Search this site
Embedded Files

LEGENDARIUM

Jo Ploum

Neustraße 

Nieuwstraat

Op 26 juni 1816 wordt in Aken het grenstractaat tussen Nederland en Pruisen afgesloten. ’s-Hertogenrade en een deel van Kerkrade, vanaf de Nieuwstraat tot aan de Worm, wordt bij Pruisen ingedeeld.

De handelsweg Aken-Geilenkirchen en het riviertje de Worm worden tot landsgrens gebombardeerd.

In augustus 1914 verandert plotseling de toestand aan de Nieuwstraat in Kerkrade door het uitbreken van de oorlog. De wegen die uitkomen op de Nieuwstraat worden afgesloten. Op 31 augustus en volgende dagen trekt een leger van 150.000 Duitse soldaten met toebehoren in een lange sliert over de Nieuwstraat op weg naar België. De soldaten verkondigen vol goede moed en luidruchtig, dat ze over enkele weken als overwinnaars terug zullen keren.

Mathieu (Ploum) mag als grote kerel van zes met opa Hendrik Joseph en vader Willem naar de Holz lopen en dit spektakel bekijken. Deze keer lopen de Duitse soldaten nog voorbij, want Nederland blijft buiten deze Eerste Wereldoorlog. Een dikke 25 jaar later zal Mathieu weer Duitse soldaten voorbij zien trekken, maar dan is van neutraliteit geen sprake en zal iedereen in Kerkrade naar hun poppen moeten dansen. Nu komen op verschillende plaatsen langs de Nieuwstraat Duitse schildwachten te staan. Zo krijgt ook burgemeester Hendricks elf maanden lang een Duitse schildwacht voor de deur van zijn huis aan de Nieuwstraat.

Uit: Jo Ploum, D’r Ploum is ‘nit’ doeëd, p. 71, 132 en 231.

Herinneringen van de bewoners van de Nieuwstraat.

In mei 1986 werden verschillende bewoners van de Nieuwstraat geïnterviewd door enkele leden van de Stichting Historische Kring Kerkrade. De gesprekken werden gedeeltelijk opgenomen. De gebruikte taal was grotendeels dialect. Het nu volgende gesprek vond plaats ten huize van de familie Van Loo, die vele jaren lief en leed deelde met de overige bewoners van deze geschiedenisrijke straat, die zo vaak in het middelpunt van de belangstelling stond. De interviewers stellen hun vragen en vervolgens laat ik de heer Willem van Loo aan het woord.

Wat weet u van het douanekantoor hier aan de Nieuwstraat?

Van dat douanekantoor weet ik niets, ik weet wel, dat mijn vader eens is gearresteerd waar Delahaye en Frechen hun koloniaalwarenzaak hadden.

Had hij iets bij zich?

Nee, maar een neef van mij werd in 1937 gezocht als smokkelaar.

Pap had groente gekocht, dat was daar goedkoper en een douanier bleef hem nalopen en die pakte hem opeens in de kraag met de woorden: “Sie sind verhaftet!” Pap werd meegesleept en die douanier kreeg hulp van zijn collega’s. Of hij wou of niet, hij moest met de tram mee naar Aken en daarmee naar het Polizeipresidium. Godzijdank had hij zijn pas bij zich. Hij werd ondervraagd, pap werd bekeken en vergeleken met het opsporingsregister en opeens schreeuwde de commissaris tegen die douanier: “Sie Hornochs, kennen Sie nicht den Unterschied zwischen einen 55 jährigen und einen 25 jährigen?” Hij had de verkeerde te pakken en verontschuldigde zich en pap kon gaan. Hij heeft later nog een klacht ingediend wegens wederrechtelijke vrijheidsberoving, maar daarop kreeg hij als antwoord dat hij Deutsches Reichseigentum gemolesteerd had en dat die Rechnung daarmee vergeleken was. Pap heeft zich inderdaad geweerd, toen hij aangehouden werd en had de fiets van die douanier in elkaar getrapt.

