Op het einde van de negentiende eeuw lag oostelijk Zuid-Limburg er nog erg slaperig bij in deze uithoek van ons land. In de dorpjes die later het centrum van de mijnindustrie zouden vormen woonden vooral arme boertjes, dagloners en ambachtslui. Alleen in Kerkrade had de mijnbouw al een lange maar bescheiden traditie. In de eerste tientallen jaren van de twintigste eeuw ontstond er echter een explosieve groei. In een periode van tien jaar is de bevolking van Heerlen b.v. verdrievoudigd. Van 11.000 in 1910 tot 33.000 in 1920. Deze groei was het gevolg van de vestiging van diverse mijnzetels in deze streek, die nu met recht de Mijnstreek kon genoemd worden.
Door de aanleg van meer verkeerswegen en betere treinverbindigen werd deze streek bevrijd uit zijn geïsoleerde positie. Daarna kwam er nog een snelle verdere ontwikkeling door de twee wereldoorlogen in de eerste helft van de vorige eeuw. Hierdoor kwam er een einde aan de invoer van brandstoffen, waardoor de Nederlandse economie steeds meer afhankelijk werd van de steenkool uit het zuiden van Limburg.
Vlak na de tweede wereldoorlog verdiende bijna zeventig procent van de bevolking zijn brood in de mijnbouw of in aanverwante bedrijven. De behoefte aan arbeiders was vele malen groter dan het aanbod aan Limburgse jongens en mannen. Men moest gaan ronselen in andere delen van ons land en zelfs in het buitenland. Voor huisvesting moest gezorgd worden. De mijnen betaalden mee aan de oprichting van gezellenhuizen voor ongehuwden en aan de bouw van mijnwerkerskolonieën voor arbeiders met gezinnen. Er ontstond een overschot aan ongehuwde jonge mannen en door de aanwezigheid van diverse geloofsovertuigingen en vele nationaliteiten ontlaadden de spanningen zich heel vaak in onderlinge ruzies en knokpartijen.
Jammer genoeg was deze hele groei gebaseerd op maar één pijler, de mijnbouw. In de tweede helft van de twintigste eeuw werd er behoorlijk aan deze pijler gezaagd en in 1965 was het einde in zicht. Goedkopere kolen uit het buitenland en het aardgas uit Groningen namen de rol van de Limburgse steenkool over. Op 17 december 1965 werd er in de z.g. mijnnota gesproken over de onvermijdelijke sluiting van de mijnen.
Nu in het jaar 2007 zijn er nog maar weinig tastbare herinneringen aan deze periode van florerende Limburgse mijnbouw te vinden. De gebouwen zijn gesloopt, de steenbergen zijn opgenomen in het landschap en veranderd in wandelgebieden, woonwijken en zelfs in wintersportparadijzen.
Maar nu terug naar de beginjaren. Niet alleen waren er nu andere talen en gebruiken, ook bracht men andere geloven mee. Men voelde vaak de komst van al die vreemdelingen als een bedreiging. De oorspronkelijke bewoners werden overspoeld. Tot nu toe werden de mensen geboren, ze trouwden, leefden en stierven meestal in het zicht van dezelfde kerktoren. De vredige rust werd volgens velen te niet gedaan door zedeloosheid van de nieuwkomers. Er woonden nu te veel mensen in een woning. Men was bang voor het kostgangerssysteem. In veel huisgezinnen werd een vreemdeling opgenomen en werden de slaapkamers zelfs de klok rond verhuurd. De kostgangers die op dagdienst gingen werken maakten plaats voor hen die de nachtdienst achter zich hadden. Voor de leiders van de kerk in Roermond en voor de zielzorgers in de Mijnstreek rees de vraag hoe dit nu benaderd moest worden. Men was bang dat alles wat er in eeuwen was opgebouwd nu vernietigd zou worden. De geestelijkheid slaagde er evenwel in om het uitgesproken katholieke karakter van dit gewest te behouden. Alles werd aangepast aan de behoeften van het ogenblik.
