Search this site
Embedded Files

https://sites.google.com/view/limguarium 

Autobiografie

De Duitse inval, 

Vrijdag de 10e mei 1940

Ik denk dat het tegen zes uur is, die vrijdagmorgen, als ik wakker word doordat iedereen in huis al druk in de weer is. Op mijn vraag wat er aan de hand is, antwoordt moeder dat de Duitsers ons land zijn binnengevallen en dat het nu ook in ons land oorlog is.

Even later sta ik met oma op de hoek van onze straat op het trottoir en zie aan een stuk door Duitse soldaten met karren, auto’s, fietsen en te voet aan ons voorbij trekken, richting Vink. “Die smeerlappen”, zegt oma en dat hoor ik ook andere mensen zeggen. Maar aan de andere kant van de stoep staan mensen en die geven allerlei tassen met lekkers en appelen aan die smeerlappen. Ik begrijp er niets van, maar later legt vader me uit dat deze mensen NSB-ers en landverraders zijn en dat zij heulen met onze vijanden en dat maakt grote indruk op me. 

Gerard Zijlstra, mijnwerker, vakbondsman, verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog, vertelt:

Ik herinner me dat ik de Duitsers op de dag van de inval op 10 mei 1940 in Schaesberg op de Molenweg zag aankomen. Voorop reed een Duitse soldaat met motor en zijspan met hierop een mitrailleur. Een omwonende riep naar de oude mevrouw Ruiters, die in de Brugstraat een kolenzaak had, dat de “Pruisen” binnenvielen. Mevrouw Ruiters antwoordde hierop, dat die ook wel weer weg zouden gaan en ging gewoon door met haar werk, het stoken van de bakoven wat zij altijd op vrijdag deed. Zij had een zoon die op dat moment als militair op de Grebbenberg gelegerd was.

Bij het Streeperkruis in Schaesberg trokken de Duitse troepen voorbij zonder dat er een schot was gevallen. Bij ons thuis wisselden vijf Nederlandse soldaten afkomstig van hun stelling in Eijgelshoven in de garage hun uniformen voor burgerkleding. Zij lieten hun geweren, pistolen en munitie liggen en gingen er op de fiets vandoor. Dit was vroeg in de ochtend tussen vijf en zes uur. Vader ging naar het politiebureau om te vragen of men de wapens wilde komen ophalen. In onze benedenwoning woonde een NSB-er die met een buurmeisje getrouwd was. Omdat mijn vader de Nederlandse soldaten hielp met o.a. kleding riep de NSB-er: “franc- tireur”, wat betekende dat hij het Duitse leger probeerde te benadelen. Omdat de politie angst had om de spullen op te halen, heeft vader de uniformen, munitie en wapens maar op een karretje gelegd en naar het politiebureau gebracht en daar achter gelaten.

De Duitsers werden tijdens hun intocht door een aantal in Schaesberg wonende Duitse vrouwen onthaald met kannen koffie. Ook was er een groentehandelaar, die buiten bij zijn zaak kisten sinaasappels had staan. Deze werden door de Duitsers allemaal gekocht. Dit was namelijk een product dat in Duitsland zeer schaars was.

Destijds was ca.10% van de bevolking van de Mijnstreek Duitser, waarvan velen na de Eerste Wereldoorlog of tijdens de twintiger jaren naar de mijnstreek waren gekomen. In Duitsland heerste grote werkeloosheid. De meesten waren werkzaam in de mijnindustrie. Nederland had nog geen mijnhistorie. De mijnen hadden behoefte aan goed geschoolde vakarbeiders. Veel Duitsers kregen zelfs een leidinggevende positie. 

Na de Duitse inval werden veel Duitsers direct lid van de NSDAP (Nationaal Socialistische Duitse Arbeiders Partij) en de SA (Schutz Abteilung). Dit uitte zich in provocerend gedrag door ieder weekend in SA-uniform brullend, zingend en stampend marcherend door Schaesberg te trekken. Er woonden hier echter ook enkele Duitsers die zich anti-Duits toonden. 

Herfst 1944, 

KERKRADE

Woensdag 20 september 1944 is heel Zuid-Limburg gbevrijd tot aan de Duitse grens en de flessenhals bij Susteren. Alleen Eygelshoven en Kerkrade zijn nog in handen van de Duitsers. Op donderdag 21 september valt het Amerikaanse 119e regiment vanuit Nieuwenhagen Eygelshoven binnen, dat sinds 19 september in de frontlijn ligt. De Old Hickories kunnen het oude mijndorp pas na enkele dagen van verbitterde gevechten op maandag 25 september innemen. Via Haanrade trekken zij dan tot de Duitse grens en hierdoor komen de bezetters van Kerkrade in de knel te zitten.

Op deze 25e september 1944 staat heel vroeg 's morgens de politie voor de deur. Iedereen, en huis voor huis, wordt bevolen om vóór twaalf uur die middag de stad te verlaten. Heel Kerkrade moet evacueren op bevel van de bezetter. De hele straat is in paniek.

Moeder begint alles wat zij denkt nodig te hebben in te pakken en in de gang gereed te zetten.

Op straat is druk overleg tussen de buren over wat er allemaal mee moet. Buurman Giel Lauvenberg, de melkboer, verdeelt alle mogelijke melkproducten onder de vertrekkenden, ‘omdat’, zegt hij, ‘het beter is dat zijn buren het gebruiken dan dat die Pruisen het opvreten’.

Dan is het zover, moeder met een volgeladen kinderwagen, vader met de fiets en ik zelf met de fiets van moeder, niet de nieuwste meer, en in plaats van banden een stuk persluchtslang om de wielen. Ook de fietsen zijn volgeladen, zodat ik moeite heb om balans te vinden. Fietsen is er niet bij, want er ligt een zak dwars boven de pedalen. Wat er in zat weet ik niet meer.

Zus Tiny is met haar vier jaar de jongste en mag af en toe op de kinderwagen zitten. De achtjarige Mia stapt al flink mee met Oma. Eerst gaat het naar het Ploumhuisje in de Chevremontstraat om de andere Oma op te halen. Niemand weet op dat moment, dat men het geliefde huisje, waar zoveel herinneringen achter blijven, niet meer terug zal zien.

Via de Niersprink gaat het naar Kerkrade en daar bij Wijnen’s Bazar in de Grupellostraat verzamelen zich alle evacué’s en de stoet groeit en groeit als het verder gaat richting station en men de Hamweg volgt naar Spekholzerheide. Inmiddels zijn er zo'n 30.000 mensen onderweg. Bij Schifferhof net om de bocht staan de eerste Amerikaanse soldaten. Wat een opluchting gaat er door de rijen.

Waar het uiteindelijk naar toe zal gaan weet geen mens. Na Spekholzerheide voert de vlucht tot de Rukkerweg en tot vertwijfeling van vooral de ouderen gaat het niet richting Heerlerbaan, maar moet de stoet verder over de Wijnweg richting Imstenrade - Ubachsberg. Kilometers rechts en links alleen maar velden en akkers. In de weilanden en boomgaarden bij het klooster staan kanonnen en tanks opgesteld van de bevrijders. Toch wel beangstigend.

Opeens, zonder waarschuwing klinkt er het bekende geluid van neerkomende granaten. Iedereen begint te schreeuwen. Vader schreeuwt zo hard hij kan, dat iedereen door moet lopen om van deze plek weg te komen. Gelukkig blijkt in onze groep niemand gewond te zijn door de inslaande granaten, maar later blijken toch achter ons een tiental doden en meer dan vijftig gewonden te zijn gevallen.

Tegen de namiddag belanden we in Ubachsberg en onze groep vindt een voorlopige rustplaats in een klas van de dorpsschool. Een paar mannen gaan op onderzoek uit en als vader terug komt lijkt het hem het beste om hier te overnachten en morgen in de richting van Heerlen verder te trekken om onderkomen te vinden, want het hele dorp zit vol met evacué’s. Beide oma's, 70 en 71 jaar oud, zijn doodop en moeder, die in de vijfde maand zwanger is, kan echt niet meer verder.

De volgende morgen vertrekken we al vroeg en van die tocht herinner ik me later alleen maar, dat die rot fiets zwaarder en zwaarder werd. Wel staat de aankomst in Heerlen in mijn geheugen gegrift.

In de Looierstraat zijn veel Heerlenaren samengestroomd om de evacué’s te helpen.

Opeens roept iemand: ’Ik kan vier man bij mij thuis opnemen‘. Vader is er direct bij en zegt dat wij met z'n vijven zijn. ‘Geen bezwaar’, klinkt het antwoord. ‘Ja maar’, komt vader weer, ‘ik heb nog twee oma's en een broer en een zus bij me’. Maar ook nu komt onmiddellijk de oplossing. Twee echtparen verklaren zich bereid om hen in huis te nemen.

Zo belanden we bij de familie Leuven in de Geerstraat, die hier een schildersbedrijf heeft. Het is wel een groot huis maar de familie Leuven bestaat zelf al uit minstens negen personen en om er dan maar eventjes een vijfkoppige familie bij te pakken, getuigt toch van enorm veel mensenliefde.