Na die dag is pap nooit meer naar Duitsland gegaan. “Die vieze Pruisen wil ik nooit meer zien”, dat was zijn gezegde. Maar ja, in 1940 kwamen de Pruisen hem bezoeken.

Mijn mam was Duitse van geboorte en ging graag naar Duitsland, meestal naar Aken. Ze had ook familie in Duitsland wonen. Pap echter is nooit meer over de grens geweest. Hij was wel in Duitsland geboren, in Dortmund, uit Hollandse ouders.

Uit het gesprek blijkt, dat men via een kaart of foto’s als het ware door de Nieuwstraat wandelt.

Hier staan huizen die zijn zeker honderdvijftig jaar oud. Lüeter met zijn paarden had een café in huis nr. 63. Over hem doet een mooi verhaal de ronde. Hij trouwde op latere leeftijd met een meisje, dat hijzelf naar de doop had gereden met zijn koets. Lachend had hij toen gezegd: “Meisje, met jou trouw ik nog eens.” En dat is later ook gebeurd. Lisa Lüeter heeft het café nog gehad na de oorlog.

Op nr. 62 woont Pelzer, die had dat huis gekocht van oom Paul. Dan komt Hennes Smeets, die had een zaak, maar hun boerenhofje lag aan de Duitse kant. Als je langs de Oude Vockart de Bende inloopt daar lag die boerderij. Die hadden niet veel land, maar ze hadden ook nog een tuinderij. ’t Waren echter Hollanders, daar leeft nog een van en die woont tegenover ’t huis nr. 96. Dat is nu nog een tuinderij en daar woont een zoon van Smeets.

Wat vreemd dat hij hier woonde en in Duitsland land had?

Dat was wel vaker zo aan de grens. Rox had ook land aan de Duitse kant. Naast de bloemenzaak Erich Geduldig had hij een flink stuk land. Hij had ook grote stukken land op Bleijerheide en waar nu de Nr. II straat is en hij pachtte land van de dames Deutz. Daar moest hij hand- en spandiensten voor leveren en pacht betalen. In mijn vakantie heb ik vaak voor hen gewerkt. Dat was net zo als bij Smeets. Vroeger hoorde dat allemaal bij die hof. Zo’n hof had vroeger zeker 15 tot 20 hectaren land.

Even verder komen we bij ’t Walhalla. dat was zo’n zondige tent. Daar mochten wij als jongens al helemaal niet naar toe. Een deel was een groot café met zeker twee verdiepingen erop. Daar was nog een grote zaal, die nog lang na de oorlog heeft bestaan. Dat was een danszaal, gekoppeld aan het café.

En dat heette werkelijk ’t Walhalla?

Die naam stond erop. Wij mochten daar niet naar toe en mijn ouders kwamen daar ook niet. Je raakte daar veel geld kwijt. Veel grenshandelaren hebben in de goeie tijd, de twintiger jaren, vlot geld verdiend, maar dat werd in dat Walhalla ook even vlot weer uitgegeven. Daar waren zelfs hanengevechten. Er waren maar enkelen die flink wat geld hebben overgehouden.

Dan komt de blinde muur van De Breur en een paar woonhuizen. Dat is het huis van Giliam en op de hoek woont de mam van Mevr. Heijenrath. Dan komt een oprit en daarnaast het huis De Lauwere en daarnaast is het achterom van De Breur.

Dan komen we bij de familie W., de zeer bekende Nicola W., een handelaar. Deze heeft veel gesmokkeld. Maar ja, als je aan de grens woont, en dan niet smokkelt, dan tel je niet als normaal. Dat bleef dan meestal binnen de perken, maar Nicola smokkelde in het groot. In het donker rolde die hele kazen de grens over.

