Al sinds de 12e eeuw vormen Herzogenrath en Kerkrade op de administratieve landkaart een eenheid. Kerkrade en Herzogenrath bleven echter ondanks deze woelige eeuwen als Land van ’s Hertogenrode verenigd.
In het jaar 1804 werden de bestaande grenzen afgeschaft. De gehele regio werd opgenomen in het grote Franse Keizerrijk. Nadat Napoleon in Waterloo was verslagen, viel het Land van ’s Hertogenrode uiteen. In het jaar 1815 werden op het Congres van Wenen nieuwe grenzen
getrokken. De grens tussen Nederland en Pruisen werd dwars door het Land van ’s Hertogenrode getrokken, waardoor de abdij van Rolduc op Nederlands grondgebied en de Burcht Rode op Pruisisch grondgebied terecht kwamen. Zo werd Kerkrade deel van Nederland en kwam Herzogenrath bij Pruisen.
Pas met de val van de Berlijnse muur en het openen van de Europese binnengrenzen groeide bij beide gemeenteraden en stadsbesturen de wens, de wederzijdse betrekkingen te intensiveren en de laatste muur in Europa, namelijk die aan de Nieuwstraat/Neustraβe, te slechten. De Nieuwstraat/Neustraβe is nu een open en grensvrije en daarmee Europese, straat.
Op 26 juni 1816 wordt in Aken het grenstractaat tussen Nederland en Pruisen afgesloten. ’s-Hertogenrade en een deel van Kerkrade, vanaf de Nieuwstraat tot aan de Worm, wordt bij Pruisen ingedeeld.
De handelsweg Aken-Geilenkirchen en het riviertje de Worm worden tot landsgrens gebombardeerd.
In augustus 1914 verandert plotseling de toestand aan de Nieuwstraat in Kerkrade door het uitbreken van de oorlog. De wegen die uitkomen op de Nieuwstraat worden afgesloten. Op 31 augustus en volgende dagen trekt een leger van 150.000 Duitse soldaten met toebehoren in een lange sliert over de Nieuwstraat op weg naar België. De soldaten verkondigen vol goede moed en luidruchtig, dat ze over enkele weken als overwinnaars terug zullen keren.
Mathieu (Ploum) mag als grote kerel van zes met opa Hendrik Joseph en vader Willem naar de Holz lopen en dit spektakel bekijken. Deze keer lopen de Duitse soldaten nog voorbij, want Nederland blijft buiten deze Eerste Wereldoorlog. Een dikke 25 jaar later zal Mathieu weer Duitse soldaten voorbij zien trekken, maar dan is van neutraliteit geen sprake en zal iedereen in Kerkrade naar hun poppen moeten dansen. Nu komen op verschillende plaatsen langs de Nieuwstraat Duitse schildwachten te staan. Zo krijgt ook burgemeester Hendricks elf maanden lang een Duitse schildwacht voor de deur van zijn huis aan de Nieuwstraat.
Uit: Jo Ploum, D’r Ploum is ‘nit’ doeëd, p. 71, 132 en 231.
Herinneringen van de bewoners van de Nieuwstraat.
In mei 1986 werden verschillende bewoners van de Nieuwstraat geïnterviewd door enkele leden van de Stichting Historische Kring Kerkrade. De gesprekken werden gedeeltelijk opgenomen. De gebruikte taal was grotendeels dialect. Het nu volgende gesprek vond plaats ten huize van de familie Van Loo, die vele jaren lief en leed deelde met de overige bewoners van deze geschiedenisrijke straat, die zo vaak in het middelpunt van de belangstelling stond. De interviewers stellen hun vragen en vervolgens laat ik de heer Willem van Loo aan het woord.
Wat weet u van het douanekantoor hier aan de Nieuwstraat?
Van dat douanekantoor weet ik niets, ik weet wel, dat mijn vader eens is gearresteerd waar Delahaye en Frechen hun koloniaalwarenzaak hadden.
Had hij iets bij zich?
Nee, maar een neef van mij werd in 1937 gezocht als smokkelaar.
Pap had groente gekocht, dat was daar goedkoper en een douanier bleef hem nalopen en die pakte hem opeens in de kraag met de woorden: “Sie sind verhaftet!” Pap werd meegesleept en die douanier kreeg hulp van zijn collega’s. Of hij wou of niet, hij moest met de tram mee naar Aken en daarmee naar het Polizeipresidium. Godzijdank had hij zijn pas bij zich. Hij werd ondervraagd, pap werd bekeken en vergeleken met het opsporingsregister en opeens schreeuwde de commissaris tegen die douanier: “Sie Hornochs, kennen Sie nicht den Unterschied zwischen einen 55 jährigen und einen 25 jährigen?” Hij had de verkeerde te pakken en verontschuldigde zich en pap kon gaan. Hij heeft later nog een klacht ingediend wegens wederrechtelijke vrijheidsberoving, maar daarop kreeg hij als antwoord dat hij Deutsches Reichseigentum gemolesteerd had en dat die Rechnung daarmee vergeleken was. Pap heeft zich inderdaad geweerd, toen hij aangehouden werd en had de fiets van die douanier in elkaar getrapt.
Na die dag is pap nooit meer naar Duitsland gegaan. “Die vieze Pruisen wil ik nooit meer zien”, dat was zijn gezegde. Maar ja, in 1940 kwamen de Pruisen hem bezoeken.
Mijn mam was Duitse van geboorte en ging graag naar Duitsland, meestal naar Aken. Ze had ook familie in Duitsland wonen. Pap echter is nooit meer over de grens geweest. Hij was wel in Duitsland geboren, in Dortmund, uit Hollandse ouders.
Uit het gesprek blijkt, dat men via een kaart of foto’s als het ware door de Nieuwstraat wandelt.
Hier staan huizen die zijn zeker honderdvijftig jaar oud. Lüeter met zijn paarden had een café in huis nr. 63. Over hem doet een mooi verhaal de ronde. Hij trouwde op latere leeftijd met een meisje, dat hijzelf naar de doop had gereden met zijn koets. Lachend had hij toen gezegd: “Meisje, met jou trouw ik nog eens.” En dat is later ook gebeurd. Lisa Lüeter heeft het café nog gehad na de oorlog.
Op nr. 62 woont Pelzer, die had dat huis gekocht van oom Paul. Dan komt Hennes Smeets, die had een zaak, maar hun boerenhofje lag aan de Duitse kant. Als je langs de Oude Vockart de Bende inloopt daar lag die boerderij. Die hadden niet veel land, maar ze hadden ook nog een tuinderij. ’t Waren echter Hollanders, daar leeft nog een van en die woont tegenover ’t huis nr. 96. Dat is nu nog een tuinderij en daar woont een zoon van Smeets.
Wat vreemd dat hij hier woonde en in Duitsland land had?
Dat was wel vaker zo aan de grens. Rox had ook land aan de Duitse kant. Naast de bloemenzaak Erich Geduldig had hij een flink stuk land. Hij had ook grote stukken land op Bleijerheide en waar nu de Nr. II straat is en hij pachtte land van de dames Deutz. Daar moest hij hand- en spandiensten voor leveren en pacht betalen. In mijn vakantie heb ik vaak voor hen gewerkt. Dat was net zo als bij Smeets. Vroeger hoorde dat allemaal bij die hof. Zo’n hof had vroeger zeker 15 tot 20 hectaren land.
Even verder komen we bij ’t Walhalla. dat was zo’n zondige tent. Daar mochten wij als jongens al helemaal niet naar toe. Een deel was een groot café met zeker twee verdiepingen erop. Daar was nog een grote zaal, die nog lang na de oorlog heeft bestaan. Dat was een danszaal, gekoppeld aan het café.
En dat heette werkelijk ’t Walhalla?
Die naam stond erop. Wij mochten daar niet naar toe en mijn ouders kwamen daar ook niet. Je raakte daar veel geld kwijt. Veel grenshandelaren hebben in de goeie tijd, de twintiger jaren, vlot geld verdiend, maar dat werd in dat Walhalla ook even vlot weer uitgegeven. Daar waren zelfs hanengevechten. Er waren maar enkelen die flink wat geld hebben overgehouden.
