Click op de kaart om de kapelletjes in Melsen te vinden via google maps.
Meer uitleg over de kapelletjes
De hekpilaar werd gebouwd na de verbreding van de Gaversesteenweg in 1949, in vervanging van een oudere pilaar die moest worden afgebroken.
De oorsprong van de vroegere pilaarnis is niet gekend. Vermoedelijk werd deze nog vroeger gebouwd als aandenken aan een dodelijk ongeval op de straat aan dit erf.
Gelegen op de hoek van de Stenen Molen en de Scheldekaai.
Deze werd gebouwd door Marie-Thérèse De Smet (weduwe van Francies Xaveer De Baets) tussen 1898 en 1912.
De aanleiding tot de bouw is niet gekend. De plaats was voor die tijd goed gekozen wegens het drukke verkeer naar de loskaai aan de Schelde en naar haar eigen kolenhandelszaak.
In de nis staat een beeldje van O.L.Vrouw en als randschrift rond de nis staat "LANGS DEZE WEG ZET GEENEN VOET OF ZEG MARIA WEES GEGROET". Men zou zeggen dat het een O.L. Vrouw kapelletje is, ware het niet dat onder de nis staat "H.JOZEF BID VOOR ONS"
De kapel werd in 1891 gebouwd met giften van de parochianen en van pastoor Steppe. De naam van 1 der schenkers staat op de binnenkant van de deur : "Jus DE SMET, KERKM, MELSEN 1891, gever"(jozef de Smet, kerkmeester)
De kapel werd gebouwd op grond van de gemeente, de Kouter genoemd. Het gemeentebestuur heeft maar in 1913, na lange discussie met pastoor De Beer, het onderhoud van de kapel op zich genomen.
In 1947 werd deze nog eens door de gemeente hersteld "ten einde het gebouw in stand te houden". De kapel werd gebruikt als halte tijden de grote processie en werd door geburen versierd.
De kapel werd gebouwd op een deel van de gemeentegrond 'De vent'. Ze werd een eerste keer in het kadaster genoteerd in 1883 niettegenstaande ze veel vroeger gebouwd werd. Reeds in 1858 liet de kerkfabriek versieringen aanbrengen aan een kapel, waarin een rustaltaar voor de processie was opgesteld. In 1864 leverde H. Geirnaert uit Gent een ijzeren kruis voor de kapel.
Aan Jozef van Gijseghem werd in 1868 dagloon betaald, alsook aan ene Bombeke, verver te Munte, voor : "verven en in fresco stellen de capelle op de processieweg".
Op de hoek van de Bosstraat en de Makkegemstraat staat het "Boshuizeke" (zoals het gekend is in Melsen). Het ovenkot van dit gebouw staat op de stafkaart vermeld als "St Antoniuskapel omdat vroeger in een nis achter de ijzeren afsluitingeen het beeld stond van de H. Antonius, welke men kon aanroepen tegen de pest.
Bij de verkoop van de woning werd dit beeld door de bewoners meegenomen.
De nieuwe eigenaars hadden het typisch gebouwtje helemaal hersteld, met behoud van de nis die vroeger de kapel vormde. Tevens werd er een nieuw beeld van St Antonius geplaatst.
Nu is dit bij de laatste verbouwing door de huidige eigenaars weggehaald.
Zij werd gebouwd in 1888 door de Gentse familie Serdobbel, uit dank voor bekomen genezing. In het najaar van 1887 werd de dochter, Maria Serdobbel, 24 jaar oud, door een hond gebeten in haar gezicht. De wonden aan wang en lippen genazen niet, zodat de ouders beloofden een kapel te bouwen op hun eigendom, ter ere van O.L.Vrouw van Lourdes, in de hoop van spoedige genezing. Na deze belofte genas de wonde zo goed dat er zelfs geen litteken overbleef.
De eigenaars dachten dat de kapel in Schelderode stond. Ze vroegen de pastoor de kapel in te wijden en tevens een bedevaart te organiseren. Toen bleek dat de kapel in Melsen stond, werd de inwijding verricht door de pastoor van Melsen, E.H.Steppe. Hij organiseerde ook een bedevaart waaraan een honderdtal gelovigen deelnamen.
De 2de zondag van mei ging men zowel van Melsen als van Schelderode in processie naar de kapel.
Bij de viering van het 100-jarig bestaan van de kapel waren in 1988 meer dan 1000 aanwezigen.
In de nacht van 4 op 5/11 /1972 werd er ingebroken in de kapel en werden er 2 kandelaars afkomstig van obussen uit WOI gestolen. Pastoor Frans Lourdault van Melsen liet veldwachter Roger Reybroeck een proces-verbaal tegen onbekenden opmaken. De daders bleven onbekend.
UIT : Brochure Kapellekenspad uitgegeven i.o. Vakantiegenoegens, VVV Merelbeke en ACW dd. 30 april 2000. Teksten : Jozef De Cocker.
Artikel uit de collectie Jozef De Cocker