Dat verhaal van die fietsbanden, die aan de raamkozijnen werden vastgemaakt en dan als katapulten werden gebruikt om smokkelwaar de grens over te schieten. Hoe zit dat daarmee?

Dat gebeurde in de tijd na de oorlog tot 1948-1949. Meestal om de families aan de overkant wat extra etenswaar te bezorgen. Geschoten werd brood, koffie, aardappels en al het mogelijke. De schroeven van de fietsen hebben nog jaren in de vensters gezeten. Van Voccart tot aan de Schummerstraat lagen de kleine veldbrandhuisjes, die nu afgebroken zijn. Op de hoek woonde de grenshandelaar Turk, die had ook nog een grote poort naar het bedrijf.

Dan begint een hele rij zaken. Eerst Hammers, koloniaalwaren en verhuurbedrijf voor carnavalskostuums en gelegenheidskostuums. Dan kwam een opslagplaats voor vuurwerk en die leverde ook dynamiet voor de mijn.

Dan twee particuliere huizen en daartegenover lag café Wolfgarten met een grote zaal. Achterom was nog een grote Wintergarten. Daar staat nu een deel van Möbel Debets. Het café werd veel door Hollanders bezocht. Het was meer een uitspatting voor de mensen uit Kerkrade dan voor Duitsers. In Straß zelf woonden niet genoeg mensen om het café aan het draaien te houden. In de oorlog is in die zaal een naaiatelier geweest, waar Duitse militaire uniformen gemaakt werden. In de laatste dagen voor de evacuatie is dat door Kerkradenaren geplunderd.

Op nr. 62 was Das Deutsche Haus. Dat was vroeger het woonhuis van een broer van pap.

Mevrouw Van Loo voorziet nu de interviewers van koffie met vlaai en slagroom. Men vindt, dat men eigenlijk veel te goed verzorgd wordt, maar de heer Van Loo wijst dit af met de opmerking, dat men toch wel aan hun omvang kan zien, dat men hier zelden zonder vlaai of koek zit.

In de gevel van het huis Schlösser, nummer 64, was vroeger een sproeipomp, die met een zwengel bediend moest worden. Schlösser had ook een goedlopende zaak voor koloniaalwaren en ik denk, dat hij ook grenshandelaar was. Die heeft goed verdiend. Zijn jongens hebben een fatsoenlijke school gehad en dat moest men toen allemaal zelf betalen. Die zaak was gericht op Duitse kopers.

Eigenlijk waren twee zaken genoeg geweest voor de omgeving, maar in de Nieuwstraat waren zoveel zaken, dat was nog te veel voor heel Kerkrade. Er werd ook geen dialect gesproken, alleen Duits. Het huis Java lag daar ook. Er waren alleen al vijftien tot twintig koloniaalwarenzaken. Het was hier veel goedkoper.

Hoeveel scheelde het dan wel?

In die tijd, in 1937, had iedere zaak een plaat op de deur waar Bank op stond. De koers van de mark zakte toen zo, dat we viereneenhalf tot vijf mark voor een gulden kregen. Dat waren nog eens tijden. Maar in 1939 ging de grens hermetisch dicht en dat is zo de hele oorlog gebleven.

Dan kwam het oude café Van Loo. Daar zat oom Friets in, op nr. 65. Café Zum Hirsch heette het. Nummer 66 was ook een zaak. Nr. 67 was een garage waar auto’s gerepareerd werden en daarboven was een woning waar die neef van mij woonde, Lei van Loo, die ze verwisseld hadden met mijn pap.

Daarnaast was een slagerij op nr. 73 of 74. Even verder komt het beroemde pand Rothkranz. Die Rothkranz bestudeerde graag de sterren. “Baron van Baas tot Mesthoop noemden we die. De arme man had een heel sterke bril en de jeugd is vaak ongenadig. Hij werd vaak door ons gepest. We haalden bij Wolters een stuk worst en hingen dat aan zijn deurbel, zo’n ouderwetse. Dan lieten we de hond eraan ruiken en liepen weg. De hond bleef naar de worst springen en die bel bleef bellen. Baas, zo noemden we hem, kwam kijken. De hond rende weg en de worst zag hij niet. De deur was nog niet helemaal dicht, of die hond was er alweer en het spelletje begon opnieuw. Wij waren op zijn tijd ook echte vlegels.

