Veel dieren zijn schuw of worden pas ’s nachts actief. Je krijgt ze dus niet makkelijk te zien in het bos. Maar als je goed kijkt, kan je gemakkelijk sporen van hen terugvinden.
Uitwerpselen
Aan uitwerpselen kan men zien welke dieren er in een bos leven. De konijnenkeutels zijn heel herkenbaar. Zo legt elk dier zijn eigen vormpje.
Voetsporen
In het bos is het vaak modderig. Daar trekken de dieren zich niets van aan. Als ze door een modderig plekje lopen, laten ze een afdruk achter van hun poten. Daar kan je ook aan zien welke dieren er in een bos leven.
Voedsel
Net zoals jullie, eten dieren ook niet altijd hun bordje leeg. Ze eten enkel het lekkerste op. Knaagdieren en vogels hebben elk hun favoriet stukje van een denappel.
Aan de braakbal van een uil kan je dan weer zien wat hij gegeten heeft. Alles wat hij niet kan verteren, braakt hij terug uit.
Woonplaatsen
De dieren zelf zie je niet zo heel vaak. De meeste dieren zijn schuw en verstoppen zich als ze geluiden horen. Hun woonplaatsen (of de ingang ervan) kan je wel opmerken in het bos. Leer de namen van de woonplaatsen uit je hoofd.
dassenburcht
vossenhol
hazenleger