Hulp: hoe eerder hoe beter
Ter geruststelling van de ouders die het vorige hoofdstuk gelezen hebben willen wij hier duidelijk stellen dat we er niet voor pleiten een kind in alles toe te geven om vooral zijn tere zieltje niet te kwetsen. Maar wanneer men iets verbiedt of afpakt, iets wat zoon of dochter nu juist zo vreselijk graag wil, en het kind huilt van teleurstelling of brult in protest, dan hoeft men zijn kind niet óók nog te verbieden die teleurstelling of boosheid te laten blijken. Men kan begrip voor die emotionele uiting hebben en daar ruimte voor laten, zónder toe te geven. Het kind kan rustig naar zijn eigen kamertje of bed verwezen worden als de rest van de familie last van hem heeft. Maar dat is iets anders dan hem bestraffend toespreken omdat hij nog niet verstandig genoeg is om zijn ouders gelijk te geven.
Jonge, onzekere ouders kunnen het idee dat hun kind hen niet lief vindt niet goed verdragen. Ze willen dus erg graag dat zoon of dochter hun standpunt zal begrijpen en delen. Het verbod wordt toegelicht, de weigering omkleed, men praat en vleit en het enige resultaat is dat het kind zich nu ook nog gemanipuleerd voelt. De kinderlijke klacht ‘het is niet eerlijk’ slaat dus niet alleen op het verbod of de weigering, maar vooral op de manier waarop verhinderd wordt dat het kind zijn emotie daarover uit.
Als het alarmsignaal van stotterachtig spreken wordt vernomen is het dus ook niet zo zinvol om van het kind te eisen dat het dadelijk ophoudt met alarmsignalen uit te zenden en gewoon goed gaat praten, maar toch is dit iets dat vaak gebeurt.
Voorkomen is beter dan genezen en dit geldt voor de stoornis stotteren in driedubbele mate. Immers, gevestigd stotteren houdt zichzelf in stand door 1. de reactie van wie stottert op zijn eigen handicap, 2. de onvermijdelijke reacties van schrik, ongeduld en spot die hij ontmoet en 3. zijn onvermijdelijke reacties daar weer op. Geen wonder dat je als ouder geen rust hebt wanneer je meent dat je kind tekenen van stottergedrag vertoont.
Door goed bedoelde maar ontmoedigende opmerkingen over hun spreken wordt de argeloosheid van jonge kinderen verstoord en worden zij angstig. Door goed bedoelde, maar ontmoedigende reacties op de manier waarop kinderen iets verwerken wordt dit proces geblokkeerd en blokkeert het kind zichzelf.
Vervolgens krijgt het haperen, hakkelen en herhalen, tot dan toe vrij onopvallend en niet echt bewust, nadrukkelijk aandacht - in negatieve zin. De onzekerheid waaruit het voortkomt slaat eens te meer toe wanneer het boosheid, ergernis of teleurstelling blijkt uit te lokken. Het gehakkel van kinderen die niet zozeer aan hun vermogen tot spreken als wel aan zichzelf twijfelen roept dezelfde reacties op.
Het kind zal dus met extra inspanning proberen de onzekerheid die hij over zijn spreken voelt te overwinnen. Hij doet iets niet goed, maar wat?
Hoe weet een kind eigenlijk of wat hij doet ‘goed’ is of ‘niet goed’? Ja, natuurlijk door de reactie van de opvoeders. Als u ‘ja’ knikt, lacht, ‘mooi’ of ‘flink hoor’ zegt, of hoe dan ook uw tevredenheid of enthousiasme toont, dan weet het kind dat wat het deed goed was. Zijn zelfvertrouwen groeit. Wanneer opvoeders afwijzend of bezorgd kijken of zeggen ‘doe dat nog eens’ ‘dat kun je toch ook goed zeggen?’, ‘eerst nadenken’,- niet zo stotteren’- dan weet het kind dat wat het deed niet goed was. Zijn zelfvertrouwen neemt a£ De spanning bij het spreken en de dddddruk op de oorden neemt toe, want het kind spant zich erg in om het goed te doen. Maar moeders of vaders reactie maakt duidelijk dat het nog altijd niet goed is.