Die Rothkranz had op zijn erf een put, die het beste drinkwater had, dat er aan de grens was. In de zomer als het erg heet was gingen de mensen daar altijd water halen en dat was heerlijk koel. Na de bevrijding hebben de mensen zelfs daar in de rij gestaan voor water, omdat de aanloop van water uit Duitsland versperd was. Alleen de huizen van de Domaniale hadden toen water en dan bleef niets anders over dan het water van de put van Rothkranz. Hij was wel een markante figuur, maar de omgang met hem was prima.

Ertegenover lag de bioscoop, Molly. Dat was aan de Duitse kant. Eigenaar was de familie Doveren. Die hadden een zoon, Lei, en dan nog drie of vier dochters. Daar werden films vertoond, die in Kerkrade verboden waren. Molly noemden we ook ’t vloeës en daar mochten we niet naar toe. Ojezus nee!

Dan kwamen twee huizen Bahnen. Mathieu en Joep. Dat waren ook zaken. Later kwam in een zaak een kapsalon. Dat waren de nummers 75 en 76. Pand 83 was Sangen en 81 was Vos. Bij nr. 83 hoorde een grote tuin, op 84 woonde vrouw Niesten en op 85 Lataster. Nummer 88 werd bewoond door Bahnen Frans, koloniaalwaren. Op 89 Bremen en op 90 Vohn. Op 91 woonden mensen uit Saarland, die men Foss noemde en de vrouw Ackermann en het waren protestanten. Foss was een fervente grenshandelaar. Die had aan de overkant van de straat, aan de Duitse kant, een stuk land gekocht. De smokkelaars, die de tabak droegen, liepen bij hem de voordeur uit en zijn land op, dan kon hun niemand meer iets doen. Dan liepen ze de Bende in en dan door de bossen naar Bardenberg en Würselen. Hij had net als wij achterom een uitgang naar de Kokelestraat. Daar kon een vrachwagen in het donger de garage in rijden. Die wagens waren toen nog zo groot als nu. Straatlantaarns waren er toen nog niet en niemand zag het.

Een tijd lang heb ik samen met wat buurjongens pakjes matrozenshag, die tamelijk dik waren, samengeperst. Na onze behandeling was een groot pak nog maar een klein pakje en was gemakkelijker te smokkelen. Per avond kregen we dan een kwartje, ook mijn broer heeft vaker meegewerkt. Foss heeft jarenlang van de grenshandel geleefd.

Een dochter van die heeft nog een aangebrande brief van haar ouders.

Een aangebrande brief is een luchtpostbrief, die de reis met de Uiver naar Indië had overleefd, toen die omlaaggevallen en in brand gevlogen is. Het adres op die brief is nu nog te lezen.

Dan komen we op nummer 92, mijn geboortehuis. Dat is gebouwd in 1924. Voor die tijd hadden we een allemachtig groot huis, pap was aannemer. Mam wou graag aan de grens wonen. Pap niet, maar die deed het voor mam. Mam was Duits en ging vaak op bezoek bij families en ging graag kopen in Aken.

Beneden waren twee grote kamers, een keuken en een bijkeuken en dan nog een achterom, waar de uitgang was naar de Kokelestraat. Daar was ook de garage met een grote poort waar we met wagens erin konden komen.