Ons verblijf in Heerlen zal toch een dikke maand gaan duren, want pas op 23 oktober krijgen de geëvacueerden het sein, dat alle Kerkradenaren weer naar huis mogen.

BROICHWEIDEN

Helene Dautzenberg destijds wonende in het Duitse dorp Broichweiden op zo’n twintig kilometer van Kerkrade herinnert zich:

In 1949 is mijn vader teruggekeerd uit Joegoslavië, waar hij bij de capitulatie van Hitler Duitsland als krijgsgevangene achterbleef. Ik was dertien, mijn broer elf en mijn zusje vijf jaar Vooral wij kinderen moesten er aan wennen, dat vader weer thuis was. Mijn jongere zusje, zag de eerste tijd in hem een vreemde. Moeder had een enorm moeilijke tijd achter zich. Zij heeft helemaal alleen haar drie kinderen door de oorlog moeten loodsen. Naar haar zeggen was vooral de tijd tussen september 1944 en juni 1945 een verschrikking.

Op 11 september 1944 kreeg de plaatselijke Ortsgruppenleiter het bevel om Broichweiden vrij te maken van Duitse inwoners. Desnoods onder dwang moest iedere bewoner het dorp verlaten. De legerleiding wilde onder geen voorwaarde dat de vijand Duitsers in het door hem veroverde gebied zou aantreffen. Binnen enkele uren waren alle bereikbare burgers in bussen geladen en naar het dichtstbijzijnde spoorwegstation gebracht. Van hier ging het met onbekende bestemming verder. Veel dorpsgenoten ontmoetten elkaar weer in Nieder-Sachsen. Onze familie is in Dettum bij Braunschweig terechtgekomen op een boerderij. Moeder schreef later in een brief aan vader dat zij het heel goed getroffen had. Het enigste wat zij bezat was wat handbagage.

Mijn tante, die met ons gezin samen woonde ten tijde van deze oorlogsjaren, verwachtte haar derde kind eind november 1944. Omdat haar man op de mijn Goulay werkte en zij in verwachting was, werd zij niet gedwongen om te evacueren en was een van de 398 inwoners die in ons dorp achterbleven.

Midden september, enkele dagen na de evacuatie, begon voor deze mensen de zwaarste tijd. Broichweiden lag onder Amerikaans artillerievuur, de water- en stroomverzorging werd onderbroken en op 16 september vielen de eerste doden in het dorp. Begin oktober werd Aken door de Amerikanen bezet en de frontlinie verplaatst tot Kaninsberg. De Amerikanen lagen voor Stolberg, Eschweiler en Verlautenheide. Van hieruit trokken zij door Würselen tot De Birk en tot Alsdorf. Broichweiden en een deel van Würselen lagen in een hoefijzervormig gebied, aan drie kanten blootgesteld aan het Amerikaanse artillerievuur. Omdat er zich een uitkijkpost in de kerktoren genesteld had, werd deze op 11 oktober 1944 zwaar onder vuur genomen en de torenspits werd weggevaagd. Op 18 november 1944 trokken de Amerikanen, via St.Jobs en Dobach, Broichweiden binnen. Het hele dorp was één grote puinhoop. De hoofdstraat was onbruikbaar. De kapot geschoten tramrails staken her en der in de lucht.

Van de 1300 huizen, die in het begin van de oorlog in de gemeente Broichweiden geteld werden, waren er 1249 beschadigd of vernield. Totaal verwoest waren 232 huizen. Pas in april 1945 was er weer elektrisch licht in het dorp, water pas op 9 mei.

398 Inwoners waren dus niet geëvacueerd. Tot 1 januari 1945 kwamen 103 personen terug. Een jaar later waren er weer 6833 inwoners.

Mijn moeder kon pas in juni 1945 weer naar huis met haar drie kinderen, maar stond er nog steeds alleen voor. Vader bevond zich vanaf 8 mei 1945 tot december 1948 in het Donaulager in Belgrado, en het enigste wat hij kon doen was af en toe een troostende brief schrijven. Pas vanaf 1949 toen ons gezin weer herenigd was, besefte ik dat deze vreselijke oorlog nu voorbij was.

AKEN

Uit het dagboek van zuster Maria Schaefer.

Zo naderde het jaar 1944. Altijd donkerder wolken pakten zich samen boven de Duitse oorlogsfronten. Na de invasie van de Amerikaanse troepen in Frankrijk werden de bange verwachtingen steeds groter. Reeds in juli en augustus werd bekend dat de Amerikanen via België en Nederland optrokken naar de Duitse grenzen.

Steeds vaker konden we Duitse soldaten zien, die individueel op fietsen en zelfs met pantservoertuigen op de vlucht waren, maar ook in karavanen.

Er werd overlegd om het lazaret naar Aken te verplaatsen. De gewonden en zieken werden geleidelijk afgevoerd. Een bunker in Aken, de Saarbunker bij Ponttor, zou als lazaret ingericht en als opname bunker gereed gemaakt worden.

Het afscheid van Bloemendal viel iedereen zeer zwaar. Op 8 september zou de verhuizing plaats vinden. Ondertussen waren ook de zusters uit het deellazaret Eupen naar Bloemendal gekomen, omdat Eupen kort voor de inname door de Amerikanen stond. Op de ochtend van 8 september leek de voortuin van het huis op een kleine legerplaats. Een grote bus stond klaar. De gehele bagage van de zusters en de hospikken, pakketten, emmers enz. met levensmiddelen lag er omheen. Alles was in rep en roer en wachtte op de aanwijzingen van de “Oberfeldarzt”. Deze had bijna de gehele nacht met andere officieren aan de telefoon gezeten en geluisterd naar de legerberichten. Er kon niet meer getreuzeld worden, we moesten afscheid nemen. De voor de Saarbunker bestemde zusters reden naar Aken. Een groep ging naar het moederhuis in Aken en de overigen op aanwijzing van de Oberfeldarzt naar Düren.

Op 12 september, moest volgens bevel van Hitler geheel Aken ontruimd worden. Naar wij later hebben ervaren, heerste daarover in Aken veel opwinding en gejammer. In ieder geval was het zo, dat na het vertrek van partijfunctionarissen na middernacht geen trein meer reed. In deze nacht kwamen er veel mensen, die geen trein meer konden krijgen, naar de bunker. Met handkarretjes trokken zij rond. Wij hebben de hele nacht voor al die mensen gezorgd en hun eten en drinken gegeven. We hoorden dat de commandant, Graf Schwerin, verboden had om te evacueren. Er werd gezegd, dat hij Aken wilde overgeven en dat hij door Hitler hiervoor ter dood was veroordeeld. De veroordeling is echter niet uitgevoerd. In deze nacht was er geen stroom, geen gas, geen licht en geen water meer.

Af en toe hoorden we, dat de Amerikanen steeds dichter in de buurt van Aken kwamen en al in enkele wijken van de stad waren doorgedrongen.

Op 10 oktober wierp een Amerikaans vliegtuig pamfletten af. We wisten eerst niet goed wat dat was en hebben er toch twee van kunnen opvangen. Wij zagen dat het een ultimatum en een toegangspas (Passierschein) voor soldaten was, die zich over wilden geven.

Het ultimatum eiste de overgave van Aken, ofwel de volledige verwoesting.

Het ultimatum eindigde op 11 oktober om 12.00 uur.

19 oktober. Tegen 10.00 uur in de voormiddag zag men vanuit de bunker in de richting Boxgraben op een puinhoop aan de rechterstraathoek Südstrasse / Boxgraben, soldaten ijverig zwaaien. Bij nader toezien zag men dat het Amerikanen waren.

Op 21 oktober 1944 werd Aken door de Amerikanen ingenomen. De eerste grote Duitse stad uit duizend wonden bloedend, vernield, verwoest en verlaten.

Tegen 15.00 uur ’s namiddags hoorden we zeggen: “Aken heeft zich via generaal Wilk overgegeven.”

Vlucht uit Rolduc, 

Rolduc opent weldra zijn poorten voor de leerlingen en voor mij begint dan het internaatsleven. Om hierop goed voorbereid te zijn gaan meester Bloemen en kapelaan Boessen proberen mij de beginselen van algebra, meetkunde en Frans bij te brengen. Als dan vanuit Rolduc het startsein komt brengt moeder me te voet door het Rolduckerveld er naar toe en opeens sta ik daar met mijn rieten koffertje tussen alleen maar onbekende gezichten.

Waarschijnlijk omdat ik er vooral de eerste jaren met hart en ziel achter sta om er op Rolduc het beste van te maken, laat ik alles over me heen komen. In het begin is het natuurlijk enorm spannend, maar ik ben er heel gauw achter wat een internaat eigenlijk betekent. Al is je ouderlijk huis maar een dikke kilometer weg, het duurt toch minstens drie maanden tot je weer eens naar huis mag. Je staat er dan echt alleen voor.