Voor iedereen, maar vooral voor jonge kinderen is wat gevoeld, gezien en gehoord wordt in houding, gezichtsuitdrukking, gebaren en stemklank van veel grotere invloed dan de woorden als zodanig.
Je kunt als ouders dus wel over je woorden waken maar als je angstige ergernis of medelijdende bezorgdheid uitstraalt helpen ‘mooie woorden’ niet. Een kind vergeet negatieve ervaringen vlug. Maar als telkens weer afkeuring of verbetering zijn spreken begeleidt dan raakt het wel ontmoedigd. Het gaat zijn best doen zijn stotteren te verbergen. Dat leidt tot meer spanning, meer zwijgen, meer de neiging andere woorden te zoeken die eenvoudiger zijn, meer terugtrekken als er bezoek is, niet meer zelf naar vriendjes toegaan, geen boodschappen meer durven doen. Het wordt steeds ontevredener over zichzelf. Zelfverwijt en schuldgevoelens maken dit sombere beeld compleet.
Zover willen we het uiteraard niet laten komen.
We hebben gezien dat negatieve aandacht voor het stotteren averechts werkt. Als we nu het omgekeerde doen en er extra voor gaan zitten zodra het kind stottert dan krijgt het kind de boodschap: mijn gestotter geeft mij recht op een speciale behandeling, op meer aandacht dan de andere kinderen. Dat moet natuurlijk ook niet, want ook dan is er kans dat het stotteren erger wordt. Gedrag dat aandacht krijgt neemt toe. Het maakt weinig uit of er geroepen wordt ‘stil zijn allemaal, Frans is aan het woord’ zodra Frans begint te praten, of ‘Frans, als je stottert houd je je mond maar’!
De oplossing is dat we aan dat stotteren helemaal geen aandacht moeten schenken. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. We weten zo weinig van ons zelf hoe we kijken, hoe onze stem klinkt, wat voor gebaren we maken. Vader en moeder kunnen elkaar daarbij helpen. En ook de logopedist(e) kan helpen bewust maken wat er precies gebeurt.
We willen o zo graag dat het kind verandert, dat het weerbaarder, zekerder, vrijer wordt en gemakkelijker gaat praten. Daartoe moeten de ouders bereid zijn zelf ook op bepaalde punten te veranderen. Het zijn soms maar kleinigheden zoals minder vragen stellen en het kind daardoor meer de kans geven spontaan met iets te komen. Of bij thuiskomst eerst laten blijken datje blij bent zoon of dochter te zien in plaats van meteen brommen dat jas of laarzen uit moeten. Hierdoor krijgt het kind de bevestiging dat hij meetelt voor moeder. Waardering en bemoediging moeten er liefst meer zijn dan ergernis en afkeuring. Van de eerste twee ‘groeit’ het kind, van de laatste wordt het ‘kleiner’, dus daar moeten we maar heel weinig van uitdelen. Wat je niet bevalt kun je ook kalm en vriendelijk zeggen. Hoe meer het kind overtuigd is van de onvoorwaardelijke liefde van zijn ouders, des te meer is het in staat onbevangen te luisteren en tot meewerken bereid.
Het lijkt soms of ouders hun genegenheid afhankelijk stellen van hoe goed het kind erin slaagt te beantwoorden aan hun ideaalbeeld. Als het kind afwijkt van dat ideaalbeeld krijgt het op allerlei manieren onuitgesproken teleurstelling te voelen, zonder dat de ouders zich dat bewust zijn. Natuurlijk houden ze van hun kind, maar ...! Het is dat ’maar’ dat het kind ontmoedigt. Een vader zei ’ls je nou de hele zondag niet stottert, dan vind ik je lief. Hoe kan het kind weten dat dit maar een wijze van spreken is?