In 1924 hadden we al verwarming. We hadden een badkamer met een gasgeiser. Maar in de Nieuwstraat was toen nog geen gas, in Haanrade was toen een gasfabriek. In de Kokelestraat was wel gas en pap liet op eigen kosten een gasleiding leggen van de Kokelestraat tot onder de garage en van daaruit naar de badkamer. Ik kan me nog herinneren, dat die geiser een koffermantel had en gemaakt was in Aken. Voor die tijd was dat luxe. Pap verdiende in die tijd veel geld. In 1924 hadden we al een personenauto en wij jongens mochten af en toe de motor aanzwengelen, daar hebben we nog foto’s van. We hadden zes jongens en een meisje. Dat was een levendig en duur huishouden.

Slecht hebben we het alleen gehad in de crisisjaren 1934-1935. Pap had toen alleen maar inkomen uit vermogen. Werk had hij ook niet. We bleven in leven en we konden in het huis blijven wonen, dat was alles. Ik ben daar blijven wonen totdat ik trouwde in 1951 en twee jaren daarna verhuisden we naar het huis nummer 99. Dat huis, daar zat eerst Krauthausen in, waar wij het van gehuurd hebben, tot dat we in 1961 het huis 68 gekocht hebben.

Die Krauthausen is ook een grenshandelaar geweest. Daar heb ik rekeningen gevonden op de zolder van sigaretten, zoveel rookt heel Kerkrade niet. Helaas heb ik die rekeningen niet bewaard, iech heur. Daar stond Cocktail en Buffalo op. Dat waren gele en blauwe sigaretten en die kostten toen vijftien cent. Die kreeg die met de honderdduizenden. Dat waren vijfduizend pakjes en dat waren woeste rekeningen. Voor die tijd was dat veel geld. Die heeft een goeie zaak gehad, maar nog eens, er zijn maar weinigen die geld hebben overgehouden. Alleen maar die uit de twintiger jaren of uit de jaren zestig en zeventig.

Ik heb altijd erbij gewerkt. Er zijn ook mensen, die goed verdienden, daar deden ze ook een tijd niks mee. Als het geld bijna op was, dan werd weer gewerkt. Er waren ook mensen, die de zaak opgaven als ze vijfenvijftig of zestig jaar waren. Dan hield het huis op een bedrijfswoning te zijn en dan moesten ze twintig- tot dertigduizend gulden naar de belasting brengen. Dan moest men echt met de voeten op de grond blijven staan.

Dan komt de witte villa, nummer 93, die is in de Akense stijl gebouwd. De naam was Villa Schaffrath, maar wie die gebouwd heeft weet ik niet. Pap heeft de villa gekocht in 1928 om het geld te beleggen en daar woonden toen huurders in. Nummer 94 was het huis van professor Eck.

Toen de goeie tijd voorbij was, zijn veel zaken woonhuizen geworden. Op 101 zat Saligers met zijn koloniaalwarenzaak en later de kapper Keulards. We hadden thuis zes jongens met tamelijk dikke koppen en dat haarknippen kostte vijftien cent. Maar het was crisistijd en dan werd ik met mijn broer Sjors samen gestuurd, maar we kregen maar een kwartje mee. Degene, die als laatste aan de beurt was, moest zeggen dat we maar een kwartje bij ons hadden, en dat mam dat genoeg vond, want het was crisis. We renden altijd om als eerste aan de beurt te zijn, want geen van ons vond het leuk om dat te vertellen. Zo’n dingen blijven je wel bij.