Dan komt de blinde muur van De Breur en een paar woonhuizen. Dat is het huis van Giliam en op de hoek woont de mam van Mevr. Heijenrath. Dan komt een oprit en daarnaast het huis De Lauwere en daarnaast is het achterom van De Breur.
Dan komen we bij de familie W., de zeer bekende Nicola W., een handelaar. Deze heeft veel gesmokkeld. Maar ja, als je aan de grens woont, en dan niet smokkelt, dan tel je niet als normaal. Dat bleef dan meestal binnen de perken, maar Nicola smokkelde in het groot. In het donker rolde die hele kazen de grens over.
Dat verhaal van die fietsbanden, die aan de raamkozijnen werden vastgemaakt en dan als katapulten werden gebruikt om smokkelwaar de grens over te schieten. Hoe zit dat daarmee?
Dat gebeurde in de tijd na de oorlog tot 1948-1949. Meestal om de families aan de overkant wat extra etenswaar te bezorgen. Geschoten werd brood, koffie, aardappels en al het mogelijke. De schroeven van de fietsen hebben nog jaren in de vensters gezeten. Van Voccart tot aan de Schummerstraat lagen de kleine veldbrandhuisjes, die nu afgebroken zijn. Op de hoek woonde de grenshandelaar Turk, die had ook nog een grote poort naar het bedrijf.
Dan begint een hele rij zaken. Eerst Hammers, koloniaalwaren en verhuurbedrijf voor carnavalskostuums en gelegenheidskostuums. Dan kwam een opslagplaats voor vuurwerk en die leverde ook dynamiet voor de mijn.
Dan twee particuliere huizen en daartegenover lag café Wolfgarten met een grote zaal. Achterom was nog een grote Wintergarten. Daar staat nu een deel van Möbel Debets. Het café werd veel door Hollanders bezocht. Het was meer een uitspatting voor de mensen uit Kerkrade dan voor Duitsers. In Straß zelf woonden niet genoeg mensen om het café aan het draaien te houden. In de oorlog is in die zaal een naaiatelier geweest, waar Duitse militaire uniformen gemaakt werden. In de laatste dagen voor de evacuatie is dat door Kerkradenaren geplunderd.
Op nr. 62 was Das Deutsche Haus. Dat was vroeger het woonhuis van een broer van pap.
Mevrouw Van Loo voorziet nu de interviewers van koffie met vlaai en slagroom. Men vindt, dat men eigenlijk veel te goed verzorgd wordt, maar de heer Van Loo wijst dit af met de opmerking, dat men toch wel aan hun omvang kan zien, dat men hier zelden zonder vlaai of koek zit.
In de gevel van het huis Schlösser, nummer 64, was vroeger een sproeipomp, die met een zwengel bediend moest worden. Schlösser had ook een goedlopende zaak voor koloniaalwaren en ik denk, dat hij ook grenshandelaar was. Die heeft goed verdiend. Zijn jongens hebben een fatsoenlijke school gehad en dat moest men toen allemaal zelf betalen. Die zaak was gericht op Duitse kopers.
Eigenlijk waren twee zaken genoeg geweest voor de omgeving, maar in de Nieuwstraat waren zoveel zaken, dat was nog te veel voor heel Kerkrade. Er werd ook geen dialect gesproken, alleen Duits. Het huis Java lag daar ook. Er waren alleen al vijftien tot twintig koloniaalwarenzaken. Het was hier veel goedkoper.
Hoeveel scheelde het dan wel?
In die tijd, in 1937, had iedere zaak een plaat op de deur waar Bank op stond. De koers van de mark zakte toen zo, dat we viereneenhalf tot vijf mark voor een gulden kregen. Dat waren nog eens tijden. Maar in 1939 ging de grens hermetisch dicht en dat is zo de hele oorlog gebleven.
Dan kwam het oude café Van Loo. Daar zat oom Friets in, op nr. 65. Café Zum Hirsch heette het. Nummer 66 was ook een zaak. Nr. 67 was een garage waar auto’s gerepareerd werden en daarboven was een woning waar die neef van mij woonde, Lei van Loo, die ze verwisseld hadden met mijn pap.
Daarnaast was een slagerij op nr. 73 of 74. Even verder komt het beroemde pand Rothkranz. Die Rothkranz bestudeerde graag de sterren. “Baron van Baas tot Mesthoop noemden we die. De arme man had een heel sterke bril en de jeugd is vaak ongenadig. Hij werd vaak door ons gepest. We haalden bij Wolters een stuk worst en hingen dat aan zijn deurbel, zo’n ouderwetse. Dan lieten we de hond eraan ruiken en liepen weg. De hond bleef naar de worst springen en die bel bleef bellen. Baas, zo noemden we hem, kwam kijken. De hond rende weg en de worst zag hij niet. De deur was nog niet helemaal dicht, of die hond was er alweer en het spelletje begon opnieuw. Wij waren op zijn tijd ook echte vlegels.
Die Rothkranz had op zijn erf een put, die het beste drinkwater had, dat er aan de grens was. In de zomer als het erg heet was gingen de mensen daar altijd water halen en dat was heerlijk koel. Na de bevrijding hebben de mensen zelfs daar in de rij gestaan voor water, omdat de aanloop van water uit Duitsland versperd was. Alleen de huizen van de Domaniale hadden toen water en dan bleef niets anders over dan het water van de put van Rothkranz. Hij was wel een markante figuur, maar de omgang met hem was prima.
Ertegenover lag de bioscoop, Molly. Dat was aan de Duitse kant. Eigenaar was de familie Doveren. Die hadden een zoon, Lei, en dan nog drie of vier dochters. Daar werden films vertoond, die in Kerkrade verboden waren. Molly noemden we ook ’t vloeës en daar mochten we niet naar toe. Ojezus nee!
Dan kwamen twee huizen Bahnen. Mathieu en Joep. Dat waren ook zaken. Later kwam in een zaak een kapsalon. Dat waren de nummers 75 en 76. Pand 83 was Sangen en 81 was Vos. Bij nr. 83 hoorde een grote tuin, op 84 woonde vrouw Niesten en op 85 Lataster. Nummer 88 werd bewoond door Bahnen Frans, koloniaalwaren. Op 89 Bremen en op 90 Vohn. Op 91 woonden mensen uit Saarland, die men Foss noemde en de vrouw Ackermann en het waren protestanten. Foss was een fervente grenshandelaar. Die had aan de overkant van de straat, aan de Duitse kant, een stuk land gekocht. De smokkelaars, die de tabak droegen, liepen bij hem de voordeur uit en zijn land op, dan kon hun niemand meer iets doen. Dan liepen ze de Bende in en dan door de bossen naar Bardenberg en Würselen. Hij had net als wij achterom een uitgang naar de Kokelestraat. Daar kon een vrachwagen in het donger de garage in rijden. Die wagens waren toen nog zo groot als nu. Straatlantaarns waren er toen nog niet en niemand zag het.
Een tijd lang heb ik samen met wat buurjongens pakjes matrozenshag, die tamelijk dik waren, samengeperst. Na onze behandeling was een groot pak nog maar een klein pakje en was gemakkelijker te smokkelen. Per avond kregen we dan een kwartje, ook mijn broer heeft vaker meegewerkt. Foss heeft jarenlang van de grenshandel geleefd.
Een dochter van die heeft nog een aangebrande brief van haar ouders.
Een aangebrande brief is een luchtpostbrief, die de reis met de Uiver naar Indië had overleefd, toen die omlaaggevallen en in brand gevlogen is. Het adres op die brief is nu nog te lezen.
Dan komen we op nummer 92, mijn geboortehuis. Dat is gebouwd in 1924. Voor die tijd hadden we een allemachtig groot huis, pap was aannemer. Mam wou graag aan de grens wonen. Pap niet, maar die deed het voor mam. Mam was Duits en ging vaak op bezoek bij families en ging graag kopen in Aken.