Aandacht trekken
Kinderen die te weinig zekerheid hebben dat er altijd liefde voor hen is voelen zich onveilig. Ze zijn er niet zeker van dat ze er werkelijk bijhoren en werkelijk iets waard zijn. Ze kunnen pas voelen dat ze erbij horen en iets waard zijn als de reacties van de omgeving op hun persoontje positief zijn en ze zich aanvaard voelen zoals ze zijn. Als ze dat te weinig ervaren zoeken ze onbewust naar een manier om te bewijzen dat ze er zijn. Het gevoel veilig te zijn, erbij te horen, ongeacht de prestaties, is de belangrijkste voorwaarde voor een normale ontwikkeling. Als het kind van de omgeving aandacht ontvangt, voelt het dat het erbij hoort, meetelt, bestaat. Dus is aandacht in de vorm van berisping of afkeuring altijd nog beter dan helemaal geen aandacht. Het allerergste is het gevoel dat je vergeten wordt.
Als het kind alléén met stotteren aandacht kan krijgen zal het stotteren toenemen. En als het later wil leren zonder al die overbodige franje te praten zal het diep in zijn hart bang zijn onopvallend in de massa te verdwijnen en op te houden te bestaan. Hij is er niet zeker van dat hij op enig ander punt dan het stotteren aandacht krijgen zal. Zo iemand kan het stotteren dan zeker niet meer loslaten. Willen wij een persoon de kans geven, definitief met het stotteren af te rekenen, dan moeten we hem met respect en aandacht behandelen en de verantwoordelijkheid voor zijn spreken aan hemzelf overlaten. Dit geldt voor kinderen minstens evenzeer als voor volwassenen. Wanneer je vriendelijk en meelevend zegt ’sjonge jonge wat stotter je vandaag, je hebt het zeker moeilijk’ en je strijkt iemand daarbij bemoedigend over zijn rug, dan geef je aandacht aan een mens, zonder medelijden en zonder ergernis. ‘Ach stakker, wat stotter je weer verschrikkelijk! Je kunt vanavond maar beter thuisblijven en de telefoon ook maar laten gaan’. Dat is medelijden en betutteling, geen aandacht voor de persoon. ‘Nou je stottert weer vreselijk vandaag! Je doet er ook niets aan’. Dat is ergernis en betutteling, en een even groot gebrek aan aandacht voor de persoon.
Kan geen aandacht geven aan het stotteren samengaan met ‘openheid over het stotteren’? Het lijkt een tegenstrijdigheid! In hoofdstuk 3 zeiden we dat openheid over het verschijnsel stotteren essentieel is en alleen maar heilzaam kan zijn. Als we u vragen aandacht te besteden aan het stottergedrag bedoelen we daarmee, dat u niet gaat proberen dat gedrag aan te pakken. Maar we bedoelen allerminst dat u de ogen ervoor gaat sluiten en doen of u er niets mee te maken hebt. U hebt er als ouders alles mee te maken.
Stotteren of stotterachtige verschijnselen waarschuwen immers dat er ergens in het leven van uw kind knelpunten zijn waar het geen raad mee weet. Voortdurende maagpijn of hoofdpijn waar geen lichamelijke oorzaak voor aan te wijzen is zou bij een ander kind precies zo’n waarschuwing kunnen betekenen. Rode uitslag zegt u dat uw kind misschien mazelen heeft. Het zal niet bij u opkomen uw kind te vragen ‘Hou nou op met die rode vlekken op je huid’. U weet dat de uitslag het symptoom is van de ziekte en niet de ziekte zelf.
Als u openlijk of bedekt uw kind te verstaan geeft dat hij met stotteren moet ophouden of dingen voor hem gaat doen om hem het praten ‘uit handen’ te nemen, dan doet u in feite hetzelfde als een moeder die wil dat haar kind geen uitslag vertoont of gaat proberen - met poeder en zalf de vlekjes onzichtbaar te maken. Mazelen mag, stotteren mag niet. Mag ons kind geen knelpunten hebben??
Over mazelen hebben we genoeg informatie. Over stotteren heeft men gewoonlijk te weinig of heel verkeerde informatie. Begrijpelijk, want mazelen heeft één duidelijk aanwijsbare oorzaak. Maar stotteren is een ‘syndroom’. Dat wil zeggen dat vele factoren in wisselende sterkte en samenstelling een rol spelen.