Op 103 was het bekende huis Dols. Dat heette, geloof ik, Huis Sumatra. Laatst zijn Fernando Schmitz en Maria Fincken elkaar hier nog tegengekomen. Dat was een cafévrouw. Die hadden elkaar zeker vijftig jaar niet meer gezien. Maria was van een etablissement tegenover het oude Burgemeestershuis. Offermans was dat en dat was ook zo’n Sündenpfuhl. Dat was me een Wiedersehen. Bij die gelegenheid haalden die twee oude herinneringen op. Over de tijd, dat ze pelsmantels over de grens smokkelden. Gewoon de mantels aantrekken en over de grens wandelen. In Duitsland werden ze dan verkocht. Dat zal ik jullie zeggen, als mam de kans kreeg om wat bij te verdienen met smokkelen, dan kon die dat niet laten. Het was zoiets als koorts. Ze heeft eens met een vriendin wildleren tassen de grens over gesmokkeld, dat was in 1935, 1936. De tassen kwamen aan bij de families E. Mam en de vriendin haalden ze dan de grens over en die werden dan in een zaak in Venlo verkocht. Krokodillen en slangenleer was in Duitsland veel goedkoper en dan werden ze ook nog met marken betaald. En men kreeg drie tot vijf mark voor een gulden. Op iedere tas verdienden we vaak vijftig cent tot een gulden. Een handelaar in bouwmaterialen was de tussenhandelaar. Toen mijn broers op Rolduc zaten, smokkelde ik Hummelkaarten uit Duitsland. Die kostten een dubbeltje en mijn broers verkochten ze op Rolduc voor vijftien cent. In die tijd mocht ik maar drie mark meenemen over de grens, maar dat waren dan toch dertig kaarten en dat bracht toch alweer een guldig vijftig op. Dat was toen veel geld. Alles ging te voet, zo had ik geen onkosten.

Ik kan me ook herinneren dat op de renbaan wedstrijden werden gehouden. De officiële naam was Sportarena Herzogenrath-Kerkrade. Gebouwd heeft de baan een zekere Schürmann, dat was vroeger zelf een bekende renner. In Rome had die zelfs aan de Mussolini-arena meegewerkt. Het was een baan van 200 meter lang en zes meter breed. Van de 6500 vierkante meter waren 4500 overdekt. 3500 man konden erin.

Op 13 april 1933 waren meer dan duizend mensen komen kijken toen proefgedraaid werd en op 22 april hielden ze al een officiële wedstrijd over honderd km. Daar deden toen alle bekende koppels aan mee. Later kwamen zelfs bekende renners zoals Pijnenburg, Braspenning en Piet van Kempen ernaar toe.

In de winter van 1944-1945 hebben de mensen uit de buurt dat mooie hout eruitgetrokken en als brandhout gebruikt. Toen de renbaan draaide, zijn de mensen van wijd en zijd gekomen. Maar financieel werd het een grote flop. Die hebben nooit eruit gehaald, wat dat gekost heeft

De heer Van Loo vervolgt zijn wandeling langs de huizen van de Nieuwstraat.

Voor de oorlog was er altijd een grote kermis van Voccart tot ver langs de kerk van Strass. Tot aan Haus Schmitz stond de ene kraam naast de andere.

In café Offermans heeft eens een SS-er spektakel gemaakt. Hij had een persoon dood geschoten en daarna zichzelf. Ook gebeurden regelmatig ongelukken. De zoon uit dat huis tegenover ons is onder de tram gekomen en dood gebleven tegenover huis 85. Hij had iets te veel gedronken en omdat alles verduisterd was, liep hij regelrecht onder de tram. Pastoor Buchkremer van Strass, de latere wijbisschop van Aken, kwam in het donker om die het laatste oliesel te geven. We hoorden de pastoor nog roepen: Herr Wolfgarten, leben Sie noch?” Maar daar leefde niets meer. Die lag tussen de tram en de draad. Het hele tafereel speelde zich af in het donker.

Die pastoor Buchkremer wilden de jongens van Strass, die bij de Hitlerjugend waren, niet meer als misdienaars, en hij heeft bij verschillende families in de Nieuwstraat jongens gevraagd om bij hem de mis te komen dienen, ook mijn broers, Lei en Sjors, en de jongens van Bahnen en Sangen. Ook heeft hij eens een vlammende protestpreek gehouden toen een Jood weg gehaald was. De man was een Jood en zijn vrouw katholiek en ze woonden een stuk naar beneden op de Jozefstraat. Vrouw en kinderen lieten ze ongemoeid, maar die man brachten ze naar een concentratiekamp. De dag na de preek werd de pastoor ook opgehaald. Hij is toen naar Dachau of Buchenwald gebracht. Godzijdank heeft hij alles overleefd.