Met het verstrijken der jaren groeit nu mijn weerstand tegen dit internaatsleven, ondanks dat er ook wel leuke dingen gebeuren. 

Maar ik besef steeds meer, dat deze opleiding tot priester voor mij toch niet het ware is, maar ik heb het gevoel dat ik daar bijna met niemand over kan praten. 

Steeds vaker ben ik de laatste jaren geconfronteerd met regels en voorschriften, waar ik het nut en de belangrijkheid niet van kan inzien en opeens barst dan in het voorjaar van 1949 de bom.

Na een incidentje bij een van de voor de Kerkraadse bevolking opengestelde schaatsvijvers moet ik op het matje komen bij de president en dan wordt van me verwacht dat ik schriftelijk uitleg geef over mijn gedrag. Wat is er gebeurd?

Als ik zonder toestemming de helling langs de vijver oploop komt er een slee naar beneden suizen en daar ligt iemand op die ik moet kennen, want mijn naam wordt luidkeels geroepen. Ik bedenk me niet lang en als de slee me passeert, spring ik er boven op en vlieg mee naar beneden. Deze actie wordt gezien en tot overmaat van ramp is de figuur op de slee een dochter van onze achterbuurman. Als ik een uur later achter een kladblaadje zit en ik op papier moet zetten welke gedachten er door mijn hoofd spookten bij mijn optreden, breekt er iets in me.

De volgende morgen pak ik mijn koffertje en ga zonder afscheid te nemen de poort uit. 

Voor vader vooral is de teleurstelling groot. 

Wat wil je dan wel? is vaders dringende vraag.

Werken wil ik en anders niks, is het antwoord. Laat mij ook op de mijn beginnen.

En dan eindelijk, na heel wat heen en weer gepraat, begint voor mij dan ook het mijnwerkersleven in de voetsporen van vader, grootvader, overgrootvader en betovergrootvader, ofschoon vader het er helemaal niet mee eens is.

Laura en Julia, 

Nooit zal ik mijn eerste ondergrondse dag vergeten. Het was op de mijn Laura in Eygelshoven, waar mijn vader ooit ook begon. Het was april 1950 en om het voor mij iets makkelijker te maken was het echt guur weer. Echt weer om binnen te blijven. "Kleed je om, ga naar de schacht en daal af naar de 378 meter verdieping. Loop daar een honderd meter rechtuit en wacht daar op orders", zo klonk het aan het loket waar ik mij moest melden. Mijn mijnwerkerskleding had moeder al in Heerlen gekocht inclusief veiligheidsschoenen met stalen neuzen, ik vond dat ik er krijgshaftig uitzag. "Ben jij 629?" klonk het opeens toen ik een beetje verloren op een kruispunt van enkele steengangen stond te wachten op wat komen ging. Ik voelde me onmiddellijk gedegradeerd tot een nummer. “Jawel”, antwoordde ik desondanks en daarna kreeg ik van een opzichter de opdracht om een kilometer of twee rechtdoor de steengang af te lopen tot aan een opbraak, genummerd 102. Dan daar zeven ladders naar boven te klimmen en me te melden bij Jan. Deze Jan bleek de voorman te zijn van een ploeg gedetineerden, die verantwoordelijk waren voor de aanvoer van alle benodigde materialen op een voorbereidingspost, wel een stuk of vijf hellingen hogerop in de kolenlaag. Deze gedetineerden waren Nederlanders die direct na de bevrijding veroordeeld waren tot een aantal jaren werkkamp wegens collaboratie met de Duitsers. Na een boterhammetje gegeten te hebben, zag ik tot mijn ontzetting, dat deze kerels zich om de beurt een stuk spoorrail van dik twee en een halve meter lang op de schouder laadden en begonnen aan de klim tegen de helling. Ik denk, dat ik er na een kwartier in geslaagd was om ook zo'n stuk ijzer op mijn schouder in balans te krijgen en op dat moment heb ik gedacht: verdomme, was ik toch maar kapelaan geworden! 

Toen ik thuis kwam en iedereen mijn gehavende schouders zag, had men medelijden met me, maar ik deed natuurlijk alsof mij dat totaal niet deerde en hing de stoere mijnwerker uit. Ik begon mijn mijnwerkersloopbaan dus als postsleper en na verloop van tijd werd ik bevorderd tot hulphouwer en volgde de inzet aan het kolenfront en de houwercursus en begon ik echt wat geld te verdienen en dat was thuis ook meer dan welkom. 

Ofschoon ik er helemaal geen voorstander van ben, ga ik dan na twee jaar onder stevige druk toch de Mijnschool in Heerlen volgen en behaal in 1955 mijn opzichtersdiploma en deze functie zal ik blijven vervullen op de mijn Laura tot 1967 en vervolgens tot september 1969 op de mijn Julia, omdat inmiddels de Laura gesloten is.

Amadeo Caselli, 

Al tijdens mijn studie op de Mijnschool heb ik Helene leren kennen en ofschoon ik niet in navolging van mijn vader alle ondergrondse mijnwagens heb volgeschreven met de naam Helene zoals hij dit deed met de naam Maria, blijkt dit toch wel een kennismaking met grote gevolgen te zijn.

Op 6 augustus 1958 wordt ons kerkelijk huwelijk voltrokken in de St.Luciakerk van Broichweiden.

We gaan regelmatig op vakantie en dat wil zeggen met de tent. Vaak samen met Free en Kete naar Hellenthal of Ruhrberg in de Eifel maar in 1962 gaan we zelfs naar Italië via de Fernpas naar Marina di Ravenna en de camping Romea.

Tijdens deze vakantie maken we een tochtje naar Florence en zien onderweg het verkeersbord dat verwijst naar Forli. Free heeft tijdens onze huwelijksreis kennis gemaakt met een muzikant van de harmonie uit deze stad. Deze Amadeus Caselli was in die tijd gast bij pa en ma. De bemiddeling was gebeurd door harmonie St. Philomena van Chevremont. We overleggen niet lang maar besluiten deze Amadeo op te zoeken. Maar ja we hebben geen adres, maar daar komen we met ‘briljant’ recherchewerk wel achter. Op een dag gaan we naar Forli en bezoeken eerst de kathedraal en als ik hier een jonge geestelijke zie rondlopen veronderstel ik dat dat wel eens de biechtvader van Amadeo zou kunnen zijn.

Na een korte aarzeling spreek ik hem aan en met een mengeling van Engels, Frans en Duits lukt het om hem uit te leggen dat wij uit Holland komen en ik herinner me niet meer hoe, maar plotseling hebben we het over harmonie Philomena en hij weet dat deze in Forli heeft geconcerteerd.

Dan vraag ik hem naar Amadeo Caselli en hij trekt me aan een mouw mee naar de sacristie, neemt een telefoonboek en ik zie hem zoeken tussen de Caselli’s in Forli. Hij geeft ons een knipoog en begint een nummer te draaien. Als de telefoon overgaat begint een gesprek waar ik niks van versta. Dan grijpt hij een bloknoot en begint straten te schetsen en ik begrijp dat hij ons de te volgen route naar Amadeo’s huis op papier zet. Hoe is het mogelijk.

We bedanken hem uitvoerig en lopen naar onze auto. Free dirigeert me verder aan de hand van de ‘kapelaansroute’ en warempel, na een kwartiertje rijden roept hij opeens: “Stop hier, daar staat Amadeo persoonlijk aan de rand van het trottoir”.

De wonderen zijn warempel de wereld nog niet uit.

Een minuut later omhelzen Free en Amadeo elkaar en pas nu blijkt dat Amadeo uit het gesprek met onze gids heeft begrepen dat niet ik maar Pa samen met Free er aan zat te komen.

Na uitvoerige kennismaking nodigt hij ons uit in zijn woning en we maken ook kennis met zijn echtgenote. Zij blijken over een prachtige woning te beschikken en al gauw blijft er niets meer over van die doodgewone Italiaanse muzikant, maar deze ontpopt zich als een ware mecenas. Hun dochter was dit jaar schoonheidskoningin van deze streek en zijn aanstaande schoonzoon is een van Italië’s grootste architecten en deze bezit zelfs een eigen vliegtuig. 

Omdat de conversatie met armen benen plaatsvindt, vraagt hij me om mee te gaan naar een klein tabakswinkeltje tegenover zijn woning. En daar is een meisje dat goed Duits spreekt.

Zij legt ons uit dat Amadeo en zijn vrouw ons voor komende zondag uitnodigen om hun gast te zijn.

We worden dan tegen tien uur verwacht en we zullen dan samen naar de kerk gaan en daarna zal zijn dochter en haar verloofde ook thuis zijn en zijn dochter spreekt volgens Amadeo Engels, en Enzo, haar verloofde, spreekt Frans.

Dus dan zijn de conversatieproblemen opgelost. Als we samen met de familie Caselli de kerk betreden gaan de overige gelovigen in het kleine kerkje respectvol recht staan en buigen zelfs voor onze gastheer.

