dier’). Later in de tekst verwijst de schrijver naar ‘de wolf’ met een bezittelijk voornaamwoord: ‘zijn’ leefgebied. Kortom, de schrijver varieert, maar deze variatie krijgt geen nadruk. Het nieuws wordt op een heldere en prettige manier verwoord. De ontvanger blijft daardoor gefocust op de inhoud. Het is dan natuurlijk wel hoogstnoodzakelijk dat de juiste verwijswoorden gebruikt worden. Anders komt er alsnog ruis op de communicatie.
Om te zorgen dat je tekst goed leesbaar is, gebruik je verwijswoorden. Die zijn essentieel om woordherhaling te voorkomen. De meest gebruikte verwijswoorden zijn voornaamwoorden. Daarnaast kunnen ook bijwoorden van plaats en tijd als verwijswoord ingezet worden (zie techniektraining: woordleer).
Een voornaamwoordelijk bijwoord is een combinatie van een van de bijwoorden van plaats er, hier, daar, waar, ergens, nergens en overal, en een of meer voorzetselbijwoorden (bijvoorbeeld af, aan, achter, door, heen, in, mee, op, toe, uit, van, voor).
Betrekkelijk
Wanneer je een betrekkelijk voornaamwoord combineert met een voorzetsel, dan gebruiken we 'die' en 'dat' niet. Wat we wel doen, hangt ervan af of we verwijzen naar een persoon of niet.
PERSONEN: voorzetsel + wie (bvb. aan wie)
GEEN PERSONEN: waar+voorzetsel (bvb. waaraan)
Aanwijzend
Wanneer je een aanwijzend voornaamwoord combineert met een voorzetsel, dan gebruiken we ook 'die' en 'dat' niet. Ook hier hangt het ervan af of we verwijzen naar een persoon of niet.
PERSONEN: voorzetsel + persoonlijk voornaamwoord (bvb. aan hem)
GEEN PERSONEN: daar+voorzetsel (bvb. daaraan)
Persoonlijk
Wanneer je het persoonlijk voornaamwoord 'het' combineert met een voorzetsel, dan maak je een voornaamwoordelijk bijwoord met 'er':
er + voorzetsel (bvb. eraan)
C Oefening werkbundel (her)maken
Ben je niet zeker of je jouw notities correct hebt ingevuld? Was je afwezig tijdens sommige lessen? Of wil je gewoon nog eens grondig oefenen? Dat kan! Hieronder vind je de planner met exact dezelfde oefeningen als die in de werkbundel - de bundel die je van je leerkracht gekregen hebt.
Klik op het icoontje en je kan beginnen.