Beneden waren twee grote kamers, een keuken en een bijkeuken en dan nog een achterom, waar de uitgang was naar de Kokelestraat. Daar was ook de garage met een grote poort waar we met wagens erin konden komen.
In 1924 hadden we al verwarming. We hadden een badkamer met een gasgeiser. Maar in de Nieuwstraat was toen nog geen gas, in Haanrade was toen een gasfabriek. In de Kokelestraat was wel gas en pap liet op eigen kosten een gasleiding leggen van de Kokelestraat tot onder de garage en van daaruit naar de badkamer. Ik kan me nog herinneren, dat die geiser een koffermantel had en gemaakt was in Aken. Voor die tijd was dat luxe. Pap verdiende in die tijd veel geld. In 1924 hadden we al een personenauto en wij jongens mochten af en toe de motor aanzwengelen, daar hebben we nog foto’s van. We hadden zes jongens en een meisje. Dat was een levendig en duur huishouden.
Slecht hebben we het alleen gehad in de crisisjaren 1934-1935. Pap had toen alleen maar inkomen uit vermogen. Werk had hij ook niet. We bleven in leven en we konden in het huis blijven wonen, dat was alles. Ik ben daar blijven wonen totdat ik trouwde in 1951 en twee jaren daarna verhuisden we naar het huis nummer 99. Dat huis, daar zat eerst Krauthausen in, waar wij het van gehuurd hebben, tot dat we in 1961 het huis 68 gekocht hebben.
Die Krauthausen is ook een grenshandelaar geweest. Daar heb ik rekeningen gevonden op de zolder van sigaretten, zoveel rookt heel Kerkrade niet. Helaas heb ik die rekeningen niet bewaard, iech heur. Daar stond Cocktail en Buffalo op. Dat waren gele en blauwe sigaretten en die kostten toen vijftien cent. Die kreeg die met de honderdduizenden. Dat waren vijfduizend pakjes en dat waren woeste rekeningen. Voor die tijd was dat veel geld. Die heeft een goeie zaak gehad, maar nog eens, er zijn maar weinigen die geld hebben overgehouden. Alleen maar die uit de twintiger jaren of uit de jaren zestig en zeventig.
Ik heb altijd erbij gewerkt. Er zijn ook mensen, die goed verdienden, daar deden ze ook een tijd niks mee. Als het geld bijna op was, dan werd weer gewerkt. Er waren ook mensen, die de zaak opgaven als ze vijfenvijftig of zestig jaar waren. Dan hield het huis op een bedrijfswoning te zijn en dan moesten ze twintig- tot dertigduizend gulden naar de belasting brengen. Dan moest men echt met de voeten op de grond blijven staan.
Dan komt de witte villa, nummer 93, die is in de Akense stijl gebouwd. De naam was Villa Schaffrath, maar wie die gebouwd heeft weet ik niet. Pap heeft de villa gekocht in 1928 om het geld te beleggen en daar woonden toen huurders in. Nummer 94 was het huis van professor Eck.
Toen de goeie tijd voorbij was, zijn veel zaken woonhuizen geworden. Op 101 zat Saligers met zijn koloniaalwarenzaak en later de kapper Keulards. We hadden thuis zes jongens met tamelijk dikke koppen en dat haarknippen kostte vijftien cent. Maar het was crisistijd en dan werd ik met mijn broer Sjors samen gestuurd, maar we kregen maar een kwartje mee. Degene, die als laatste aan de beurt was, moest zeggen dat we maar een kwartje bij ons hadden, en dat mam dat genoeg vond, want het was crisis. We renden altijd om als eerste aan de beurt te zijn, want geen van ons vond het leuk om dat te vertellen. Zo’n dingen blijven je wel bij.
Op 103 was het bekende huis Dols. Dat heette, geloof ik, Huis Sumatra. Laatst zijn Fernando Schmitz en Maria Fincken elkaar hier nog tegengekomen. Dat was een cafévrouw. Die hadden elkaar zeker vijftig jaar niet meer gezien. Maria was van een etablissement tegenover het oude Burgemeestershuis. Offermans was dat en dat was ook zo’n Sündenpfuhl. Dat was me een Wiedersehen. Bij die gelegenheid haalden die twee oude herinneringen op. Over de tijd, dat ze pelsmantels over de grens smokkelden. Gewoon de mantels aantrekken en over de grens wandelen. In Duitsland werden ze dan verkocht. Dat zal ik jullie zeggen, als mam de kans kreeg om wat bij te verdienen met smokkelen, dan kon die dat niet laten. Het was zoiets als koorts. Ze heeft eens met een vriendin wildleren tassen de grens over gesmokkeld, dat was in 1935, 1936. De tassen kwamen aan bij de families E. Mam en de vriendin haalden ze dan de grens over en die werden dan in een zaak in Venlo verkocht. Krokodillen en slangenleer was in Duitsland veel goedkoper en dan werden ze ook nog met marken betaald. En men kreeg drie tot vijf mark voor een gulden. Op iedere tas verdienden we vaak vijftig cent tot een gulden. Een handelaar in bouwmaterialen was de tussenhandelaar. Toen mijn broers op Rolduc zaten, smokkelde ik Hummelkaarten uit Duitsland. Die kostten een dubbeltje en mijn broers verkochten ze op Rolduc voor vijftien cent. In die tijd mocht ik maar drie mark meenemen over de grens, maar dat waren dan toch dertig kaarten en dat bracht toch alweer een guldig vijftig op. Dat was toen veel geld. Alles ging te voet, zo had ik geen onkosten.
Ik kan me ook herinneren dat op de renbaan wedstrijden werden gehouden. De officiële naam was Sportarena Herzogenrath-Kerkrade. Gebouwd heeft de baan een zekere Schürmann, dat was vroeger zelf een bekende renner. In Rome had die zelfs aan de Mussolini-arena meegewerkt. Het was een baan van 200 meter lang en zes meter breed. Van de 6500 vierkante meter waren 4500 overdekt. 3500 man konden erin.
Op 13 april 1933 waren meer dan duizend mensen komen kijken toen proefgedraaid werd en op 22 april hielden ze al een officiële wedstrijd over honderd km. Daar deden toen alle bekende koppels aan mee. Later kwamen zelfs bekende renners zoals Pijnenburg, Braspenning en Piet van Kempen ernaar toe.
In de winter van 1944-1945 hebben de mensen uit de buurt dat mooie hout eruitgetrokken en als brandhout gebruikt. Toen de renbaan draaide, zijn de mensen van wijd en zijd gekomen. Maar financieel werd het een grote flop. Die hebben nooit eruit gehaald, wat dat gekost heeft
De heer Van Loo vervolgt zijn wandeling langs de huizen van de Nieuwstraat.
Voor de oorlog was er altijd een grote kermis van Voccart tot ver langs de kerk van Strass. Tot aan Haus Schmitz stond de ene kraam naast de andere.
In café Offermans heeft eens een SS-er spektakel gemaakt. Hij had een persoon dood geschoten en daarna zichzelf. Ook gebeurden regelmatig ongelukken. De zoon uit dat huis tegenover ons is onder de tram gekomen en dood gebleven tegenover huis 85. Hij had iets te veel gedronken en omdat alles verduisterd was, liep hij regelrecht onder de tram. Pastoor Buchkremer van Strass, de latere wijbisschop van Aken, kwam in het donker om die het laatste oliesel te geven. We hoorden de pastoor nog roepen: Herr Wolfgarten, leben Sie noch?” Maar daar leefde niets meer. Die lag tussen de tram en de draad. Het hele tafereel speelde zich af in het donker.