We zijn behoorlijk onder de indruk, maar we zijn er niet achtergekomen welke rol onze Amadeo hier vervult. In ieder geval beleven wij een prachtige dag met een heerlijk uitgebreid diner, geheel bereid door mevrouw Caselli. In de namiddag begeleidt de hele familie ons tijdens een tochtje door deze prachtige landstreek en bezoeken we het plaatsje Praedapio, de geboorteplaats van Mussolini en later zijn praalgraf op het nabijgelegen kerkhof. We vallen van de ene verbazing in de andere. Als we Ravenna verlaten gaan we voor enkele dagen naar Chioggia bij Venetië en bezoeken de Lagunestad natuurlijk uitvoerig. We kunnen terugkijken op een prachtige vakantie.

Bos en Kalis, 

Op 17 december 1965 maakt Minister Den Uyl in de Heerlense schouwburg de z.g. Mijnnota over sluiting van de kolenmijnen bekend.

Ik ben in 1968 zesendertig jaar oud en ik vind, dat ik niet moet afwachten wat de tijd zal brengen en ga op eigen initiatief op zoek naar vervangend werk…

Het is al langer bekend dat de grote baggermaatschappijen in het Westen belangstelling tonen om mijnopzichters in dienst te nemen.

Als ik daarna een gesprek heb gehad met de personeelschef van Bos en Kalis (in Sliedrecht), zijn wij het gauw eens.

Ik kan direct bij hun in dienst treden, mits het beruchte artikel 56 van de kolen- en staalgemeenschap, waarbij tijdens een proefperiode het salaris door de ex-werkgever doorbetaald wordt, door de directie van Laura en Vereniging aangevraagd zal worden. Bij terugkomst op de mijn verwacht ik dat men blij zal zijn, dat ik zelf inititatief getoond heb en men zich over mij geen zorgen hoeft te maken, maar het tegendeel is waar.

Mij wordt onomwonden duidelijk gemaakt, dat er op eigen initiatief geen prijs wordt gesteld en dat mijn naam op de lijst staat van medewerkers, die tot het bittere eind in dienst van L & V moeten blijven en dat er dan wel voor mij gezorgd zal worden.

Het gevecht dat ik dan met ondersteuning van de Katholieke Vereniging van Mijnbeambten aanga duurt evenwel tot september 1969 en dan krijg ik, toch nog onverwachts, hun toestemming.

Alles komt in een stroomversnelling en een week later ben ik al aan het werk voor Bos en Kalis in Den Bosch. ’s Maandagsmorgens in alle vroegte vertrek ik naar mijn eerste werkplek, Helene met de kinderen achterlatend.

Het is alsof dit alles een fluitje van een cent was, maar het tegendeel is waar.

Ik was de afgelopen twintig jaar bijna dag en nacht bezig met mijn werk op de mijnen Laura en Julia in Eygelshoven. Het hele leven van ons kleine gezin werd door dit werk bepaald. Wel werd dit leven zeer aan regels gebonden, die traditioneel verbonden waren met het mijnwerkersleven. Vooral de enorme discipline, die er heerste, besef ik pas echt na mijn afscheid. Werktijden, verlofperiodes en de aard van de werkzaamheden werden van boven af bijna altijd zonder overleg vastgesteld.

Protesten waren bijzonder zeldzaam. Ik heb in die twintig jaar nooit beleefd dat een collega een opdracht niet accepteerde en er de brui aan gaf. Werk en inkomen bleven gegarandeerd zolang je het maar eens bleef met je bazen. Het plezier dat ik beleefd heb van mijn werk als opzichter bestond voor het grootste deel uit de omgang met het aan mij toevertrouwde personeel. Waarschijnlijk zorgde een aangeboren instinct ervoor dat ik bij mijn mensen heel snel werd geaccepteerd.

Bij mijn afscheid van de mijn zijn Helene en ik elf jaar getrouwd en er heerste in ons gezinnetje een vanzelfsprekende regelmaat. Dit zal nu drastisch gaan veranderen. De afstand naar het werk en het feit dat de bovengenoemde regelmatigheid gaat verdwijnen zal zijn invloed hebben op ons gezinsleven. We hopen beide dat we daar tegen bestand zullen zijn. Helene zal het leeuwendeel van deze veranderingen gaan bespeuren. Onze kinderen zijn nu tien en zeven jaar en eisen haar volledig op.

Zelf heb ik geen idee van wat mij boven het hoofd hangt. Het doet me denken aan de overgang van het internaat Rolduc naar mijn eerste werkdag op de mijn Julia.

Mijn eerste kennismaking met Bos en Kalis, mijn nieuwe werkgever, zal in Den Bosch plaats vinden. Het klikt bijna onmiddellijk met de nieuwe collegae. Vooral het feit, dat er hier op het water en met schepen gewerkt wordt is voor mij als ex-ondergronder een enorme verandering.

Ook voor het personeel waar ik mee te doen krijg zal het feit, dat er nu een zuiderling die volgens overlevering water alleen maar kent van de badkuip en een fikse regenbui, hun baas gaat worden een vreemd idee geweest zijn. Vooral als ik bij mijn eerste kennismaking door een ongelukkige manoeuvre te water raak en me kletsnat, en net niet verzopen, aan mijn crew moet voorstellen.

Maar alles valt honderd procent mee en na twee maanden krijg ik te horen dat men afziet van verdere proeftijd en volgt er de vaste aanstelling.

De telefoon is nu de verbinding met Helene en de kinderen van maandag tot vrijdag. De werktijden zijn zo ongeveer het dubbele van voorheen. Er wordt bij de baggerwerkzaamheden vierentwintig uur per dag gewerkt en als er problemen zijn, dan is het vanzelfsprekend dat de uitvoerder ter plekke is.

Alles bij alles is het voor Helene waarschijnlijk moeilijker aan de nieuwe toestand te wennen, dan voor mijzelf. Zij staat er nu de hele week alleen voor en zal bijna alle problemen alleen moeten oplossen.

Het allergrootste en ook het aangenaamste verschil van werken is de omgang met collega’s en bazen. Ik voel dit als een enorme bevrijding en al zijn de werktijden niet te vergelijken met die in de mijn, het gevoel van vrijheid overheerst.

Atlantique Dragage, 

Op een goede dag wordt aan mij gevraagd om zo spoedig mogelijk naar St. Nazaire in Frankrijk te vertrekken om daar mijn vroegere collega, Bart Metselaar, te gaan assisteren.

Dan volgt overleg met Helene en het eind van het liedje is, dat voor de volgende jaren eerst St. Nazaire en daarna Le Verdon, Soulac en Bordeaux mijn werkterrein zullen worden. De eerste tijd gebeurt dit uit en thuis steeds met de auto, twaalf honderd kilometer enkele reis.

Later wordt het vliegen. Iedere veertien dagen een lang weekend thuis en iedere twee weken gebruik maken van zes vliegtuigen. Ik moet namelijk vanaf St. Nazaire of Bordeaux eerst naar Parijs, dan naar Amsterdam en vervolgens naar Maastricht vliegen.

Tijdens onze werkzaamheden werken we nauw samen met de ambtenaren van Port Autonome, zeg maar de Franse Rijkswaterstaat en we zijn in korte tijd kind aan huis in de beroemde haven.

Natuurlijk zijn er mensen die het wel leuk zouden vinden om een kleine vakantie hier in St. Nazaire te plannen. Zo krijg ik in verloop van tijd bezoek van Henk en Annie, Mia en Jan en zelfs van pa met onze neef Free uit Horbach.

Wat ik me van Mia en Jan herinner is vooral de eerste dag. Ze zullen met de auto komen en als ik Jan nadere uitleg wil geven dan wimpelt hij dat af en beweert dat hij tot nu toe nog overal zijn doel heeft bereikt. Nou dat heeft hij geweten.

Aangekomen in St. Nazaire blijkt al dat hij überhaupt geen adres bij zich heeft van mijn appartement in Villes. Goede raad is duur, maar ja, Jan weet raad. 

Ze zoeken het politiebureau voor verdere hulp. Volgens Jan doe je dat logischerwijze altijd in het buitenland. Maar hij krijgt nog gelijk ook.

Na een half uurtje en nadat Jan de naam Bos en Kalis en het woord baggeren heeft laten vallen weet een der agenten dat er in de haven een Nederlands schip ligt en hij begeleidt hun daarnaar toe.

Als ze in de havenbuurt komen ziet Mia plotseling een hotel met de naam Le Pilotage en zij herinnert zich dat ik die naam genoemd heb en dat ik hun geadviseerd heb om daar te logeren.

Ze besluiten de politie verder met rust te laten om in dit hotel dan maar iets te gaan eten, want het is toch etenstijd. Als de eigenaresse het bestelde eten serveert vraagt Jan op advies van Mia langs zijn neus weg of zij misschien monsieur Jo Ploum uit Holland kent. Tot zijn enorme verbazing antwoordt deze Française onmiddellijk: “Bien sûr, monsieur, je connais très bien monsieur Ploum d’Atlantique Dragage. Si vous voulez, je peux l’appeler au téléphone.” Als Jan van zijn verbazing is bekomen knikt hij natuurlijk van ja. Even later rinkelt bij mij op kantoor de telefoon en jawel hoor dan hoor ik dat mijn zus en mijn zwager aan tafel zitten in Le Pilotage. 