Tegenover huis 92 van Schlösser woonde een tandarts, dat was ook een Jood. Ik weet niet of die nog ergens is kunnen wegkomen.

Als u naar Aken ging, ging u dan met de tram?

Jazeker, met mam en de hele bende in de tram. Meestal werden daar kleren en schoenen gekocht. Foto’s lieten we bij Reingans in Heerlen maken. Als weer een kind erbij was gekomen en het net kon lopen, werd weer een nieuwe foto gemaakt. Vaak ook bij Prem in Aken.

In de tijd voor de oorlog was pap lid van de KVP. Op een dag kwamen een paar jongens hun geldbijdrage ophalen. Mijn pap zei nog: “Jongens, ik geloof niet, dat nog nodig is, komt maar eens boven aan het venster kijken.” Boven aan het venster op de zolder konden ze zien hoe aan de Duitse kant alles vol lag met militairen. We zagen heel goed hoe ze zich voorbereidden. Dat was tegen mei 1940. Na de 10e mei is bij ons nog in het huis geschoten en daarbij is een Christusfguur op het kruis geraakt.

Op de 9e mei 1940 zijn we vertrokken. Mijn pap wou met ons naar zijn zus in Maastricht gaan. Maar toen we daar waren en ’s morgens om vier uur wakker werden, vlogen de Duitse vliegers al boven Maastricht. Toen wou pap naar Frankrijk, want met de Pruisen wou hij niets meer te maken hebben. Alle geld dat hij had, had hij meegenomen en hij wou de Pruisen voorblijven. Hij kon echter niet snel genoeg lopen, de Pruisen haalden hem in.

Was het hele gezin bij elkaar?

Ja, alleen Paul niet, die was in militaire dienst, bij het tweede wielrijdersregiment in Den Bosch en de oudste was op Rolduc. Mam en de andere vijf kinderen waren bij pap en die wou maar één ding, weg van die Pruisen.

Later vielen ze ons daar lelijk mee op de neus. Men vond, dat we thuis hadden moeten blijven. Op onze poort stond met grote letters geschreven: Hier wohnen Deutschenhasser en daarmee was de baard af.

Alle wegen naar de Nieuwstraat, zoals de Kokelestraat, de Kohlbergsgracht, de Schummerstraat, de Voccartstraat en de Pannesheidestraat waren allemaal afgezet met ijzeren poorten. Op een bepaalde tijd gingen die allemaal dicht. De douaniers kwamen die sluiten en als daarna nog iemand erin wou en hij had geen achterom, dan moest hij via Panneshei of het douanekantoor in Holz naar de Nieuwstraat gaan. Wij hebben daar geen last van gehad, we hadden een achterom. We hebben ook nooit een pasje gehad. Met de poorten, dat was aan de Duitse kant precies hetzelfde. Daar was ook iedere straat, die op de Nieuwstraat uitkwam, met een poort afgesloten. Bij het aanleggen van de eerste prikkeldraadversperring voor de oorlog door de jongens van de Arbeitsdienst in de zomer van 1938 waren die al geplaatst.

Die jongens hebben daar een werk aan gehad. De pilaren waren van onderen tamelijk breed met die zware stalen platen. In die tijd was het ook nog tamelijk heet en we kregen vaak van de jongens een mark om limonade te halen, dan hadden ze tenminste iets te drinken.

Op de 10e mei werden de grote poorten opzij geschoven en het voetvolk kon naar binnen marcheren. Dat was de eerste keer dat die ook opengingen. In september 1944 zijn die rotdingen weggebrand. De Amerikanen hebben de Nieuwstraat toen gebruikt als munitie-opslag.