Die pastoor Buchkremer wilden de jongens van Strass, die bij de Hitlerjugend waren, niet meer als misdienaars, en hij heeft bij verschillende families in de Nieuwstraat jongens gevraagd om bij hem de mis te komen dienen, ook mijn broers, Lei en Sjors, en de jongens van Bahnen en Sangen. Ook heeft hij eens een vlammende protestpreek gehouden toen een Jood weg gehaald was. De man was een Jood en zijn vrouw katholiek en ze woonden een stuk naar beneden op de Jozefstraat. Vrouw en kinderen lieten ze ongemoeid, maar die man brachten ze naar een concentratiekamp. De dag na de preek werd de pastoor ook opgehaald. Hij is toen naar Dachau of Buchenwald gebracht. Godzijdank heeft hij alles overleefd.
Tegenover huis 92 van Schlösser woonde een tandarts, dat was ook een Jood. Ik weet niet of die nog ergens is kunnen wegkomen.
Als u naar Aken ging, ging u dan met de tram?
Jazeker, met mam en de hele bende in de tram. Meestal werden daar kleren en schoenen gekocht. Foto’s lieten we bij Reingans in Heerlen maken. Als weer een kind erbij was gekomen en het net kon lopen, werd weer een nieuwe foto gemaakt. Vaak ook bij Prem in Aken.
In de tijd voor de oorlog was pap lid van de KVP. Op een dag kwamen een paar jongens hun geldbijdrage ophalen. Mijn pap zei nog: “Jongens, ik geloof niet, dat nog nodig is, komt maar eens boven aan het venster kijken.” Boven aan het venster op de zolder konden ze zien hoe aan de Duitse kant alles vol lag met militairen. We zagen heel goed hoe ze zich voorbereidden. Dat was tegen mei 1940. Na de 10e mei is bij ons nog in het huis geschoten en daarbij is een Christusfguur op het kruis geraakt.
Op de 9e mei 1940 zijn we vertrokken. Mijn pap wou met ons naar zijn zus in Maastricht gaan. Maar toen we daar waren en ’s morgens om vier uur wakker werden, vlogen de Duitse vliegers al boven Maastricht. Toen wou pap naar Frankrijk, want met de Pruisen wou hij niets meer te maken hebben. Alle geld dat hij had, had hij meegenomen en hij wou de Pruisen voorblijven. Hij kon echter niet snel genoeg lopen, de Pruisen haalden hem in.
Was het hele gezin bij elkaar?
Ja, alleen Paul niet, die was in militaire dienst, bij het tweede wielrijdersregiment in Den Bosch en de oudste was op Rolduc. Mam en de andere vijf kinderen waren bij pap en die wou maar één ding, weg van die Pruisen.
Later vielen ze ons daar lelijk mee op de neus. Men vond, dat we thuis hadden moeten blijven. Op onze poort stond met grote letters geschreven: Hier wohnen Deutschenhasser en daarmee was de baard af.
Alle wegen naar de Nieuwstraat, zoals de Kokelestraat, de Kohlbergsgracht, de Schummerstraat, de Voccartstraat en de Pannesheidestraat waren allemaal afgezet met ijzeren poorten. Op een bepaalde tijd gingen die allemaal dicht. De douaniers kwamen die sluiten en als daarna nog iemand erin wou en hij had geen achterom, dan moest hij via Panneshei of het douanekantoor in Holz naar de Nieuwstraat gaan. Wij hebben daar geen last van gehad, we hadden een achterom. We hebben ook nooit een pasje gehad. Met de poorten, dat was aan de Duitse kant precies hetzelfde. Daar was ook iedere straat, die op de Nieuwstraat uitkwam, met een poort afgesloten. Bij het aanleggen van de eerste prikkeldraadversperring voor de oorlog door de jongens van de Arbeitsdienst in de zomer van 1938 waren die al geplaatst.
Die jongens hebben daar een werk aan gehad. De pilaren waren van onderen tamelijk breed met die zware stalen platen. In die tijd was het ook nog tamelijk heet en we kregen vaak van de jongens een mark om limonade te halen, dan hadden ze tenminste iets te drinken.
Op de 10e mei werden de grote poorten opzij geschoven en het voetvolk kon naar binnen marcheren. Dat was de eerste keer dat die ook opengingen. In september 1944 zijn die rotdingen weggebrand. De Amerikanen hebben de Nieuwstraat toen gebruikt als munitie-opslag.
Hebt u weleens gehoord, dat smokkelaars gepakt werden en dan verboden strook kregen?
Als iemand gepakt werd met smokkelen, dan kreeg hij verboden strook en dat wilde zeggen, dat hij een tijd lang niet in de Nieuwstraat mocht komen en ook niet in de buurt. Als kinderen hoorde men wel vaak: Piet, Joep of Klaas heeft verboden strook en die mocht dan een jaar lang niet in zijn eigen huis komen. Hij ging dan naar zijn ouders of bekenden in Kerkrade of in Bleyerheide, ook al had hij vrouw en kinderen op de Nieuwstraat wonen, daar trokken de Pruisen zich niets van aan. Vrouw en kinderen konden wel naar die man of pap gaan, maar niet andersom. Zo’n gekke dingen gebeurden, dat kan men zich nu niet meer voorstellen.
Desondanks doordat de straten tegen de avond afgesloten werden, kreeg men daar een heel ander gevoel. De mensen hadden een sterke band onder elkaar, omdat ze op elkaar aangewezen waren. Hulp van buren betekende in die tijd veel voor iedereen en al was er genoeg straf voor alles, smokkelen en smokkelprocessies bleven zolang ze profijt opbrachten.
Smokkelprocessies werden zo genoemd, omdat de sacramentsprocessie, die ieder jaar uittrok, de smokkelaars de kans bood om zonder gezien te worden smokkelwaar door de gaten in de draad aan Duitse toeschouwers te geven.
Na de oorlog gingen de processies niet meer over de Nieuwstraat om smokkelen tegen te werken. Blijft nog de vraag: wat is smokkelen? Alles wat illegaal over de grens gebracht werd is smokkelen.
Ik kan me echter nog goed herinneren, dat na de oorlog in Duitsland verschrikkelijk veel honger werd geleden en hier was alles weer tamelijk op gang gekomen. Uitgemergelde Duitse kinderen stonden aan de draad en riepen tegen iedereen die langs kwam: “Bitte ein Butterbrot”. Mijn mam smeerde dan boterhammen en liet ons die naar de kinderen brengen. In tijd van niks stond een douanier bij je en vroeg: “Wat heb je net gegeven?” “Een boterham en anders niets”. En daar bleef het bij. Veel mensen hadden families over de grens en na verloop van tijd kon men dan ook op familiebezoek gaan en men mocht dan zijn eigen eten voor die dag meenemen. De boterhammen werden altijd zo dik belegd, dat voor de families ook wat overbleef. Aan de grens werden de pakjes boterhammen opgemaakt en dan zei die douanier natuurlijk iets over dat dikke beleg, maar mijn mam vond dan dat hij daar helemaal niets mee te maken had.
Waar nu Wohnbedarf ligt, daar lag tussen de Kohlbergsgracht en de Schummerstraat het Deutsche Heim. Dat was een groot wit gebouw met een groot hek eromheen. Aan de voorkant was in de oorlog een soort toonkast met foto’s van Hitler en ik kan me nog goed herinneren met wat voor afschuw mijn pap daar naar keek.
Voor dat huis stonden altijd mensen van de SS of de Gestapo. Pruisen, die in Bleyerheide woonden, konden daar tweemaal per week extra vlees, groente en fruit halen. Zelfs sinaasappels. Daarvoor hadden die een Ausweis of een kaart met bonnen. In Holz was ook zo’n Deutsches Heim voor de Duitsers, die in Holz woonden. In dat Deutsche Heim kwamen ook regelmatig Duitse soldaten voor bijeenkomsten of feestjes, maar niemand wist precies wat zich daar afspeelde.
Tot zover zijn de bandjes bewaard gebleven en zo kon ik dat gesprek van mei 1986 enigszins reconstrueren.
Am 26. Juni 1816 wurde in Aachen der Grenzvertrag zwischen den gNiederlanden und Preußen geschlossen. Herzogenrath und ein Teil von Kerkrade, von der Neustraße bis zum Worm, gehören zu Preußen.