Het is dit hotel waar ik regelmatig gasten van Boskalis onderbreng en waar ikzelf heel vaak alleen of met gasten ga eten.

Natuurlijk ga ik zo snel mogelijk naar het hotel en hoor van Mia dat ze zelfs een kamer gereserveerd hebben omdat ze bij aankomst niet verwachtten mij zo snel te vinden. Deze kamer kregen zij pas aangeboden nadat de eigenaresse gehoord had dat Mia mijn zus was en daarom bood zij hun zelfs de kamer aan van hun in Parijs studerende dochter, want eerst had de kelner gezegd dat alle kamers bezet waren. Mia en Jan besluiten dan ook om in het hotel te blijven, want ze zijn echt te moe om nu nog mee te gaan. Na nog een afzakkertje zoeken zij dan ook hun bed op.

Jan is nog op de badkamer als hij Mia plotseling hoort gillen. Hij stormt natuurlijk in die richting en Mia wijst totaal verstard op haar bed. Daar ligt in haar volle lengte een reuzenslang uitgestrekt. Zelfs Jan, die toch niet voor een kleintje vervaard is, verstijft een moment tot hij ontdekt dat dit een plastic exemplaar is.

Wat blijkt achteraf? De zoon des huizes heeft dit angstaanjagend exemplaar daar gedeponeerd om zijn zus de stuipen op het lijf te jagen, niet wetende dat zijn moeder deze kamer aan gasten zou aanbieden. Mevrouw weet later niet hoe ze zich moet verontschuldigen voor wat zij een ware ramp heeft gevonden.

Daar ben ik het helemaal niet mee eens want we hebben daar later nog heel vaak om gelachen, het was een heel aparte binnenkomer.

De Hemspoortunnel is voor mij weer een heel nieuw aspect van de waterbouw, maar die variatie is wel het meest aantrekkelijke van dit werk. Het is een spoortunnel onder het Noordzeekanaal en hij ligt in de spoorlijn Amsterdam-Alkmaar, tussen de stations Amsterdam-Sloterdijk en Zaandam. De tunnel werd in gebruik genomen in 1983 ter vervanging van de Hembrug. Het is een afgezonken tunnel. Bij de afzinkmethode worden in een droogdok afzonderlijke tunnelsegmenten gebouwd, die aan de beide kopeinden van een tijdelijke afsluiting worden voorzien. Wanneer de tunnelelementen klaar zijn, wordt het droogdok onder water gezet. De tunnelelementen gaan dan drijven. Vervolgens worden ze een voor een naar de plaats waar de tunnel komt gesleept, waar ze worden neergelaten in een speciaal hiervoor gebaggerde sleuf, en de elementen aan elkaar worden gekoppeld.

Omdat niet al het goederenvervoer van en naar de Hoogovens te IJmuiden via de Velsertunnel kan, vanwege de steile hellingen, moet dit via Zaandam worden afgewikkeld. Hierom kreeg de Hemtunnel langere hellingen en een derde spoor om extra capaciteit voor het goederenvervoer te hebben.

Met de ingebruikname van de Hemtunnel werd de eerste fase van het nieuwe station Sloterdijk in gebruik genomen en ook Zaandam kreeg een nieuw station.

De aanleg van de Hemspoortunnel was een groot project. Naast de tunnelwerken en de twee nieuwe stations, moest er ook in totaal 8.5 kilometer aan spoor nieuw aangelegd worden of verlegd worden en een aantal ongelijkvloerse kruisingen met wegen gebouwd worden.

Daarom volgt voor mij na de aanleg van de tunnel de spoorlijn van de Hemtunnel naar station Sloterdijk. Voor mij eindigt het werk aan de tunnel op de dag dat alle elementen gekoppeld zijn.

Na diverse werken in en om Amsterdam gaat collega Wout in september 1981 naar Suriname met zijn gezin om voor Billiton de voorbereidingen te treffen voor de uitbreiding van de bauxietmijn. 

Maar tijdens een door mij georganiseerd afscheidsdiner voor Wout in Amsterdam doet deze geheel onverwacht het voorstel namens de Boka-directie om samen met Helene eveneens naar Suriname te komen en met hem samen het werk aldaar tot een goed einde te brengen. Voor mij is dit een geschenk uit de hemel en als Helene ook toestemt is alles zo voor elkaar.

Direct na de Kerst in 1981 begint dit nieuwe avontuur. Wout heeft gezorgd voor een prachtig huis in het Stafdorp van Billiton in het plaatsje Onverdacht. Er wordt, vooral door Helene, bepaald wat allemaal mee moet en dan gaan de spullen via Rotterdam samen met de speciaal voor dit werk gebouwde cutterzuiger De Para op een vrachtboot naar Suriname.


Savanne Rally, 

Einde oktober 1982 gaat in Paramaribo de exclusieve Savanne-Rally van start. Willem van Hees, onze buurman en lid van de staf van Billiton, weet me enthousiast te krijgen om deel te nemen. We gaan samen een avond naar Paramaribo voor een voorbespreking van dit avontuur. Ik wil dit wel eens meemaken en die kans krijg ik nooit meer.

De start zal zijn op 29 oktober in de avonduren op het plein bij het presidentiële paleis en de wedstrijd duurt tot en met 31 oktober. Willem zal optreden als navigator en ik mag me inschrijven als driver. Onze auto is mijn eigen Toyota Hi-luxe, waarmee we dus beschikken over een wagen met vierwielaandrijving. Later blijkt wel hoe nadrukkelijk we deze nodig hebben.

Bij de inschrijving net voor de start ontvangen we de eerste opdrachten en nog geen uur later heb ik al heel goed in de gaten waaraan ik begonnen ben.

Het is dan pikdonker en van een normale weg is niets meer te ontdekken.

Voor het grootste gedeelte is het zand, zand en nog eens zand.

Gelukkig heb ik een meer dan voortreffelijke navigator bij me, Willem van Hees, die volgens mij zelfs ORC’s (onbemande routecontroles) kan ruiken en feilloos VTC’s (verplichte tijdscontroles) weet te berekenen. Ik mag mij helemaal concentreren op het beheersen van de auto. Ik geniet van iedere kilometer, al denk ik af en toe dat we heel veel geluk hebben als we dit nog drie dagen en nachten heelhuids doorstaan.

Tegen twee uur ’s nachts belanden we midden in de bushbush bij een verplicht rustpunt. Hier wordt zelfs een heerlijke gegrilde hap geserveerd en na een uurtje wordt een voorlopige tussenstand bekend gemaakt. Bij de opsomming van de tien beste ploegen blijkt tot mijn verrassing dat we op plek twee zitten en dat had ik niet durven hopen.

Vol goede moed en verwachtingen voor de volgende dagen zoeken we een plekje om een paar uur te slapen. De hangmat die ik voor mijn verjaardag heb gekregen komt nu goed van pas. Op een plaats waar een beetje ruimte is hang ik ze op tussen twee stevige bomen. Ik heb uit voorzorg een flinke lap plastic meegenomen en wikkel me daar in en in een mum van tijd val ik in slaap. Het was toch wel vermoeiend dit hossen en slippen door stuifzand en later zelfs laag struikgewas.

Het is nog half donker als ik wakker schrik. Wat was dat? Er scharrelt iets onder mijn mat en heel voorzichtig loer ik om me heen. Wie weet wat hier allemaal rondkruipt. Het duurt even voordat ik besef dat er doodgewone huis- en tuinkippen bezig zijn hun ontbijt bij elkaar te scharrelen. Later kom ik er achter dat op nog geen honderd meter verder de hutten staan van enkele Javaanse families.

Na een stevig ontbijt dat weer door een groep vrijwilligers is klaargezet, starten we voor de komende beproevingen. Ik leer alle mogelijke finesses van rally rijden kennen. We beginnen met een luchtfotorit, waarbij we de route moeten vinden door middel van luchtfoto’s in spiegelbeeld.

Daarna volgen meerdere snelheidsritten en z.g. fantasieritten. Later hoor ik dat de uitzetters zelfs terreinen omgeploegd hebben om de moeilijkheidsgraad te verhogen. We passeren nogal wat ploegen die hopeloos vast zitten en die alleen met een hoop gedoe en gevloek weer op gang komen. Gelukkig is onze wagen voor geen kleintje vervaard en we kunnen flink de gang erin houden. Willem mijn copiloot is niet te overtreffen en pas na afloop blijkt wat deze kerel allemaal berekend heeft.

Dan weer jaagt hij me op om met topsnelheid over kronkelige, onoverzichtelijke bospaadjes te scheuren, dan weer dwingt hij me om op stukken savanne onze snelheid te reduceren ondanks dat ik vrees in het mulle zand te blijven steken.

