Ontleden‎ > ‎

Samengestelde zinnen

Samengestelde zinnen zijn zinnen met meer dan 1 persoonsvorm. Er zijn twee soorten:

1. nevenschikkende zinnen
2. ondergeschikte zinnen.

 

1. nevengeschikte zinnen

 

Samengestelde zinnen die bestaan uit twee (of meer) hoofdzinnen noemen we nevenschikkend. Je kan de zinnen die aan elkaar zitten met voegwoorden (en, maar, of, want, dus) ook als losstaande ofwel enkelvoudige zin gebruiken zonder dat je iets aan de woordvolgorde hoeft te veranderen. In onderstaande voorbeelden zie je nevenschikkend samengestelde zinnen, met daarnaast de enkelvoudige zinnen, dus zonder die voegwoorden.

 

                   Samengestelde zin                                                                   Enkelvoudige zinnen       

          Karel eet veel fruit en Piet eet veel patat.

          Ik ga Grieks studeren of ik ga een baan zoeken

          Ik hou op met werken want ik ben rijk.

 

 

Karel eet veel fruit. Piet eet veel patat.  (GOED)

Ik ga Grieks studeren. Ik ga een baan zoeken (GOED)

Ik hou op met werken. Ik ben rijk (GOED)

 

2. ondergeschikte zinnen

 

          Als je echter een zin als deze hebt:

          Karel is mijn vriend omdat hij me 100 euro heeft gegeven

          Dan zie je bij uitsplitsing:              

          Karel is mijn vriend. Hij me 100 euro heeft gegeven. (FOUT)

 

Het tweede deel is hier niet grammaticaal vanwege de foutieve woordvolgorde. Deze zin is dus niet nevenschikkend, maar ondergeschikt. We spreken over onderschikking als de samengestelde zin bestaat uit een hoofdzin en een bijzin. De bijzin is een zinsdeel (bijv. onderwerp of lijdend voorwerp) van de hoofdzin. Met andere woorden: de bijzin is ondergeschikt aan de hoofdzin.

 

Tussen de bijzin en de hoofdzin staan betrekkelijke voornaamwoorden of voegwoorden. Betrekkelijke voornaamwoorden zijn o.m.: die, dat, wie, wat, welke. Voegwoorden zijn onder meer: zodat, omdat, doordat, opdat, totdat, nadat, hoe, terwijl, dat, zodra, sinds, sedert, toen, nu, als, zoals, wanneer, aangezien, mits, tenzij, hoewel, ofschoon, al, in plaats van, behalve dat.

 

Nog meer voorbeelden van samengestelde zinnen die een ondergeschikt verband hebben:

 

          Karel eet veel fruit omdat dat gezond is.

          Ik ga Grieks studeren, voordat ik een baan zoek.

          Ik hou op met werken, omdat ik rijk ben.

          Jan, die nogal dik is, eet te veel.

          Wie dit leest is gek.

Karel eet veelfruit. Dat gezond is. * (FOUT)

Ik ga Grieks studeren. Ik een baan zoek * (FOUT)

Ik hou op met werken. Ik rijk ben. * (FOUT)

Jan eet te veel. Nogal dik is. * (FOUT)

Wie dit leest. Is gek. (FOUT)

                                         


Kortom:

·         Uit nevengeschikt samengestelde zinnen kan je zomaar het voegwoord weglaten en dan krijg je twee correcte enkelvoudige zinnen. Je hoeft niets te veranderen.

·         In enkelvoudige zinnen staat de pv vlak bij het onderwerp. Dat is ook zo als je twee enkelvoudige zinnen aan elkaar plakt met nevenschikkende voegwoorden.

·         Uit bijzinnen kan je het voegwoord niet zomaar weglaten zonder de woordvolgorde te veranderen, want dan krijg je een ongrammaticale zin.

·         In bijzinnen staat de pv (vaak) achterin de zin, (vaak) ver weg van het onderwerp. Het lijdend voorwerp of het naamwoordelijk deel van het gezegde staat vaak nog voor het werkwoord in de zin.