Die Handelsstraße Aachen-Geilenkirchen und die Worm werden als Landesgrenze bombardiert.
Im August 1914 änderte sich die Situation auf der Neustraße in Kerkrade aufgrund des Kriegsausbruchs plötzlich. Die Straßen zur Neustraße werden gesperrt. Am 31. August und an den folgenden Tagen marschiert eine Armee von 150.000 deutschen Soldaten mit Zubehör in einer langen Reihe über die Neustraße auf dem Weg nach Belgien. Die Soldaten verkünden fröhlich und lautstark, dass sie in wenigen Wochen als Sieger zurückkehren werden.
Als großer Sechsjähriger kann Mathieu (Ploum) mit Großvater Hendrik Joseph und Vater Willem zum Holz gehen und sich dieses Spektakel ansehen. Diesmal ziehen die deutschen Soldaten noch vorbei, denn die Niederlande bleiben außerhalb des Ersten Weltkriegs. Mehr als 25 Jahre später wird Mathieu wieder deutsche Soldaten vorbeiziehen sehen, doch dann wird es keine Neutralität mehr geben und alle in Kerkrade müssen zu ihren Puppen tanzen. An verschiedenen Stellen entlang der Neustraße werden nun deutsche Wachposten stationiert. Auch Bürgermeister Hendricks empfing elf Monate lang einen deutschen Posten an der Tür seines Hauses in der Neustrasse.
Aus: Jo Ploum, D'r Ploum is 'nit' doeëd, S. 71, 132 und 231.
Erinnerungen der Bewohner der Neustrasse.
Im Mai 1986 wurden mehrere Bewohner der Neustraße von einigen Mitgliedern der Kerkrade Historical Circle Foundation interviewt. Die Gespräche wurden teilweise aufgezeichnet. Die verwendete Sprache war größtenteils Dialekt. Das folgende Gespräch fand im Haus der Familie Van Loo statt, die viele Jahre lang Freuden und Leid mit den anderen Bewohnern dieser geschichtsträchtigen Straße teilte, die so oft im Mittelpunkt der Aufmerksamkeit stand. Die Interviewer stellen ihre Fragen und dann lasse ich Herrn Willem van Loo sprechen.
Was wissen Sie über das Zollamt hier in der Neustraße?
Ich weiß nichts über dieses Zollamt, ich weiß aber, dass mein Vater einst dort verhaftet wurde, wo Delahaye und Frechen ihr Kolonialwarengeschäft hatten.
Hatte er etwas bei sich?
Nein, aber ein Cousin von mir wurde 1937 als Schmuggler gesucht.
Papa hatte Gemüse gekauft, dort war es billiger und ein Zöllner verfolgte ihn immer wieder und packte ihn plötzlich und sagte: „Sie sind verhaftet!“ Papa ließ sich mitreißen und der Zollbeamte holte sich Hilfe von seinen Kollegen. Ob er wollte oder nicht, er musste mit der Straßenbahn nach Aachen und damit zum Polizeipräsidium fahren. Gott sei Dank hatte er seinen Pass dabei. Er wurde verhört, der Brei untersucht und mit dem Fahndungsregister abgeglichen und plötzlich schrie der Kommissar den Zöllner an: „Sie Hornochs, wissen Sie, dass sie noch zwischen 55 und 25 Jahre alt sind?“ Er erwischte den Falschen und entschuldigte sich, und Papa konnte gehen. Später erstattete er Anzeige wegen rechtswidriger Freiheitsberaubung, erhielt jedoch die Antwort, dass er das Deutsche Reichseigentum belästigt habe und Rechnung damit vergleichbar sei. Tatsächlich leistete Papa bei seiner Verhaftung Widerstand und zerschmetterte das Fahrrad des Zöllners.
Nach diesem Tag reiste Papa nie wieder nach Deutschland. „Ich will diese schmutzigen Preußen nie wieder sehen“, das war sein Ausspruch. Aber ja, 1940 kamen die Preußen zu Besuch.
Meine Mutter war gebürtige Deutsche und reiste gern nach Deutschland, meist nach Aachen. Sie hatte auch eine Familie, die in Deutschland lebte. Papa überquerte jedoch nie wieder die Grenze. Er wurde in Deutschland, in Dortmund, als Sohn niederländischer Eltern geboren.
Das Gespräch zeigt, dass Menschen sozusagen anhand einer Karte oder Fotos durch die Neustraße laufen.
Hier gibt es Häuser, die mindestens einhundertfünfzig Jahre alt sind. Lüeter und seine Pferde hatten ein Café im Haus Nr. 63. Über ihn gibt es eine schöne Geschichte. Später heiratete er ein Mädchen, das er in seiner Kutsche zur Taufe gefahren hatte. Lachend sagte er dann: „Mädchen, ich werde dich wieder heiraten.“ Und das geschah später. Lisa Lüeter betrieb das Café auch nach dem Krieg noch.
Pelzer wohnt in der Nummer 62, das Haus hatte er von Onkel Paul gekauft. Dann kommt Hennes Smeets, der ein Unternehmen hatte, dessen Farm jedoch auf deutscher Seite lag. Wenn Sie am Oude Vockart de Bende vorbeigehen, befand sich dort der Bauernhof. Sie hatten nicht viel Land, aber sie hatten auch eine Gärtnerei. Sie waren jedoch Niederländer, einer von ihnen lebt noch und er wohnt gegenüber von Haus Nr. 96. Das ist jetzt eine Gärtnerei und ein Sohn von Smeets lebt dort.
Wie seltsam, dass er hier lebte und Land in Deutschland hatte?
Das war an der Grenze oft der Fall. Rox hatte auch Land auf deutscher Seite. Neben dem Blumenladen Erich Geduldig besaß er ein großes Grundstück. Er besaß auch große Landstriche auf der Bleijerheide und dort, wo die Nr. Straße II und er pachtete Grundstücke von den Deutzer Damen. Er musste alle möglichen Dienstleistungen erbringen und dafür Miete zahlen. Ich habe in meinen Ferien oft für sie gearbeitet. Das war das Gleiche wie bei Smeets. Früher war das alles Teil dieses Gerichts. Zu einem solchen Gericht gehörten früher mindestens 15 bis 20 Hektar Land.
Etwas weiter erreichen wir Walhalla. Das war so ein sündiges Zelt. Als Jungen durften wir auf keinen Fall dorthin gehen. Ein Teil war ein großes Café mit mindestens zwei Etagen. Dort gab es einen weiteren großen Saal, der noch lange nach dem Krieg existierte. Das war ein Tanzlokal, verbunden mit dem Café.
Und das hieß wirklich Walhalla?
Dieser Name stand darauf. Wir durften dort nicht hingehen und auch meine Eltern durften dort nicht hin. Da hast du viel Geld verloren. Viele Grenzhändler verdienten in den guten Zeiten, den Zwanzigerjahren, schnell Geld, aber in Walhalla wurde es genauso schnell ausgegeben. Es gab dort sogar Hahnenkämpfe. Nur wenige hatten noch viel Geld übrig.
Dann kommt die leere Wand von De Breur und ein paar Wohnhäusern. Das ist Giliams Haus und Frau Heijenraths Mutter wohnt an der Ecke. Dann gibt es eine Auffahrt und daneben befindet sich das Haus De Lauwere und daneben der Hintereingang von De Breur.
Dann kommen wir zur Familie W., der sehr berühmten Händlerin Nicola W.. Dieser hat viel geschmuggelt. Aber ja, wenn man an der Grenze lebt und nicht schmuggelt, dann zählt man nicht als normal. Das hielt sich meist in Grenzen, aber Nicola schmuggelte im großen Stil. Der gesamte Käse rollte im Dunkeln über die Grenze.
Diese Geschichte über diese Fahrradreifen, die an Fensterrahmen befestigt wurden und dann als Katapulte verwendet wurden, um Schmuggelware über die Grenze zu schießen. Was ist damit?