Kernfiguur achter deze geslaagde metamorfose was zonder twijfel Henri Poels, priester in het bisdom Roermond. Hij stond achter de keuze om de mijnwerkers in georganiseerd verband te brengen. Hierdoor werd de binding aan het bedrijf versterkt en kweekte men een onontbeerlijke geest van saamhorigheid. Er ontstond een netwerk van verenigingen die zorgden voor huisvesting en ontspanning. De organisaties moesten een zeer duidelijke katholieke grondslag hebben. De geestelijken verleenden de nodige steun en door het beeld van de heilige Barbara, de patrones van de mijnwerkers, een ereplaats te geven in vele kerken werd een tastbare uitdrukking gegeven aan de pastorale zorg. Ook de leiding van de bedrijven zag wel brood in een nauwe samenwerking met de kerk. Zij ondersteunden de bouw of uitbreiding van kerken, parochiehuizen en opvangcentra van buitenlandse arbeiders. Zo bleef de verstrengeling van godsdienstbeleving met al die Limburgse gebruiken gehandhaafd. Devoties van velerlei aard, processies, bedevaarten, schutterijen, harmonieën en fanfares bleven het beeld bepalen.
Via woningbouwverenigingen was het mogelijk om huizen te bouwen en te verhuren. Deze verenigingen werkten samen in Ons Limburg. Men koos voor de idee van tuinsteden. Dit waren een soort dorpjes, compleet met kerk, gemeenschapshuis en winkels. De huizen moesten voldoen aan een aantal eisen. Ze moesten grote tuinen hebben en goed bereikbaar zijn. Aan de grootte, de versiering en de ligging was te zien welke functie het gezinshoofd in het bedrijf had.
Door de mijnbouw kreeg oostelijk Zuid-Limburg een heel eigen karakter. Heerlen, Kerkrade en Brunssum gingen zich plotseling profileren als belangrijke plaatsen in een voorheen onbelangrijk gebied. De mijnbouw kreeg greep op het hele leven van de mensen. Er ontstond ook een bloeiend vakbondsleven en dat was in de rest van het land een nog onbekend verschijnsel.
De invloed van de kerk was zo groot dat er al snel een katholieke mijnwerkersvereniging werd opgericht. De start was in Eygelshoven, maar het breidde zich snel uit naar Heerlen, Kerkrade, Schaesberg, Spekholzerheide en Bleijerheide. Het belangrijkste doel was het bevorderen van het godsdienstig en zedelijk welzijn van de leden. Materiële belangen zouden later wel komen. Het bestuur van deze verenigingen lag meestal in handen van de geestelijkheid. De eenvoudige mijnwerkers waren overtuigd dat de pastoor of de kapelaan het natuurlijk veel beter wisten dan zij zelf. Zij zagen hun vereniging veel meer als een soort ziekenverzekering.
Dat de directies van de mijnen zich zo inzetten voor het welzijn van hun arbeiders was niet alleen om de kerk tegemoet te komen, maar nog meer om het morele verval onder hun arbeiders tegen te gaan. Moreel verval betekende immers afnemende gehoorzaamheid. Er ontstond op deze manier ook een controle op het privéleven van de mijnwerkers na het werk. Er moest dus gezorgd worden voor amusement om vooral het drinken tegen te gaan. Er kwamen meer en meer verenigingen zoals vogelclubs, kaartclubs, muziekverenigingen, sportverenigingen en dit kostte de mijnen wel veel geld, maar bracht de nodige rust aan het mijnwerkersfront.
Nadat in 1900 de leerplichtwet was ingesteld moest ieder kind van zes tot twaalf jaar verplicht naar school, maar vanaf 1920 kreeg het bijzonder onderwijs dezelfde rechten als het openbaar onderwijs. In Zuid-Limburg werden daarna ook heel veel rooms-katholieke scholen opgericht. Op de meeste van deze scholen was het onderwijs gescheiden naar sexe. Zusters leidden veelal de meisjesscholen en broeders de jongensscholen. Deze scheiding tussen jongens en meisjes duurde voort tot in de jaren zestig van de vorige eeuw.
Ondanks de geheel andere leef- en werkomstandigheden na de opkomst van de mijnindustrie en de toename van vreemdelingen werden heel veel oude volksgebruiken in ere gehouden. Een voorbeeld was de processie naar het Leenderkapelletje in Schaesberg. Mijnwerkersvrouwen en kinderen baden er vooral in de meimaand voor de koempels. Ook kermissen en weidefeesten waren erg in trek. Typische mijnwerkersfeesten voor Duitse, Poolse of Sloveense mijnwerkers, de gemeenschappelijke mijnwerkersgroet “Glück Auf” en de algemene gebruikelijke mijnwerkerskleding zorgden voor het ontstaan van een zekere mijnwerkersfolklore.