·         Een bijzin is dus niet onafhankelijk van de hoofdzin, maar is er ondergeschikt aan.

 

3. Benoeming van bijzinnen. (Ondergeschikte zinnen)

 

Bijzinnen zijn zinsdeel van de hoofdzin: onderwerp (0) , lijdend voorwerp (L,V), meewerkend voorwerp (MV), voorzetsel voorwerp (VV), bijwoordelijke bepaling (BWB), deel van het naamwoordelijk gezegde (NG), bijvoeglijke bepaling (BVB).

De bijzin is te vervangen door woorden zonder persoonsvorm. Voorbeeld:

!Karel /

eet/

om bepaalde redenen /

veelfruit. /

o

pv

bwb

lv

 

wg

 

 

/ Karel/

eet,/

omdat dat gezond is,/

veel fruit./

o

pv

bwb

lv

 

wg

 

 

 

Om bijzinnen te kunnen benoemen, moet je dus eerst vaststellen wat de hoofdzin is. Die ga je ontleden en dan vind je vanzelf wel wat de bijzin voor een zinsdeel is (bij de hoofdzin.)

 

3.1. Onderwerpzinnen

 

Het onderwerp vind je door de vraag te stellen: wie of wat + gezegde.

 

Of ik morgen zal slagen is mij niet bekend

Wat is mij niet bekend?” Antwoord:  "Of ik morgen zal slagen "

 

Het is raar dat je in zulke kleren naar school gaat

"Wat is raar?"  Antwoord: "Het" (= voorlopig onderwerp) en "dat je in zulke kleren naar school gaat" = echte onderwerp. (onderwerpzin)

 

3.2. Lijdend voorwerpzinnen

 

Het lijdend voorwerp vind je door de vraag te stellen: “wie of wat wordt door het Onderwerp ge.... (zelfst. werkwoord uit de zin invullen)”

 

Dat je er hard voor werkt, schijnt niemand in te zien.

Wat schijnt door niemand te worden ingezien ? Antwoord: "Datje er hard voor werkt" = lijdend voorwerp. (lijdend voorwerpzin)

 

Lenny zegt, dat ze ziek is.

Wat wordt door Lenny gezegd? Antwoord: "dat ze ziek is" = lijdend voorwerp. (lijdend voorwerpzin)

3.3 Meewerkend voorwerpzin

 

Het meewerkend voorwerp vind je door er `aan' of `voor' voor te zetten, dan wel weg te laten.

 

Karel geeft cadeaus aan moeder.  (1) Je kan ook zeggen:

Karel geeft moeder cadeaus. (2)

Aan moeder (zin 1) of moeder (zin 2) = mv.

 

Karel geeft cadeaus aan wie hij maar aardig vindt. Je kan ook zeggen:

Wie hij maar aardig vindt, geeft Karel cadeaus.

De onderstreepte bijzinnen zijn meewerkend voorwerp. (meewerkend voorwerpzin)

 

3.4. Voorzetselvoorwerpzin

 

Voorzetselvoorwerpzinnen zijn gemakkelijk te herkennen. Ze zijn bijna altijd van de zogenaamde "er + dat" - constructie. In elk geval is een VV een zinsdeel dat met een vast voorzetsel begint. Het voorzetsel + de woorden die erachter komen vormen samen het VV. Bijvoorbeeld: Ik luister naar muziek. Ik reken op je komst. Ik ben boos over jouw gedrag.

 

We rekenen erop, dat je ook van de partij bent.      

Erop  = voorlopig voorzetselvoorwerp

dat je ook van de partij bent  =. voorzetselvoorwerpzin

                                                                                                                                   

De leraar was er erg boos over, dat Maria haar huiswerk weer niet af had.