Das geschah in der Zeit nach dem Krieg bis 1948-1949. Normalerweise, um die Familien auf der anderen Straßenseite mit etwas zusätzlichem Essen zu versorgen. Brot, Kaffee, Kartoffeln und alles Mögliche wurde geschossen. Die Schrauben der Fahrräder stecken seit Jahren in den Fenstern. Von Voccart bis zur Schummerstraat befanden sich die kleinen Feldfeuerwehrhäuser, die inzwischen abgerissen wurden. An der Ecke wohnte der Grenzhändler Türke, der auch ein großes Tor zur Firma hatte.
Dann beginnt eine ganze Reihe von Dingen. First Hammers, Kolonialwaren- und Verleihunternehmen für Karnevalskostüme und Anlasskostüme. Dann gab es ein Lager für Feuerwerkskörper, das auch Dynamit für das Bergwerk lieferte.
Dann zwei Privathäuser und gegenüber befand sich das Café Wolfgarten mit einem großen Saal. Auf der Rückseite befand sich ein großer Wintergarten. Dort befindet sich jetzt ein Teil von Möbel Debets. Das Café wurde oft von Niederländern besucht. Für die Kerkrader war es eher ein Genuss als für die Deutschen. In Straß selbst lebten nicht genügend Menschen, um das Café am Laufen zu halten. Während des Krieges befand sich in diesem Raum eine Nähwerkstatt, in der deutsche Militäruniformen hergestellt wurden. In den letzten Tagen vor der Evakuierung kam es zu Plünderungen durch Einwohner von Kerkrade.
Auf Platz 62 befand sich Das Deutsche Haus. Das war früher das Zuhause eines Bruders meines Vaters.
Frau Van Loo versorgt die Interviewer nun mit Kaffee, Kuchen und Schlagsahne. Die Leute haben das Gefühl, dass sie eigentlich viel zu gut versorgt sind, aber Herr Van Loo weist dies mit der Bemerkung zurück, dass man an ihrer Größe erkennen könne, dass die Leute hier selten ohne Kuchen oder Torte da seien.
In der Fassade des Hauses Schlösser, Nummer 64, befand sich früher eine Sprühpumpe, die mit einer Kurbel bedient werden musste. Schlösser hatte auch ein erfolgreiches Kolonialwarengeschäft und ich glaube, er war auch Grenzhändler. Er hat gut verdient. Seine Jungs besuchten eine anständige Schule und mussten alles selbst bezahlen. Dieser Fall richtete sich an deutsche Käufer.
Eigentlich hätten zwei Unternehmen für die Gegend gereicht, aber in der Neustraße gab es so viele Unternehmen, dass es immer noch zu viel für ganz Kerkrade war. Es wurde auch kein Dialekt gesprochen, nur Deutsch. Das Java-Haus war auch dort. Es gab allein fünfzehn bis zwanzig Kolonialwarenläden. Hier war es deutlich günstiger.
Wie groß war der Unterschied?
Damals, im Jahr 1937, hing an der Tür jedes Unternehmens ein Schild mit der Aufschrift „Bank“. Der Kurs der Mark sank dann so stark, dass wir für einen Gulden viereinhalb bis fünf Mark bekamen. Das waren noch Zeiten. Doch 1939 wurde die Grenze hermetisch geschlossen und blieb es auch während des gesamten Krieges.
Dann kam das alte Café Van Loo. Onkel Friets war dort, in der Nummer 65. Es hieß Café Zum Hirsch. Auch Nummer 66 war ein Fall. NEIN. 67 war eine Werkstatt, in der Autos repariert wurden, und darüber ein Haus, in dem meine Cousine Lei van Loo lebte, die sie mit meinem Vater verwechselt hatten.
In der Hausnummer 73 oder 74 befand sich auch eine Metzgerei. Etwas weiter entfernt befindet sich das berühmte Rothkranz-Gebäude. Die Rothkranz studierte gern die Sterne. „Wir nannten ihn Baron van Baas tot Mesthoop. Der arme Mann hatte eine sehr starke Brille und die Jugend ist oft gnadenlos. Er wurde oft von uns gemobbt. Wir haben ein Stück Wurst von Wolters bekommen und es an seine Türklingel gehängt, eine altmodische. Dann ließen wir den Hund daran riechen und gingen weg. Der Hund sprang immer wieder auf die Wurst zu und die Glocke läutete ununterbrochen. Boss, so nannten wir ihn, kam, um zuzusehen. Der Hund lief weg und sah die Wurst nicht. Die Tür war noch nicht ganz geschlossen, als der Hund zurückkam und das Spiel von neuem begann. Wir waren damals auch echte Racker.
Dass Rothkranz auf seinem Grundstück einen Brunnen hatte, der das beste Trinkwasser an der Grenze lieferte. Im Sommer, als es sehr heiß war, gingen die Leute immer dorthin, um Wasser zu holen, und es war wunderbar kühl. Nach der Befreiung standen die Menschen dort sogar Schlange für Wasser, weil der Wasserfluss aus Deutschland blockiert war. Zu dieser Zeit hatten nur die Häuser der Domaniale Wasser und dann blieb nichts anderes übrig als das Wasser aus dem Rothkranzbrunnen. Er war eine beeindruckende Figur, aber der Umgang mit ihm war in Ordnung.
Gegenüber war das Kino, Molly. Das war auf deutscher Seite. Eigentümer war die Familie Doveren. Sie hatten einen Sohn, Lei, und drei oder vier Töchter. Dort wurden Filme gezeigt, die in Kerkrade verboten waren. Wir riefen auch Molly the Vloees an und durften nicht dorthin gehen. Oh Jesus, nein!
Zusammen mit ein paar Nachbarsjungen habe ich eine Zeit lang Päckchen Seetabak gepresst, die ziemlich dick waren. Nach unserer Behandlung wurde aus einem großen Paket ein kleines Paket und ließ sich leichter schmuggeln. Wir bekamen jeden Abend einen Vierteldollar, auch mein Bruder half öfter mit. Foss lebte jahrelang vom Grenzhandel.
Eine ihrer Töchter hat noch einen verbrannten Brief ihrer Eltern.
Ein verbrannter Brief ist ein Luftpostbrief, der die Reise mit der Uiver nach Indien überlebte, als er abstürzte und Feuer fing. Die Adresse auf diesem Brief ist noch zu lesen.
Dann kommen wir zu Nummer 92, meinem Geburtshaus. Es wurde 1924 gebaut. Davor hatten wir ein wirklich großes Haus, Papa war Bauunternehmer. Mama wollte an der Grenze leben. Nicht Papa, aber er hat es für Mama getan. Mama war Deutsche und besuchte oft Familien und kaufte gerne in Aachen ein.
Im Erdgeschoss befanden sich zwei große Räume, eine Küche und ein Hauswirtschaftsraum sowie ein Hintereingang, von dem aus der Ausgang zur Kokelestraat führte. Es gab auch eine Garage mit einem großen Tor, durch die wir mit Autos hineinfahren konnten.
Bereits 1924 gab es eine Heizung. Wir hatten ein Badezimmer mit einem Gasdurchlauferhitzer. Damals gab es in der Neustraße jedoch kein Gas, und in Haanrade gab es eine Gasfabrik. In der Kokelestraat gab es Gas, und Papa ließ auf eigene Kosten eine Gasleitung von der Kokelestraat bis unter die Garage und von dort bis zur Toilette verlegen. Ich erinnere mich noch daran, dass dieser Geysir eine Kofferhülle hatte und in Aachen hergestellt wurde. Das war damals ein Luxus. Papa hat damals viel Geld verdient. 1924 hatten wir bereits einen Personenwagen und wir Jungen durften ab und zu den Motor ankurbeln, davon haben wir noch Fotos. Wir hatten sechs Jungen und ein Mädchen. Das war ein lebhafter und teurer Haushalt.