Stotteren is niet alléén te wijten aan gebrekkige spreek - of taalvaardigheid, het is niet alléén een ademstoornis, het is niet alléén een negatieve instelling ten opzichte van de luisteraar(s), niet alleen gebrek aan moed en zelfvertrouwen, niet alleen emotionele kwetsbaarheid. Zoals we hopelijk hebben aangetoond spelen al die factoren op de een of andere manier een rol. Daarom willen wij ervoor pleiten deskundige hulp in te roepen zodra u vermoedt dat uw kind begint te stotteren en zodra u bij u zelf daarover angst en onzekerheid bespeurt. Uw bezorgdheid, die u beklemt, speelt een rol in de verhouding met uw kind en maakt die verhouding er niet beter op, want ergernis en ongeduld komen eruit voort. Terwijl het kind juist dan, als het zelf in moeilijkheden is, uw steun en kracht extra nodig heeft. Samen met de logopedist(e) kunt u de knelpunten proberen te vinden en naar aanleiding daarvan kan een behandelingsplan worden opgesteld. Soms zijn een paar informatieve gesprekken voldoende, soms is meer nodig. De afdelingen Logopedie/Foniatrie van academische ziekenhuizen hebben alle mogelijkheden om een eventuele organische stoornis op te sporen of uit te sluiten. Daar zijn ook adressen bekend van logopedisten in uw omgeving die ervaring hebben met jonge kinderen die stotteren. Het aantal van deze logopedisten neemt gelukkig toe.
Wat u in elk geval zelf kunt doen (én nalaten!)
Kijken, luisteren, nadenken. Als we werkelijk willen helpen moeten we ophouden impulsief of automatisch te reageren. Als we iets vele malen (‘honderd keer heb ik...’) op een bepaalde manier hebben gedaan en het blijkt niet het effect te hebben dat we met onze manier van doen wilden bereiken, dan is het zinnig om na te gaan of we zo willen doorgaan of misschien beter een andere weg kunnen inslaan. Ouders die nu denken ‘we hebben van alles geprobeerd, maar niets werkt’ willen we er op wijzen dat de ene dag medelijden tonen en de andere dag ergernis, de ene dag toegeeflijk zijn en de andere dag streng, voor het kind zó verwarrend is, dat, afgezien van de juistheid van of de ene of de andere handelwijze, die verwarring op zichzelf ongunstig werkt en het stotteren zal verergeren.
We moeten op onszelf letten, niet om onszelf op fouten te betrappen maar om feiten onder ogen te zien. Als we trots zijn op ons kind kijken we met warmte naar hem en heeft onze stem een tevreden klank.. Als we terecht of ten onrechte, dat doet er niet toe - bang zijn dat ons kind niet uit zal blinken of zelfs maar mee zal komen op gebieden die wij belangrijk vinden, dan kijken we koel of bezorgd naar hem en heeft onze stem een teleurgestelde klank.
Een kind voortdurend aansporen om het beter te doen laat veel duidelijker merken dan u vermoedt ‘wat jij doet is niet goed genoeg’. Een kind ontzien, het uit medelijden dingen uit handen nemen, van verantwoordelijkheden ontslaan of speciale voorrechten geven zegt veel duidelijker dan u vermoedt ‘we zien je niet voor vol aan, we moeten aan jou goedmaken wat je tekort komt’. In beide gevallen wordt het zelfvertrouwen ondermijnd.
Hulp op korte en hulp op lange termijn
Wie werkelijk wil helpen moet nagaan wat op lange termijn de gevolgen zijn van de goed bedoelde hulp.