Erover = voorlopig voorzetselvoorwerp

dat je ook van de partij bent =. voorzetselvoorwerpzin

                                                                                                                                  

Soms ook wel zonder erop-constructie:

 

We moeten rekening houden met wie eerder weg wil.

met wie eerder weg wil. = voorzetselvoorwerpzin

 

3.5. Bijwoordelijke bijzin

 

Een BWB geeft antwoord op de vraag WAAR? (waar, waarlangs, waarom, waardoor, waarop, waarover). Dat kan een plaats zijn, of een reden, of een oorzaak.

Een BWB geeft antwoord op de vraag WANNEER?. Dat betreft dus een tijd. Een BWB geeft antwoord op de vraag HOE? Dat betreft dus een manier waarop.

 

Omdat het wekenlang regende,  besloten we de vakantie uit te stellen.

Vraag: Waarom besloten we de vakantie uit te stellen? Antwoord: Omdat het wekenlang regende = BWB

= bijwoordelijke bijzin

 

Zodra we thuis zijn, pakken we alle spullen uit.

Vraag: Wanneer pakken we alle spullen uit? Antwoord: Zodra we thuis zijn = BWB (bijwoordelijke bijzin)

 

3.6. Bijvoeglijke bijzin

 

Een bijvoeglijke bepaling zegt iets over een zelfstandig naamwoord; hij geeft antwoord op de vraag: "WAT VOOR EEN?  (+ zelfstandig naamwoord), of WELKE (+ zelfstandig naamwoord).

Het kleine meisje dat zo huilt, is op haar knie gevallen.

Vraag: Welk meisje?

Antwoord: dat zo huilt = BVB (bijvoeglijke bijzin) (En kleine is natuurlijk ook een BVB)

 

Een bijvoeglijke bijzin wordt ook wel een betrekkelijke bijzin genoemd.

 

3.7. Gezegdezin

 

 

Ook het naamwoordelijk deel van het NG kan een bijzin zijn.

 

Dit is wat ik wilde.

NG =  is wat ik wilde

Gezegdezin is dus:  wat ik wilde.

 

 

Voorbeeldzinnen door elkaar: (antwoorden erna)

Onderstreep de bijzin en benoem deze.

 

  1. Wat hij daar zegt kan ik nauwelijks verstaan.
  2. Wie zoiets dappers presteert, verdient een hoge beloning.
  3. De jury geeft de eerste prijs aan wie het eerste komt.
  4. Het is erg aardig datje me geholpen hebt.
  5. Hij blijft wie hij altijd al geweest is.
  6. Onze buurman die plotseling een hartaanval kreeg, ligt in het ziekenhuis.
  7. Toen de hazen de jagers zagen, vluchtten ze weg.
  8. De dag dat ik mijn eerste zwemdiploma haalde, zal ik nooit vergeten.
  9. Wie weet, waar ik dat boek kan vinden?
  10. Als mijn vader naar zijn werk gaat, komt hij bijna altijd in een file terecht.

 

Antwoorden:

1.       Wat hij daar zegt kan ik nauwelijks verstaan. LV-ZIN

  1. Wie zoiets dappers presteert, verdient een hoge beloning. O-ZIN
  2. De jury geeft de eerste prijs aan wie het eerste komt. MV-ZIN
  3. Het is erg aardig dat je me geholpen hebt. O-ZIN (Het = VOORLOPIG OND)

5.       Hij blijft wie hij altijd al geweest is. GEZEGDEZIN (Bijzin is deel van het naamwoordelijk gezegde)

6.       Onze buurman die plotseling een hartaanval kreeg, ligt in het ziekenhuis. BIJVOEGLIJKE BIJZIN

7.       Toen de hazen de jagers zagen, vluchtten ze weg. BIJWOORDELIJKE BIJZIN

  1. De dag dat ik mijn eerste zwemdiploma haalde, zal ik nooit vergeten. LV-ZIN
  2. Wie weet, waar ik dat boek kan vinden? LV-ZIN (!)
  3. Als mijn vader naar zijn werk gaat, komt hij bijna altijd in een file terecht. BIJWOORDELIJKE BIJZIN