Bij tijdscontroles mag je namelijk niet alleen niet te laat maar ook vaak niet te vroeg aankomen bij de controle. Hij kent de savanne blijkbaar uit rally’s van voorafgaande jaren. Hij heeft het dan over de Saronsavanne, het Coesewijnegebied, de Berlijnsavanne, Opé en de Mattasavanne en later de Sipaliwiniesavanne.

Als we de derde dag tegen de namiddag weer in de stad aankomen bij de finish hebben we een prachtig avontuur achter ons. Dit zou ik nooit gemist willen hebben. Natuurlijk moeten we nu nog afwachten wat we voor resultaat geboekt hebben want de rekenmeesters moeten nog aan de slag om alle klasseringen te berekenen. Dus wachten we wel af, ofschoon Willem ons wel een kans toerekent op een plek bij de eerste tien.

Ik ben net op tijd weer in Onverdacht om samen met Helene naar de stad te rijden voor het afscheidsdiner van mijn collega Jan van Wijngaarden die als inspecteur van de technische dienst zal worden vervangen. Willem van Hees belooft me te bellen zo gauw als hij iets verneemt over de uitslag van de rally.

We zijn net aan het voorgerecht begonnen als een kelner me aan de telefoon roept. En dan volgt de verrassing van de dag. Willem van Hees is aan de lijn en zijn stem slaat bijna over als hij mij bezweert zo snel mogelijk naar de al gestarte prijsuitreiking te komen. “Hebben we dan een prijs gemaakt?” vraag ik.

“Man, we zijn de winnaar en zeer overtuigend en ze wachten op je”, is zijn antwoord. Natuurlijk heeft iedereen er begrip voor dat ik de hele groep in de steek laat en met Helene vertrek om onze prijs op te halen.

Wat een feest. Bij binnenkomst wordt de champagne al open getrokken en later weet ik helemaal niet meer wie ons allemaal gefêteerd heeft en hoe het allemaal verder is gegaan. Het blijkt dat ons totaal aantal strafpunten beperkt is gebleven tot 882 punten, terwijl nummer twee komt op 954 punten. In de klassering zijn we als eerste geëindigd van de 34 ploegen die aan de start gingen. We ontvangen alle twee een beker, Willem de eerste prijs als navigator en ikzelf de eerste prijs als bestuurder.

Half april 1983 ontstaat er plotseling enige paniek onder de Boka mensen. Er komt hoog bezoek uit Papendrecht en niemand weet zo echt wat er staat te gebeuren. Maar op het eind van een enerverende dag is bijna letterlijk een bom ontploft. 

De reden van het bezoek van een directiedelegatie is om aan het personeel mede te delen, dat tijdens het Paasweekend de Directie van Bos en Kalis besloten heeft om onmiddellijk 400 stafleden, verdeeld over de gehele maatschappij ontslag aan te zeggen. En een van de ontslagenen ben ik zelf.


Bij thuiskomst begint de zorg voor de toekomst alweer eens voor Helene en mijzelf. Na Laura en Vereniging en de Limburgse mijnen is het nu Bos en Kalis en de baggerwereld, waarvan ik me los zal moeten maken.

Door mijn in het verleden gelegde contacten bij de idirectie van Rijkswaterstaat in Amsterdam duurt het niet lang of ik kan tijdelijk in dienst treden bij Rijkswaterstaat en wel bij het voorbreiden van de aan te leggen nieuwe Zeeburg-Tunnel.

Nog anderhalf jaar blijf ik in Amsterdam aan het werk, maar dan besluit ik in overleg met Helene om ermee te stoppen, vooral omdat het heen en weer gereis steeds moeilijker lijkt te worden.

Begin januari 1985 stop ik als 53 jarige ex mijnopzichter, ex uitvoerder baggerwerken, ex opzichter Rijkswaterstaat met werken.

Savanne Rally

Einde oktober 1982 gaat in Paramaribo de exclusieve Savanne-Rally van start. Willem van Hees, onze buurman en lid van de staf van Billiton, weet me enthousiast te krijgen om deel te nemen. We gaan samen een avond naar Paramaribo voor een voorbespreking van dit avontuur. Ik wil dit wel eens meemaken en die kans krijg ik nooit meer.

De start zal zijn op 29 oktober in de avonduren op het plein bij het presidentiële paleis en de wedstrijd duurt tot en met 31 oktober. Willem zal optreden als navigator en ik mag me inschrijven als driver. Onze auto is mijn eigen Toyota Hi-luxe, waarmee we dus beschikken over een wagen met vierwielaandrijving. Later blijkt wel hoe nadrukkelijk we deze nodig hebben.

Bij de inschrijving net voor de start ontvangen we de eerste opdrachten en nog geen uur later heb ik al heel goed in de gaten waaraan ik begonnen ben.

Het is dan pikdonker en van een normale weg is niets meer te ontdekken.

Voor het grootste gedeelte is het zand, zand en nog eens zand.

Gelukkig heb ik een meer dan voortreffelijke navigator bij me, Willem van Hees, die volgens mij zelfs ORC’s (onbemande routecontroles) kan ruiken en feilloos VTC’s (verplichte tijdscontroles) weet te berekenen. Ik mag mij helemaal concentreren op het beheersen van de auto. Ik geniet van iedere kilometer, al denk ik af en toe dat we heel veel geluk hebben als we dit nog drie dagen en nachten heelhuids doorstaan.

Tegen twee uur ’s nachts belanden we midden in de bushbush bij een verplicht rustpunt. Hier wordt zelfs een heerlijke gegrilde hap geserveerd en na een uurtje wordt een voorlopige tussenstand bekend gemaakt. Bij de opsomming van de tien beste ploegen blijkt tot mijn verrassing dat we op plek twee zitten en dat had ik niet durven hopen.

Vol goede moed en verwachtingen voor de volgende dagen zoeken we een plekje om een paar uur te slapen. De hangmat die ik voor mijn verjaardag heb gekregen komt nu goed van pas. Op een plaats waar een beetje ruimte is hang ik ze op tussen twee stevige bomen. Ik heb uit voorzorg een flinke lap plastic meegenomen en wikkel me daar in en in een mum van tijd val ik in slaap. Het was toch wel vermoeiend dit hossen en slippen door stuifzand en later zelfs laag struikgewas.

Het is nog half donker als ik wakker schrik. Wat was dat? Er scharrelt iets onder mijn mat en heel voorzichtig loer ik om me heen. Wie weet wat hier allemaal rondkruipt. Het duurt even voordat ik besef dat er doodgewone huis- en tuinkippen bezig zijn hun ontbijt bij elkaar te scharrelen. Later kom ik er achter dat op nog geen honderd meter verder de hutten staan van enkele Javaanse families.

Na een stevig ontbijt dat weer door een groep vrijwilligers is klaargezet, starten we voor de komende beproevingen. Ik leer alle mogelijke finesses van rally rijden kennen. We beginnen met een luchtfotorit, waarbij we de route moeten vinden door middel van luchtfoto’s in spiegelbeeld.

Daarna volgen meerdere snelheidsritten en z.g. fantasieritten. Later hoor ik dat de uitzetters zelfs terreinen omgeploegd hebben om de moeilijkheidsgraad te verhogen. We passeren nogal wat ploegen die hopeloos vast zitten en die alleen met een hoop gedoe en gevloek weer op gang komen. Gelukkig is onze wagen voor geen kleintje vervaard en we kunnen flink de gang erin houden. Willem mijn copiloot is niet te overtreffen en pas na afloop blijkt wat deze kerel allemaal berekend heeft.

Dan weer jaagt hij me op om met topsnelheid over kronkelige, onoverzichtelijke bospaadjes te scheuren, dan weer dwingt hij me om op stukken savanne onze snelheid te reduceren ondanks dat ik vrees in het mulle zand te blijven steken.

Bij tijdscontroles mag je namelijk niet alleen niet te laat maar ook vaak niet te vroeg aankomen bij de controle. Hij kent de savanne blijkbaar uit rally’s van voorafgaande jaren. Hij heeft het dan over de Saronsavanne, het Coesewijnegebied, de Berlijnsavanne, Opé en de Mattasavanne en later de Sipaliwiniesavanne.

Als we de derde dag tegen de namiddag weer in de stad aankomen bij de finish hebben we een prachtig avontuur achter ons. Dit zou ik nooit gemist willen hebben. Natuurlijk moeten we nu nog afwachten wat we voor resultaat geboekt hebben want de rekenmeesters moeten nog aan de slag om alle klasseringen te berekenen. Dus wachten we wel af, ofschoon Willem ons wel een kans toerekent op een plek bij de eerste tien.

Ik ben net op tijd weer in Onverdacht om samen met Helene naar de stad te rijden voor het afscheidsdiner van mijn collega Jan van Wijngaarden die als inspecteur van de technische dienst zal worden vervangen. Willem van Hees belooft me te bellen zo gauw als hij iets verneemt over de uitslag van de rally.

We zijn net aan het voorgerecht begonnen als een kelner me aan de telefoon roept. En dan volgt de verrassing van de dag. Willem van Hees is aan de lijn en zijn stem slaat bijna over als hij mij bezweert zo snel mogelijk naar de al gestarte prijsuitreiking te komen. “Hebben we dan een prijs gemaakt?” vraag ik.