Willem, al twaalf jaar oud, kijkt automatisch naar zijn moeder als hem een vraag wordt gesteld. Moeder antwoordt ook meteen. Het komt niet bij haar op, trouwens ook niet meer bij Willem, dat hij voor zichzelf kan spreken. Als blijkt dat dat toch verwacht wordt raakt hij in de grootste verwarring. Het is duidelijk dat moeder het zielig voor Willem vindt als hij moet stotteren. (En, nou ja ... ze geneert zich er ook wel voor tegenover vreemden). Dus ‘helpt’ moeder Willem, elke keer opnieuw. Die zal zich dat best hebben laten aanleunen. Maar het heeft hem tot een onmondige, schuwe jongen gemaakt, die er van uitgaat dat zijn mening van geen enkele waarde is. Wordt hij zelf ergens op aangesproken dan stottert hij verschrikkelijk. En dan laat men hem ook met rust! Later wordt geklaagd dat Willem zo vreselijk onzelfstandig is, nooit de deur uit gaat, geen vrienden heeft. Als moeder haar arm om kleine Willem heen had geslagen wanneer een vreemde hem aansprak, als ze letterlijk en figuurlijk ‘achter hem was gaan staan’ en vertrouwen had getoond in zijn vermogen tot antwoorden dan stond grote Willem nu sterker in het leven. De twaalfjarige Willem is diep overtuigd dat hij -echt niets kan en echt niets hoeft. En nu wordt hem dat kwalijk genomen. Het stotterende spreken van Willem, dat eerst aangaf ‘ik ben bang om met vreemden te praten’ is nu geworden tot een effectief afweermiddel: ‘laat me met rust, ik ben niemand’.
Floris is nummer twee in het gezin, letterlijk, maar ook figuurlijk. Zijn 6 jaar oudere zusje is flink, knap op school, sportief, vaders oogappel en moeders trots. Maar de zoon die vader zich zo innig wenste zal dat allemaal minstens moeten evenaren, nog liever overtreffen. En nu blijkt Floris een zachtaardig kind, dat het op school maar net kan rooien en in sport ook al geen held is. Moeder is geneigd hem extra te beschermen, vader wil van hem de sterke sportieve boy maken die hij zich heeft gedroomd. Dat Floris stottert vindt vader helemaal verschrikkelijk. Hij belooft hem van alles als hij dat nu maar laat.
Floris wordt, meestal bedekt maar ook wel eens openlijk, met zijn zusje vergeleken. En dat valt altijd in zijn nadeel uit. Hij is zo goedhartig dat hij zijn ouders daar ook helemaal gelijk in geeft. En hij doet alles wat vader wil dat hij doet, hij hunkert naar zijn waardering. Vader wil niet dat hij stottert, dus zet hij zijn kiezen op elkaar: dat zal niet gebeuren. Het resultaat laat zich raden. Pas toen vader ophield Floris met zijn droombeeld te vergelijken en de echte Floris wilde zien kon hij waardering opbrengen voor zijn hulpvaardigheid, zijn vriendelijkheid, zijn eerlijk, open gedrag. Met het omslaan van vaders houding, verbeterden onverwacht ook Floris’ prestaties op school en werd hij over de hele linie flinker. De hulp van een logopediste kon gestaakt worden. Maar wat gebeurde? Vader begon al zijn oude droombeelden weer van stal te halen, en prompt ging Floris weer aan het stotteren. Een paar uur bij de logopediste bleken voldoende om de zaak weer recht te trekken. Vader was nu overtuigd dat het zijn houding was die de doorslag gaf. Sindsdien gaat het Floris goed.
Herman heeft een iets ouder zusje, dat veel beter en vlugger praat dan hij, ze is hem met woorden de baas. Als Herman iets wil vertellen komt ze er meteen tussen en komt hij er niet meer aan te pas. Herman wordt ongedurig, gaat wiebelen en ‘vervelen’. Als hij iets zeggen wil is het hakkelig, met veel herhalingen, en hij kijkt opzij en weg. Moeder zegt: ‘stil zitten, rustig praten, zeg dat nog eens’. En ja, als hij het nog eens zegt gaat het goed. Moeder denkt dan dat ze Herman helpt, hem een fijne ervaring geeft, want hij stottert niet meer. Natuurlijk gaat het dan goed, want de ’lading’ is van de mededeling af, ze weten al wat hij wou zeggen. Van het ‘over moeten doen’ wordt Herman nog ongeduriger; hij wordt zwijgzaam, afwezig, als anderen praten. Spelen de kinderen samen dan regelt en bedisselt zijn zusje alles. En als Herman dat teveel wordt en er op los slaat, dan wordt hij erop aangekeken en krijgt hij straf. Moeder moet hem immers leren zich te beheersen. Zodra moeder echter ophield zich met de conflicten van de kinderen te bemoeien, leerde het meisje haar regeldrift intomen en na korte tijd speelden broertje en zusje veel leuker en vreedzamer samen dan moeder ooit had meegemaakt. Door Herman uitdrukkelijk de kans te geven zélf met zijn belevenissen te komen, het wiebelen en draaien te negeren, zonder kritiek te luisteren naar zijn plannetjes, hoe onhandig of onrealistisch ze ook waren, en hem maar zelf te laten ervaren wat uitvoerbaar was en wat niet, werd Herman weer een zelfstandig, opgewekt jongetje. Het stotterende spreken sleet langzaam maar zeker uit.