Nur in den Krisenjahren 1934-1935 hatten wir eine schlimme Zeit. Papa hatte damals nur Einkünfte aus Vermögen. Er hatte auch keinen Job. Wir blieben am Leben und konnten weiterhin im Haus wohnen, das war alles. Dort wohnte ich bis zu meiner Hochzeit im Jahr 1951 und zwei Jahre später zogen wir in das Haus Nr. 99. In diesem Haus wohnte früher Krauthausen, von dem wir es gemietet hatten, bis wir 1961 das Haus 68 kauften.
Dass Krauthausen auch Grenzhändler war. Dort habe ich auf dem Dachboden Zigarettenscheine gefunden, in ganz Kerkrade wird nicht so viel geraucht. Leider habe ich diese Rechnungen nicht aufbewahrt, Iech heur. Da stand Cocktail und Buffalo. Das waren gelbe und blaue Zigaretten, die damals fünfzehn Cent kosteten. Er bekam sie zu Hunderttausenden. Das waren fünftausend Pakete und das waren verrückte Rechnungen. Das war damals viel Geld. Er hatte ein gutes Geschäft, aber wiederum haben nur wenige noch Geld übrig. Nur solche aus den Zwanzigern oder den Sechzigern und Siebzigern.
Ich habe immer dort gearbeitet. Es gibt auch Leute, die gut verdient haben, aber eine Zeit lang nichts damit gemacht haben. Als das Geld fast aufgebraucht war, wurde die Arbeit wieder aufgenommen. Es gab auch Leute, die das Geschäft mit fünfundfünfzig oder sechzig Jahren aufgaben. Dann war das Haus kein Firmenheim mehr und man musste zwanzig- bis dreißigtausend Gulden Steuern zahlen. Dann musste man wirklich auf dem Boden bleiben.
Dann kommt die weiße Villa Nummer 93, die im Aachener Stil erbaut ist. Der Name war Villa Schaffrath, aber ich weiß nicht, wer sie gebaut hat. Papa kaufte die Villa 1928, um das Geld zu investieren, und damals wohnten darin Mieter. Nummer 94 war das Haus von Professor Eck.
Als die guten Zeiten vorbei waren, wurden viele Unternehmen zu Wohnimmobilien. In der Hausnummer 101 befand sich Saligers mit seinem Kolonialwarengeschäft und später dem Friseur Keulards. Wir hatten zu Hause sechs Jungen mit ziemlich dicken Köpfen, und das Schneiden ihrer Haare kostete fünfzehn Cent. Aber es war eine Krisenzeit und ich wurde zusammen mit meinem Bruder Sjors geschickt, aber wir bekamen nur ein Viertel. Der Letzte in der Schlange musste sagen, dass wir nur ein Vierteldollar dabei hatten und dass Mama dachte, das sei genug, weil es eine Krise sei. Wir liefen immer, um als Erster an der Reihe zu sein, denn keiner von uns mochte es, wenn uns etwas gesagt wurde. Solche Dinge bleiben einem im Gedächtnis.
Bei 103 befand sich das berühmte Haus Dols. Ich glaube, es hieß Haus Sumatra. Hier trafen sich kürzlich Fernando Schmitz und Maria Fincken. Das war eine Café-Lady. Sie hatten sich seit mindestens fünfzig Jahren nicht gesehen. Maria stammte aus einem Lokal gegenüber dem alten Bürgermeisterhaus. Das war Offermans und er war auch so ein Sündenpfuhl. Das war für mich ein Wiedersehen. Bei dieser Gelegenheit schwelgen die beiden in alten Erinnerungen. Ungefähr zu der Zeit, als sie Pelzmäntel über die Grenze schmuggelten. Ziehen Sie einfach Ihre Mäntel an und gehen Sie über die Grenze. Anschließend wurden sie in Deutschland verkauft. Ich sage dir, wenn Mama die Chance hätte, mit dem Schmuggel etwas dazuzuverdienen, könnte sie nicht widerstehen. Es war so etwas wie Fieber. Einmal schmuggelte sie mit einer Freundin wilde Ledertaschen über die Grenze, das war 1935, 1936. Die Taschen kamen bei den E-Familien an. Mama und die Freundin brachten sie dann über die Grenze und sie wurden dann in einem Geschäft in Venlo verkauft. Krokodile und Schlangenleder waren in Deutschland deutlich günstiger und wurden auch in Mark bezahlt. Und die Leute bekamen für einen Gulden drei bis fünf Mark. Wir verdienten oft fünfzig Cent pro Gulden für jede Tüte. Als Mittelsmann fungierte ein Baustoffhändler. Als meine Brüder bei Rolduc waren, habe ich Hummel-Karten aus Deutschland geschmuggelt. Sie kosteten einen Cent und meine Brüder verkauften sie für fünfzehn Cent auf Rolduc. Damals durfte ich nur drei Mark über die Grenze mitnehmen, aber das waren immer noch dreißig Karten und das ergab großzügige fünfzig. Das war damals viel Geld. Alles wurde zu Fuß erledigt, sodass ich keine Kosten hatte.
Ich erinnere mich auch daran, dass auf der Rennbahn Wettbewerbe stattfanden. Der offizielle Name war Sportarena Herzogenrath-Kerkrade. Gebaut wurde die Strecke von einem gewissen Schürmann, der früher selbst ein berühmter Rennfahrer war. In Rom hatte er sogar an der Mussolini-Arena gearbeitet. Es war eine Strecke von 200 Metern Länge und sechs Metern Breite. Von den 6.500 Quadratmetern waren 4.500 überdacht. Es bot Platz für 3.500 Mann.
Am 13. April 1933 kamen mehr als tausend Menschen, um den Testlauf zu verfolgen, und am 22. April fand bereits ein offizielles Rennen über 100 km statt. Alle berühmten Paare nahmen damals daran teil. Später kamen sogar berühmte Reiter wie Pijnenburg, Braspenning und Piet van Kempen dorthin.
Im Winter 1944-1945 holten die Menschen aus der Nachbarschaft dieses schöne Holz und nutzten es als Brennholz. Als sich die Rennbahn drehte, kamen Menschen von nah und fern. Aber finanziell war es ein großer Flop. Sie haben den Preis nie wiedererlangt
Herr Van Loo setzt seinen Spaziergang an den Häusern der Neustraße vorbei fort.
Vor dem Krieg gab es von Voccart bis weit hinter die Kirche von Strass immer einen großen Jahrmarkt. Bis Haus Schmitz stand ein Stand neben dem anderen.
Ein SS-Mann sorgte einst im Café Offermans für ein Spektakel. Er hatte einen Menschen und dann sich selbst erschossen. Auch Unfälle ereigneten sich regelmäßig. Der Sohn aus dem Haus gegenüber von uns fiel unter die Straßenbahn und landete tot gegenüber von Haus 85. Er hatte etwas zu viel getrunken und weil alles dunkel war, ging er direkt unter der Straßenbahn hindurch. Pater Buchkremer von Straß, der spätere Weihbischof von Aachen, kam im Dunkeln, um die letzte Salbe zu spenden. Wir hörten den Pfarrer rufen: „Herr Wolfgarten, live Sie noch?“ Aber dort lebte nichts mehr. Es war zwischen der Straßenbahn und dem Kabel. Die ganze Szene spielte sich im Dunkeln ab.
Pater Buchkremer wollte die Jungen aus Strass, die bei der Hitlerjugend waren, nicht mehr als Ministranten haben und bat Jungen aus verschiedenen Familien in der Neustraße, mit ihm die Messe zu feiern, darunter meine Brüder Lei und Sjors und die Jungen aus Bahnen und Sangen. Er hielt auch einmal eine flammende Protestpredigt, als ein Jude abgeführt wurde. Der Mann war Jude, seine Frau Katholikin und sie lebten ein Stück weiter unten in der Jozefstraat. Sie ließen ihre Frau und ihre Kinder unbehelligt, brachten den Mann jedoch in ein Konzentrationslager. Am Tag nach der Predigt wurde auch der Pfarrer abgeholt. Anschließend wurde er nach Dachau oder Buchenwald gebracht. Gott sei Dank hat er alles überlebt.