“Man, we zijn de winnaar en zeer overtuigend en ze wachten op je”, is zijn antwoord. Natuurlijk heeft iedereen er begrip voor dat ik de hele groep in de steek laat en met Helene vertrek om onze prijs op te halen.

Wat een feest. Bij binnenkomst wordt de champagne al open getrokken en later weet ik helemaal niet meer wie ons allemaal gefêteerd heeft en hoe het allemaal verder is gegaan. Het blijkt dat ons totaal aantal strafpunten beperkt is gebleven tot 882 punten, terwijl nummer twee komt op 954 punten. In de klassering zijn we als eerste geëindigd van de 34 ploegen die aan de start gingen. We ontvangen alle twee een beker, Willem de eerste prijs als navigator en ikzelf de eerste prijs als bestuurder.

Half april 1983 ontstaat er plotseling enige paniek onder de Boka mensen. Er komt hoog bezoek uit Papendrecht en niemand weet zo echt wat er staat te gebeuren. Maar op het eind van een enerverende dag is bijna letterlijk een bom ontploft. 

De reden van het bezoek van een directiedelegatie is om aan het personeel mede te delen, dat tijdens het Paasweekend de Directie van Bos en Kalis besloten heeft om onmiddellijk 400 stafleden, verdeeld over de gehele maatschappij ontslag aan te zeggen. En een van de ontslagenen ben ik zelf.


Bij thuiskomst begint de zorg voor de toekomst alweer eens voor Helene en mijzelf. Na Laura en Vereniging en de Limburgse mijnen is het nu Bos en Kalis en de baggerwereld, waarvan ik me los zal moeten maken.

Door mijn in het verleden gelegde contacten bij de directie van Rijkswaterstaat in Amsterdam duurt het niet lang of ik kan tijdelijk in dienst treden bij Rijkswaterstaat en wel bij het voorbreiden van de aan te leggen nieuwe Zeeburg-Tunnel.

Nog anderhalf jaar blijf ik in Amsterdam aan het werk, maar dan besluit ik in overleg met Helene om ermee te stoppen, vooral omdat het heen en weer gereis steeds moeilijker lijkt te worden.

Begin januari 1985 stop ik als 53 jarige ex mijnopzichter, ex uitvoerder baggerwerken, ex opzichter Rijkswaterstaat met werken.

Het drama Dakar, 

René is plannen aan het smeden zich enkele jaren te verbinden aan de Stichting Nederlandse Vrijwilligers om zodoende iets van de wereld te zien te krijgen, hij blijkt toch een aardje naar zijn vaartje te hebben. 

Dan wordt het mei en vindt er op Terwinselen de bekende straatmarkt plaats.

Op deze zondag meldt René: “Ik kom straks even met een meisje langs”. En zo maken wij kennis met onze aanstaande schoondochter al kunnen wij ons nog niet voorstellen hoe de plannen van zoon René zich nu zullen ontwikkelen.

Maar wij blijven niet lang in het ongewisse. In tijd van niks hebben de jongverliefden besloten om de grote plannen nu samen te verwezenlijken.

Na enkele cursussen in Amsterdam zijn zij vastbesloten om samen voor het S.N.V. naar Guinee-Bissau te vertrekken op korte termijn. Alles komt nu in een stroomversnelling terecht en dan worden wij en de ouders van Jacqueline verrast met de vastgestelde trouwdatum en wel op 23 oktober 1987.

Het jonge paar blijft tot hun vertrek naar Bissau onze gast in ons nieuwe huis op de grens van Chevremont en Haanrade.

Tegen het einde van 1987 zijn René en Jacqueline druk in de weer om zich voor te bereiden op hun vertrek naar Guinee-Bissau. Zij volgen enkele cursussen in Amsterdam en later zelfs in Lissabon om zich te bekwamen in het Portugees, de taal die gesproken wordt in Guinee-Bissau. Vóór einde januari vertrekken zij inderdaad en wordt het erg stil in Haanrade.

Over en weer wordt er druk gecorrespondeerd met de Afrika-gangers.

En dan is het eindelijk zover en we vliegen vóór carnaval 1989 vanaf Brussel en via Dakar in Senegal naar Bissau. Alle toegestane kilo’s bagage met de door René en Jacqueline gevraagde en in Bissau niet te verkrijgen dingen, worden meegesleept en die vijf koffers zorgen de komende dagen voor heel wat consternatie. Het wordt echt geen ontspannen vakantievluchtje.

Als we op het vliegveld van Dakar zijn geland en de douane zijn gepasseerd, begint de ellende of moet je het sport noemen?

De bagage arriveert in de aankomsthal en we verzamelen onze koffers, maar die hebben we nog niet helemaal bij elkaar of er verschijnen hordes jongere en oudere hulpjes, al of niet in lange gewaden gehuld, met boodschappenkarretjes die ze ongevraagd beladen met onze spullen en daarmee richting uitgang hollen.

Als ik erachter aanren zie ik nog net dat onze koffers in twee verschillende taxi’s worden geladen. Met een hoop overtuigingskracht mijnerzijds slaag ik er tenslotte in om alles bij elkaar in één taxi te krijgen.

Gelukkig kan ik me behoorlijk in het Frans uitdrukken, vooral als ik kwaad word en ik slaag erin om de chauffeur duidelijk te maken dat we naar de stad moeten naar het door ons geboekte hotel.

Helene is naast de chauffeur beland en weet niet wat haar overkomt als deze vóór vertrek de linkerdeur door middel van een touw met elastiek verbindt met de rechterdeur. Het blijkt dat beide deuren anders niet dichtblijven.

Ik mag achter zitten in deze aftandse vierdeurs Renault twaalf. Inmiddels rijden we in het pikkedonker, de verlichting van deze auto brandt op een spaarvlammetje, zo lijkt het wel.

Dan verschijnt rechts van de weg een piepklein benzinepompje met een pomp zoals ik die sinds mensenheugenis niet meer gezien heb.

Ahmed, zo heet onze steun en toeverlaat heb ik inmiddels begrepen, weet zijn kar net op tijd tot stilstand te brengen om te kunnen tanken.

Gelukkig is de slang lang genoeg, want de achteruit is blijkbaar geblokkeerd.

Hij vraagt me alvast een voorschot en dat zet hij om in brandstof en dan starten we weer.

We zijn goed en wel onderweg als Helene mij vraagt of ik wel mijn beroemde blauwe tas bij me heb gehouden, want daar zitten al onze papieren en onze centen in.

Maar ik zie en voel geen tas in mijn buurt, dus slaat een lichte paniek toe.

Hopelijk heb ik deze tas bij de koffers in de bak gegooid anders kunnen we het wel vergeten.

Voordat ik ertoe kom om Ahmed tot stoppen te bewegen zie ik opeens links vóór ons twee zwaaiende lichtjes en Ahmed gooit al zijn ankers uit en staat dan stil precies voor twee donkere figuren. Helene weet nog net een gil te verstikken en het duurt even voordat ik in de gaten heb dat dit een politiecontrole is.

Als een van de maarschalken de chauffeur vermanend begint toe te spreken probeer ik alvast uit de wagen te komen om in de achterbak naar mijn tas te zoeken. Dan kom ik erachter dat de achterdeuren alleen te openen zijn van de buitenkant en op mijn geklop is een van de chiefs zo goed om mij te bevrijden.

Tot mijn en vooral Helene’s grote opluchting ligt de blauwe tas inderdaad boven op de koffers, hoe is het mogelijk?

Als Ahmed belooft dat hij zich morgen met geldige papieren en gerepareerde verlichting meldt op het politiebureau, mogen we verder richting stad.

En geloof het of niet, Ahmed levert ons een half uur later heelhuids af bij ons hotel.


De naam van het hotel ben ik vergeten en dat is maar goed ook, want zo kan ik later niemand aanbevelen daar de nacht door te brengen. Niet alleen een beroerd bed maar het ergste was dat de deur eerst niet open te krijgen was maar later ook niet te sluiten.

“Jo, hier heb ik angst vannacht, ik hoop wel dat ik hier kan slapen”.

En wat doe je dan? Eerst wilde ik maar voor de deur gaan liggen, maar uiteindelijk bleken we toch moe genoeg te zijn van deze enerverende reis om te slapen als roosjes. Wel besluiten we om na het ontbijt nog even de stad in te trekken en dan een taxi te roepen en naar het vliegveld te vertrekken om daar in het hotel te overnachten, zodat we de vlucht naar Bissau onder alle omstandigheden zullen halen.

Deze vlucht zal pas morgen zijn vervolg krijgen.

Als we een uurtje later langs de eerste winkels lopen botst opeens een reusachtige muzelman tegen me aan.

Dat is natuurlijk geen ramp maar bijna een minuut later constateer ik dat mijn leesbril met etui uit mijn borstzak is verdwenen.