Herman was pas zeven jaar toen zijn ouders met het stotterprobleem aankwamen. Het was vanaf zijn eerste schooldag geleidelijk erger geworden. Omdat het nog geen ingeslepen gewoonte was, en omdat hij vóór die tijd heel normaal gesproken had leek de taal - en spreekvaardigheid voldoende, zij het minder dan die van zijn extra spraakzame en bedrijvige zusje. In de behandeling werd volstaan met het observeren van hoe men met elkaar omging en gesprekken daarover. Herman heeft heel lieve en verstandige ouders; het aantal gesprekken hoefde daarom niet groot te zijn. Bij Floris, die al ruim elf was, lag het heel anders: hij moest zélf leren hoe hij zijn blokkades kon oplossen en zijn adem kon regelen. Dat beide ouders er steeds vertrouwen in toonden, dat hij dat zou kunnen leren was voor Floris bemoedigend. Indien de beide ouders, en vooral de vader, niet zo goed meegewerkt hadden en zo royaal bereid waren geweest hun houding te veranderen zou Floris het waarschijnlijk veel moeilijker hebben gehad om vloeiend te blijven spreken, terwijl het nu als vanzelf ging. Die ene terugval heeft heel positief gewerkt. Alle twijfel aan de invloed van ‘te hoge verwachtingen’ werd daardoor weggenomen.
Opvoeden met een andere instelling
Wij zijn geneigd alles wat goed gaat, alles wat onze kinderen naar onze tevredenheid doen, gewoon te vinden. Pas als er iets gebeurt dat ons hindert of ergert zeggen we er wat van, en dan vaak zo dat het kind zich als persoon afgewezen voelt, terwijl het toch alleen maar gaat om iets dat hij nog niet helemaal goed doet. We hoeven daar niet aan te verbinden dat het kind niet goed is. Dat bedoelen ouders natuurlijk ook niet, maar nogmaals: het kind kan dat niet weten als hun woordgebruik afkeuring van zijn persoon uitdrukt. Van de verschrikte uitroep ‘wat ben jij toch altijd onhandig’ leert een kind niets. Maar van de nuchtere constatering ‘je hebt teveel kopjes tegelijk op het blad gezet’, leert hij wel wat. En van de waarderende opmerking ’wat heb jij die kopjes netjes rondgedeeld’, leert hij nog meer. Als u zo’n verschrikte uitroep ondanks uzelf toch slaakt is het geen schande om later tegen het kind te zeggen dat het niet uw bedoeling was en dat het u spijt.
Probeert u eens een paar maanden consequent alles wat goed gedaan wordt op te merken en er iets waarderends van te zeggen, terwijl u aan onprettige gedragingen zo min mogelijk aandacht besteedt. U zult niet alleen interessante veranderingen opmerken bij het kind maar wellicht ook bij uzelf. U zult al wat prettig is in uw leven duidelijker gaan zien! Geniet van het samenzijn met uw kind, neem de tijd om samen te spelen, geregeld voor te lezen, versjes samen op te zeggen die het zo spelenderwijs leert. Dat geeft houvast aan zijn ritmegevoel en helpt zinnen te construeren. Sesamstraat is heel goed, maar geen vervanging voor de eigen ervaring.