Gegenüber dem Haus 92 wohnte ein Zahnarzt von Schlösser, der ebenfalls Jude war. Ich weiß nicht, ob es irgendwo entkommen ist.
Wenn Sie nach Aachen gefahren sind, sind Sie dann mit der Straßenbahn gefahren?
Ja, mit Mama und der ganzen Bande in der Straßenbahn. Dort wurden meist Kleidung und Schuhe gekauft. Wir haben Fotos von Reingans in Heerlen machen lassen. Als ein weiteres Kind hinzukam und gerade noch laufen konnte, entstand ein neues Foto. Oft auch bei Prem in Aachen.
Vor dem Krieg war Papa Mitglied der KVP. Eines Tages kamen einige Jungen, um ihre Spende abzuholen. Mein Vater sagte: „Leute, ich glaube nicht, dass das mehr nötig ist, kommt einfach vorbei und schaut euch das Fenster oben an.“ Vom Dachbodenfenster aus konnten sie sehen, dass auf der deutschen Seite alles voller Soldaten war. Wir haben sehr gut gesehen, wie sie sich vorbereitet haben. Das war etwa im Mai 1940. Nach dem 10. Mai wurden in unserem Haus Schüsse abgefeuert und eine Christusfigur am Kreuz getroffen.
Wir reisten am 9. Mai 1940 ab. Mein Vater wollte mit uns zu seiner Schwester nach Maastricht fahren. Doch als wir dort waren und um vier Uhr morgens aufwachten, flogen bereits die deutschen Drachen über Maastricht. Dann wollte Papa nach Frankreich, weil er mit den Preußen nichts mehr zu tun haben wollte. Er hatte sein gesamtes Geld mitgenommen und wollte den Preußen einen Schritt voraus sein. Allerdings konnte er nicht schnell genug rennen, die Preußen holten ihn ein.
War die ganze Familie zusammen?
Ja, nur nicht Paul, er war im Militärdienst, beim zweiten Radfahrerregiment in Den Bosch und dem ältesten in Rolduc. Mama und die anderen fünf Kinder waren bei Papa und er wollte nur eines: von diesen Preußen wegkommen.
Später haben sie uns darauf angesprochen. Die Leute dachten, wir hätten zu Hause bleiben sollen. An unserem Tor stand in großen Lettern: Hier wohnen Deutschenhasser und das war das Ende vom Bart.
Alle Straßen zur Neustraße, wie die Kokelestraat, die Kohlbergsgracht, die Schummerstraat, die Voccartstraat und die Pannesheidestraat, waren alle mit Eisentoren abgesperrt. Sie haben alle zu einer bestimmten Zeit geschlossen. Die Zollbeamten kamen, um es zu schließen, und wenn danach jemand hinein wollte und er keinen Hintereingang hatte, musste er über Panneshei zur Neustraße oder zum Zollamt in Holz gehen. Damit hatten wir keine Probleme, wir hatten einen Hintereingang. Wir hatten auch nie einen Pass. Bei den Toren war es auf deutscher Seite genau das Gleiche. Dort war jede Straße, die zur Neustraße führte, mit einem Tor verschlossen. Als der erste Stacheldrahtzaun vor dem Krieg von den Jungen vom Arbeitsdienst im Sommer 1938 errichtet wurde, war dieser bereits aufgestellt.
Diese Jungs haben dafür alle Hände voll zu tun. Die Säulen waren unten mit diesen schweren Stahlplatten ziemlich breit. Zu dieser Zeit war es noch ziemlich heiß und die Jungs gaben uns oft ein Zeichen, um Limonade zu holen, damit sie wenigstens etwas zu trinken hatten.
Am 10. Mai wurden die großen Tore beiseite geschoben und die Fußsoldaten konnten einmarschieren. Das war das erste Mal, dass sie geöffnet haben. Diese verdammten Dinger wurden im September 1944 verbrannt. Die Amerikaner nutzten die Neustraße dann als Munitionslager.
Haben Sie schon einmal davon gehört, dass Schmuggler erwischt und anschließend mit einem Fahrverbot belegt werden?
Wenn jemand beim Schmuggel erwischt wurde, wurde ihm eine Sperrzone zugewiesen, was bedeutete, dass er für eine Weile die Neustraße oder deren Nähe nicht betreten durfte. Als Kinder haben wir oft gehört: Piet, Joep oder Klaas haben eine Sperrzone und durften ein Jahr lang ihr eigenes Haus nicht betreten. Er würde dann zu seinen Eltern oder Bekannten nach Kerkrade oder Bleyerheide gehen, obwohl er Frau und Kinder hatte und in der Neustraße wohnte, war den Preußen das egal. Frau und Kinder könnten zu diesem Mann oder Vater gehen, aber nicht umgekehrt. Es sind so verrückte Dinge passiert, die man sich nicht mehr vorstellen kann.
Da die Straßen jedoch abends gesperrt waren, hatten die Menschen dort ein ganz anderes Gefühl. Die Menschen hatten eine starke Bindung zueinander, weil sie aufeinander angewiesen waren. Die Hilfe der Nachbarn bedeutete damals allen viel und obwohl es für alles reichlich Strafe gab, wurde der Schmuggel und die Schmugglerumzüge so lange fortgesetzt, wie sie Gewinn brachten.
Schmuggelprozessionen wurden so genannt, weil die alljährlich stattfindende Abendmahlsprozession den Schmugglern die Möglichkeit bot, Schmuggelware unbemerkt durch die Löcher im Draht an die deutschen Zuschauer weiterzureichen.
Nach dem Krieg fanden die Umzüge nicht mehr über die Neustraße statt, um Schmuggel zu verhindern. Bleibt noch die Frage: Was ist Schmuggel? Alles, was illegal über die Grenze gebracht wird, ist Schmuggel.
Ich kann mich jedoch noch daran erinnern, dass es nach dem Krieg in Deutschland großen Hunger gab und alles wieder in Ordnung kam. Abgemagerte deutsche Kinder standen am Zaun und riefen allen Vorbeikommenden zu: „Bitte ein Butterbrot“. Meine Mutter machte Sandwiches und ließ uns sie zu den Kindern bringen. In einer Zeit des Nichts stand Ihnen ein Zollbeamter zur Seite und fragte: „Was haben Sie gerade gegeben?“ „Ein Sandwich und sonst nichts.“ Und das war es. Viele Menschen hatten Familien auf der anderen Seite der Grenze und nach einer Weile konnten sie die Familie besuchen und ihr eigenes Essen für den Tag mitbringen. Die Sandwiches waren immer so dick gefüllt, dass noch etwas für die Familien übrig blieb. An der Grenze wurden die Sandwichpakete vorbereitet und dann sagte der Zollbeamte natürlich etwas über den dicken Belag, aber meine Mutter dachte, dass er überhaupt nichts damit zu tun hatte.
Wo sich heute Wohnbedarf befindet, befand sich das Deutsche Heim zwischen der Kohlbergsgracht und der Schummerstraat. Es war ein großes weißes Gebäude mit einem großen Zaun darum herum. Während des Krieges stand an der Front eine Art Vitrine mit Fotos von Hitler und ich kann mich noch gut daran erinnern, mit welchem Entsetzen mein Vater darauf geschaut hat.
Vor diesem Haus standen immer Leute von der SS oder der Gestapo. Preußen, die in der Bleyerheide lebten, konnten dort zweimal pro Woche zusätzlich Fleisch, Gemüse und Obst bekommen. Sogar Orangen. Davor gab es ein Ausweis bzw. eine Karte mit Gutscheinen. In Holz gab es auch ein solches Deutsches Heim für die in Holz lebenden Deutschen. Auch deutsche Soldaten kamen regelmäßig zu Versammlungen oder Partys ins Deutsche Heim, doch niemand wusste genau, was dort vor sich ging.
Bisher sind die Tonbänder erhalten geblieben und so konnte ich das Gespräch vom Mai 1986 einigermaßen rekonstruieren.