Hebt u weleens gehoord, dat smokkelaars gepakt werden en dan verboden strook kregen?

Als iemand gepakt werd met smokkelen, dan kreeg hij verboden strook en dat wilde zeggen, dat hij een tijd lang niet in de Nieuwstraat mocht komen en ook niet in de buurt. Als kinderen hoorde men wel vaak: Piet, Joep of Klaas heeft verboden strook en die mocht dan een jaar lang niet in zijn eigen huis komen. Hij ging dan naar zijn ouders of bekenden in Kerkrade of in Bleyerheide, ook al had hij vrouw en kinderen op de Nieuwstraat wonen, daar trokken de Pruisen zich niets van aan. Vrouw en kinderen konden wel naar die man of pap gaan, maar niet andersom. Zo’n gekke dingen gebeurden, dat kan men zich nu niet meer voorstellen.

Desondanks doordat de straten tegen de avond afgesloten werden, kreeg men daar een heel ander gevoel. De mensen hadden een sterke band onder elkaar, omdat ze op elkaar aangewezen waren. Hulp van buren betekende in die tijd veel voor iedereen en al was er genoeg straf voor alles, smokkelen en smokkelprocessies bleven zolang ze profijt opbrachten.

Smokkelprocessies werden zo genoemd, omdat de sacramentsprocessie, die ieder jaar uittrok, de smokkelaars de kans bood om zonder gezien te worden smokkelwaar door de gaten in de draad aan Duitse toeschouwers te geven.

Na de oorlog gingen de processies niet meer over de Nieuwstraat om smokkelen tegen te werken. Blijft nog de vraag: wat is smokkelen? Alles wat illegaal over de grens gebracht werd is smokkelen.

Ik kan me echter nog goed herinneren, dat na de oorlog in Duitsland verschrikkelijk veel honger werd geleden en hier was alles weer tamelijk op gang gekomen. Uitgemergelde Duitse kinderen stonden aan de draad en riepen tegen iedereen die langs kwam: “Bitte ein Butterbrot”. Mijn mam smeerde dan boterhammen en liet ons die naar de kinderen brengen. In tijd van niks stond een douanier bij je en vroeg: “Wat heb je net gegeven?” “Een boterham en anders niets”. En daar bleef het bij. Veel mensen hadden families over de grens en na verloop van tijd kon men dan ook op familiebezoek gaan en men mocht dan zijn eigen eten voor die dag meenemen. De boterhammen werden altijd zo dik belegd, dat voor de families ook wat overbleef. Aan de grens werden de pakjes boterhammen opgemaakt en dan zei die douanier natuurlijk iets over dat dikke beleg, maar mijn mam vond dan dat hij daar helemaal niets mee te maken had.

Waar nu Wohnbedarf ligt, daar lag tussen de Kohlbergsgracht en de Schummerstraat het Deutsche Heim. Dat was een groot wit gebouw met een groot hek eromheen. Aan de voorkant was in de oorlog een soort toonkast met foto’s van Hitler en ik kan me nog goed herinneren met wat voor afschuw mijn pap daar naar keek.

Voor dat huis stonden altijd mensen van de SS of de Gestapo. Pruisen, die in Bleyerheide woonden, konden daar tweemaal per week extra vlees, groente en fruit halen. Zelfs sinaasappels. Daarvoor hadden die een Ausweis of een kaart met bonnen. In Holz was ook zo’n Deutsches Heim voor de Duitsers, die in Holz woonden. In dat Deutsche Heim kwamen ook regelmatig Duitse soldaten voor bijeenkomsten of feestjes, maar niemand wist precies wat zich daar afspeelde.

Tot zover zijn de bandjes bewaard gebleven en zo kon ik dat gesprek van mei 1986 enigszins reconstrueren.

Jo Ploum 

LEGENDARIUM 

Google Sites
Report abuse
Page details
Page updated
Google Sites
Report abuse