Gelukkig heb ik mijn werkbril meegenomen, zodat ik niet de hele vakantie zonder bril zit, maar de animo om nog lang door deze stad te dwalen is ons vergaan en we bellen bij terugkomst in het hotel onmiddellijk een taxi.


Dan volgt op het vliegveld de tweede acte in het drama Dakar.

Ik drop Helene met onze koffers in de hal en volg de borden hotel en bij de trap op de eerste verdieping is de ingang hiervan.

Achter een balie zit iemand te dutten en als ik hem een porretje geef schrikt hij wakker. Maar op mijn vraag naar een kamer, antwoordt hij alleen maar: “Mais monsieur, nous sommes fermés”.

En daar sta je dan. Het blijkt dat het hotel gerestaureerd gaat worden en er dus zeker zes weken geen gasten kunnen overnachten. Helene kan dit bijna niet geloven als ik haar dat vertel als ik weer in de hal kom. Wat nu?

Mijn enige antwoord hierop op dit moment is dat we eerst maar eens aan koffie en een reusachtige whiskey moeten zien te komen, anders gebeuren er nog ongelukken. We zullen toch ergens moeten zien te overnachten en gelukkig herinnert Helene zich plotseling dat René verteld heeft over een bungalowpark in de buurt van het vliegveld. Ik weet niet meer precies hoe ik aan het adres ben gekomen, maar ik bereik in ieder geval dat we daar een huisje kunnen huren voor één nacht.

Hoe je hier met taxichauffeurs moet omspringen hebben we inmiddels geleerd en een uurtje later zitten we op de rand van ons bed en hopen maar dat de chauffeur ons morgenvroeg op tijd ophaalt. Ik heb hem gevraagd om ons om zeven uur op te pikken. De volgende morgen ben ik om zes uur al buiten en daar zie ik dat hij zijn wagen aan ’t wassen is en hij begroet me uitbundig. Al gauw blijkt dat hij helemaal niet naar huis is gereden, maar in zijn auto geslapen heeft omdat hij deze rit niet aan iemand anders wilde gunnen.

We arriveren dus ruim op tijd op het vliegveld en nu maar hopen dat we de rest van onze reis meer geluk hebben. En dat is gelukkig het geval. Behalve dat de douanier mij mijn pas pas terug geeft nadat ik hem in ruil voor enkele stempels een passend souvenir heb gegeven in de vorm van enkele lappen van hun onmogelijke geld. Inmiddels sta ik nergens meer versteld van.

Zelfs als er plotseling twee man met stenguns opduiken in de wachtkamer en iemand nogal hardhandig uit de rij plukken en meenemen, blijven we rustig toekijken.

Maar dat is maar camouflage, want Helene begint zowat te hyperventileren als we in Bissau uit het vliegtuig stappen en naar de douane lopen. Ze steekt nerveus trillend een sigaret op en geeft in een plotselinge opwelling de rest van het pakje in een gul gebaar aan de controlerende douane.

Wat is zij blij als ze achter het hek opeens René met Jacqueline ziet staan. Nu kan ons niks meer gebeuren. God zij dank.

Knochensalat, 

Vanaf juli 1995 is het voorlopig afgelopen met ons rustige leventje als levensgenieters. Als we in de vroege uurtjes van 10 juli thuis komen, ga ik alvast naar bed en Helene zal nog een verjaardagskaart bij onze buren in de bus gooien. Dan hoor ik plotseling gejank van onze trouwe hond Faja. Het geluid komt vanaf de straat en als ik daar ga kijken zie ik Helene onder aan de trap van de buren op het trottoir liggen en Faja staat naast haar te janken. Er is geen mens op straat te zien en met heel veel moeite weet ik Helene in huis te krijgen. Zij kan haar been niet gebruiken en heeft vreselijke pijn in haar enkel. Het eerste dat ik doe is zoveel mogelijk ijsblokjes verzamelen en deze met een doek om de enkel binden.

Dan bel ik een arts en deze raadt me aan om de enkel goed koud te houden en af te wachten. Maar de pijn wordt steeds ondraaglijker en dan bel ik toch voor een ambulance en de ziekenbroeders brengen een spalkverband aan en dan gaat het met spoed naar het Kerkraadse ziekenhuis. Daar ontfermt zich even later de dienstdoende chirurg over het ongelukkige slachtoffer. Er moet onmiddellijk geopereerd worden en de chirurg spreekt even later over een gecompliceerde breuk van de enkel. 

Hij noemt het zelfs een Knochensalat en dat betekent nogal wat. Het been wordt tot de knie in gips gezet en Helene blijft tot 22 juli in het ziekenhuis. Bij haar ontslag krijgt zij de opdracht om over zes weken terug te komen om te bezien of het gips eraf kan. Maar Helene blijft pijn voelen en dat vinden we niet normaal. Dan gaan we 25 augustus naar de gipskamer en dan blijkt dat de operatiewonde op een vreseljke manier ontstoken is. Er volgen maanden van bijna dagelijks bezoek aan het ziekenhuis en steeds weer het schoonmaken van de wond. Voor Helene is het een ware martelgang.

Het duurt tot 1 juli 1996 alvorens de bij de operatie aangebrachte schroeven uit de enkel verwijderd kunnen worden. Wandelen is er voorlopig niet bij totdat René zorgt voor een transportabele rolstoel. Nu gaan we vaker richting Wormdal, want Helene wil het liefst niet met die rolstoel gezien worden. Ze vindt dat ze door iedereen gezien wordt als een niet lichamelijk maar ook geestelijk gehandicapte. 

Tijdens een bezoek aan het Wijngrachttheater is zij verbijsterd als blijkt dat mensen, die ons beide goed kennen, over haar hoofd heen aan mij vragen hoe het met haar gesteld is. Ik vind dat Helene deze hele vervelende periode met heel veel doorzettingsvermogen gemeesterd heeft.

Begin 1998 krijgt Helene steeds meer last van haar enkel en we besluiten om voor een second opinion naar het AZM in Maastricht te gaan en op 12 februari volgt dit onderzoek door dokter Van Rhijn. Deze stuurt haar naar orthopedisch schoenmaker Hansen in Landgraaf. Hier worden de eerste orthopedische schoenen aangemeten. Op 20 mei volgen weer andere en nu weer stevigere schoenen. En zo blijft dit doorgaan. 

Begin september volgt een tweede bezoek aan dokter Van Rhijn in Maastricht en nu krijgt Helene schoenen aangemeten die reiken tot haar knieën. Ze zijn vervaardigd van koolstof en zien er vervaarlijk uit, maar voldoen op de duur ook weer niet, want zij behoudt pijn aan haar beschadigde enkel.

Begin maart 1999 vertel ik onze huisarts dokter Passage over de vele ongemakken en de pijn die Helene nog steeds heeft aan haar enkel en hij maakt een afspraak met Helene. Bij dit bezoek raadt hij haar aan om nogmaals een onderzoek te laten verrichten. Zij wil echter niet meer naar Maastricht maar naar het Klinikum in Aken.

Dit is snel geregeld en op 17 maart consulteert zij daar Dr. Forst. Na een kort onderzoek maakt hij duidelijk dat Helenes enkel onderzocht zal moeten worden door professor Weber, de vermaarde specialist op dit gebied. Met Deutsche Gründlichkeit weet hij binnen een uur deze specialist zover te krijgen dat hij na een MRI scan en een kort onderzoek aan Helene zegt: “Wir bieten Ihnen eine Operation an und hoffen Ihnen helfen zu können”.

Dan volgen diverse onderzoeken in de komende maand en 25 mei wordt Helene opgenomen op de orthopedische afdeling van het Akense Klinikum. Zij verblijft hier tot 2 juni, maar wordt dan voor een onderbreking naar huis gestuurd en zal voor de operatie opgeroepen worden. Gelukkig duurt dit niet al te lang want deze oproep volgt op 30 juni. De operatie door dr. Weber wordt uitgevoerd op 7 juli 1999 en neemt behoorlijk wat tijd in beslag. Dr. Weber opereert van 8.45 tot 14.30 uur en pas om half vier is de patiënt terug op haar kamer.

De verzorging die duurt tot 27 juli is uitstekend, maar Helenes rechterbeen hangt als het ware in een z.g. fixateur en deze constructie vergt heel wat verzorging. Maar we hopen dat zij voor dit alles beloond zal worden. Op 18 augustus wordt de onderste ring van deze fixateur verwijderd en weer wordt zij enkele dagen opgenomen. De tweede week van september blijkt dat het belasten van de geopereerde enkel al een stuk verbeterd is en op 1 oktober volgt dan de opname om de hele fixateur te verwijderen en op 11 oktober mag mijn dappere vrouwtje weer naar huis. En nu rustig aan en met behulp van fysiotherapie weer gaan leren lopen.


Radio Suriname,  D'r Ploum is nit doeëd, Nieuwstraat, Breedloof, Het leven in de Mijnstreek, Publicaties, In memoriam. 

https://sites.google.com/view/linguarium 

Google Sites
Report abuse
Google Sites
Report abuse