Neem de tijd om naar de belevenissen van uw kind te luisteren en ook wat van uzelf te vertellen. Dat is een ander contact dan ’hoe was het op school vandaag? Heb je goed je best gedaan?’, wat lijkt op belangstelling, maar tot een automatisme wordt, waarop het kind gedachteloos ’goed’ en ’ja’ antwoordt. We zeiden het al eerder in dit boek: beperk het aantal directe vragen. Ga mee met wat het kind vertelt, praat over het spel of de bezigheid waar hij in verdiept is en vlecht daar het verzoek of de opdracht in die je als ouder kwijt wilt. Iemand die u respecteert onderbreekt u ook niet middenin zijn eigen zaken, als u iets van hem verlangt. Zelfs als het dringend is zult u hem op de een of andere manier laten merken dat u zijn bezigheden ook belangrijk vindt. Daardoor wordt zijn bereidheid om op uw vraag in te gaan zeker groter.
Een kind dat voelt dat het meetelt, dat zich van zijn eigen waarde bewust is, zal zijn ouders minder uitdagen, minder op de proef stellen, eerder en met meer plezier aan verzoeken en opdrachten voldoen. De waardering die hij telkens van u krijgt zal ook maken dat hij zich zekerder en veiliger voelt en zorgen dat hij gemakkelijker naar buiten komt, het minder nodig heeft zichzelf tegen te houden in het stotteren. Opvoeden is ‘voeden’ zodat het kind kan groeien in psychisch en maatschappelijk opzicht. ‘Voeden’ kan men niet met een instelling van angst, ergernis of medelijden.
Wie respect heeft voor zijn kind laat het de verantwoordelijkheden dragen die bij zijn leeftijd en ontwikkeling passen. Wie van zijn kind houdt waardeert en bemoedigt het, ook als het fouten maakt. En ook als het stottert.
Kan men ook te veel waardering geven?
Monika’s moeder had uit zichzelf al heel goed begrepen dat waardering belangrijk is. Monika, tien jaar, heeft een ouder zusje. Moeder wilde tot elke prijs voorkomen dat Monika, die al heel vroeg wat stotterend sprak, zich de mindere zou voelen. Alles wat Monika deed of maakte werd bejubeld, tegen iedereen werd hoog opgegeven van wat ze allemaal wel kon. In conflicten met haar vier jaar oudere zus kreeg Monika altijd de steun van moeder. En ook die van vader, en ook die van Oma. Kortom, het hele gezin draaide om Monika. Het stotteren werd daar niet erger van, maar ook niet beter. Monika was lang niet dom en ze begreep instinctief dat het feit dat zij stotterde - en haar zusje niet - haar al die voordeeltjes opleverden. Maar dat betekende ook dat zij dat stotteren in zekere zin koesterde en er onbewust van uitging dat ze het nodig had om haar positie te handhaven.
Toen wij dit met de ouders, en met de grootmoeder die veel in het gezin verkeerde, bespraken werd overeengekomen dat vooral de moeder wat reëler met Monika zou omgaan, en dat ze haar oudste dochter minstens evenveel zou prijzen en waardering laten blijken als haar jongste. Het oudste meisje was gelukkig een evenwichtig, sterk kind; zij had het tot nu toe allemaal redelijk verduurd. Maar zij bloeide op toen de instelling van haar ouders veranderde. Monika daarentegen was ineens niet meer de ster. En dat beviel absoluut niet. De moeder was gelukkig gewaarschuwd dat het stotteren heel erg zou toenemen wanneer Monika haar rol zou moeten opgeven. En dat gebeurde ook. Maar na een paar maanden was het evenwicht tussen de zusjes hersteld. Monika maakt het nu goed; ze heeft op tijd geleerd dat stotteren geen zinvol middel is om aandacht mee te krijgen. Kortgeleden schreef haar vader dat het gezin een fijn leven had en dat het stotteren van Monika niets meer betekende. Dat ze nog wèl eens stotterde als ze haar zin niet kreeg ... Het is moeilijk om niet terug te grijpen naar een middel dat in het verleden zo perfect heeft gewerkt! Natuurlijk is dat geen opzet; het gebeurt als in een reflex. Ouders kunnen eraan meehelpen dat zulke reflexen achterwege blijven.