Als iemand begon te werken in de mijn moest hij eerst ontgroend worden. Meestal werd hier de z.g. “koelsjtamp”toegepast. De oudste mijnwerker hield hierbij een panschop tegen het zitvlak van de nieuweling, waarna met de zware hamer een behoorlijke slag tegen het platte gedeelte van de schop werd gegeven. Omdat er in de ondergrondse werken natuurlijk niet gerookt mocht worden vanwege ontploffingsgevaar, gebruikten heel veel mijnwerkers pruimtabak maar het vergde toch wel enige oefening vooraleer men dit z.g. “sjiekke” onder de knie had.
De eerste helft van de twintigste eeuw was Zuid-Limburg vooral een mannenwereld. Thuis had de vrouw wel wat in de melk te brokkelen, maar in de café’s of in de politiek hadden de mannen het hoogste woord.
Was- of badgelegenheden waren op veel mijnen lange tijd onbekend. De directies hadden geen geld over voor dergelijke ‘nieuwerwetsigheid’. Reiniging van lichaam en kleding gebeurde thuis. Plaatselijk ontstond ook het gebruik om zich na werktijd voor een paar cent bij de lokale barbier te laten ontdoen van overtollige baardharen. Kin en wangen werden blank geschoren en de rest van het gezicht bleef zwart van het kolenstof. Dat was uiteraard een vermakelijk gezicht. In gezinnen waar meerdere familieleden op de mijn werkten en dan zelfs nog tijdens verschillende diensten, stond er de hele dag een grote ketel op het fornuis voor warm water. Badkamers of doucheruimtes waren er niet in de mijnwerkershuizen, dus moest er afwisselend gebruik gemaakt worden van de wastobbe in de keuken.
Het wassen van de ondergronds vervuilde kleding was een heel zware opgave voor de mijnwerkersvrouwen. Op het einde van de werkweek brachten hun mannen deze kleren in z.g. pungels mee naar huis en meestal werd al op zondagavond de was ‘opgezet’, zoals men dat toen noemde. De hele buurt in de mijnwerkerskolonieën rook dan op maandagmorgen naar soda en waswater en nog voor de middag hingen de waslijnen in de tuinen vol met mijnkleding.
Vanaf 1932 werd het bisdom Roermond bestuurd door bisschop Lemmens. Hij kwam wat naïef en kinderlijk over, maar het bestuur van de mijnwerkersbond droeg hem op handen. Hij beschermde vooral het grote katholieke gezin en adviseerde de priesters om de kinderrijkdom in de katholieke gezinnen te stimuleren. Zij schrokken er niet voor terug om ieder echtpaar dat hun weg kruiste te vragen hoe het stond met de gezinsuitbreiding. Geregeld gingen pastoors en kapelaans op huisbezoek en zij vertelden de vrouwen ook dat ze erop toe moesten zien dat hun mannen lid werden van de goede vakorganisaties en dat er geen verkeerde kranten in huis mochten komen enz. Vader moest zo min mogelijk gestoord worden. Hij droeg zijn loonzakje af en hoopte dat moeder de vrouw de rest regelde.
In het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw bereikte de productiviteit van de mijnen haar hoogtepunt. In 1956 werkten er op de mijnen zo’n 56.000 man. Vanaf 1958 kwamen er steeds meer Amerikaanse kolen naar Europa en die waren veel goedkoper.
De onaantrekkelijkheid van het werken onder de grond werd op de duur funest voor de toekomst van de mijnen. Het was traditie om leerlingen van de zesde klassen van de lagere scholen een dag uit te nodigen om kennis te maken met de bedrijven. De bedoeling was om het imago op te krikken en de jongens te winnen voor het werk in de mijnen. Langzaam veranderde de mening van de vaders over hun werk. Zij wilden hun zonen niet meer dat vuile werk laten doen en steeds meer jongens lieten “de koel” links liggen.
De minister, die in de zestiger jaren verantwoordelijk was voor de mijnen, was kort na de oorlog in de mijnen geweest en had toen dat werk al slavenwerk genoemd. En toen ook de mijndirecties zich gingen afvragen of het werk in de mijnen wel zo prettig en aanlokkelijk was verzette hij zich niet daartegen. Op een decemberavond in 1965 maakte hij het nieuws bekend. Hij was door de directie overtuigd dat voortzetting van de productie niet langer verantwoord was. Hij beloofde dat de ontwikkeling van nieuwe industrieën gelijke tred zou houden met de sluiting van de diverse mijnen.
Zes van de twaalf mijnen werden tussen 1965 en 1969 gesloten. Het aantal arbeiders daalde snel van 45.000 naar 17.000. In 1975 sloot dan ook de laatste van de Zuid-Limburgse kolenmijnen en toen waren er alleen nog maar ex-mijnwerkers over.